Bijbel in Gewone Taal (BGT)
34

Mozes maakt twee nieuwe stenen platen

341De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Hak twee stenen platen uit de rots. Ze moeten net zo zijn als de platen die je kapotgegooid hebt. Ik zal mijn regels op de platen schrijven, net als de vorige keer.

2Zorg dat je morgenochtend vroeg klaar bent. Klim dan de berg Sinai op en kom bij mij, boven op de berg. 3Er mag niemand met je meegaan. En er mag niemand op de berg komen. Ook de koeien, schapen en geiten mogen niet dicht bij de berg komen.’

4Mozes hakte twee stenen platen uit de rots, net zulke platen als de vorige. De volgende ochtend vroeg klom hij de berg Sinai op, zoals de Heer gezegd had. Hij nam de stenen platen mee.

De Heer komt bij Mozes

5Toen kwam de Heer in een wolk naar beneden. Hij kwam naast Mozes staan en hij zei: ‘Ik ben de Heer.’

6Daarna ging de Heer voor Mozes langs. De Heer riep: ‘Ik ben de Heer! Ik ben een goede God. Ik zorg voor de mensen. Ik ben geduldig, trouw en vol liefde.

7Mijn liefde voor mensen duurt duizenden generaties. Ik vergeef mensen alles wat ze verkeerd doen, ook als ze grote fouten maken. Maar ik straf mensen als ze mij ontrouw zijn. En ik straf ook hun kinderen, tot en met de vierde generatie.’

8Meteen knielde Mozes. Hij boog diep voorover 9en zei: ‘Heer, als u vertrouwen in mij hebt, ga dan toch met ons mee! Ik weet dat het volk van Israël ongehoorzaam is. Maar vergeef ons onze fouten en zonden. Laat ons alstublieft weer uw volk zijn!’

Het volk mag geen andere goden vereren

10Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘Ik ga jou iets beloven en jullie moeten mij iets beloven. Ik zal grote wonderen doen. Zulke wonderen zijn op de hele aarde nog nooit gedaan, voor geen enkel volk. Ik zal geweldige dingen voor jou doen. Het hele volk dat bij je is, zal het zien.

11En jullie moeten je houden aan de wetten en regels die ik jullie vandaag geef. Ik zal de andere volken wegjagen uit het land waar jullie naartoe gaan. 12Maar denk erom: jullie mogen geen vriendschap sluiten met die volken. Want dan zal het helemaal verkeerd gaan met jullie. 13Jullie moeten hun altaren afbreken, hun heilige stenen kapotslaan en hun heilige palen omhakken. 14Want jullie mogen geen andere goden vereren. Ik, de Heer, ben jullie God, ik alleen. Ik wil niet dat jullie andere goden dienen.

15Sluit dus geen vriendschap met die andere volken. Want dan vragen zij misschien of jullie met hen meedoen. En ik wil niet dat jullie hun afgoden gaan vereren en van hun offers eten! 16Ik wil ook niet dat jullie zonen trouwen met hun dochters, die ook afgoden vereren. Want dan gaan jullie zonen die afgoden ook vereren!

17Ik wil ook niet dat jullie godenbeelden maken.

Regels over offers en feesten

18Jullie moeten het Feest van het Brood zonder Gist vieren. Zeven dagen moeten jullie dan brood zonder gist eten, zoals ik jullie eerder gezegd heb. Vier dat feest in de maand dat jullie uit Egypte weggegaan zijn.

19Alles wat het eerst geboren wordt en mannelijk is, is voor mij bestemd. Dus alle mannetjesdieren die het eerst geboren worden, moet je aan mij geven. 20Behalve het eerste jong van een ezel. In plaats daarvan moet je mij een lam of een geitje geven. Of je moet de nek van het jong van de ezel breken. Ook je oudste zoon hoef je niet aan mij te geven. In plaats daarvan moet je mij een geldbedrag geven.

Als jullie naar mijn heilige tent komen, moeten jullie mij offers brengen.

21Zes dagen mogen jullie werken. Maar op de zevende dag moeten jullie uitrusten. Ook als je het heel druk hebt met het werk op het land.

22Jullie moeten het Wekenfeest vieren in het begin van de zomer, als je de eerste tarwe van het land haalt. En jullie moeten een oogstfeest vieren in de herfst.

23Drie keer per jaar moeten alle mannen mij, de machtige Heer, de God van Israël, komen vereren. 24Ik zal jullie veel land geven en de andere inwoners daar wegjagen. Dan zal niemand je akkers afpakken als je op reis gaat om mij te vereren.

25Als je een dier offert, mag je geen brood met gist bij het offer doen. Het vlees van het offer voor het Paasfeest mag niet blijven liggen tot de volgende dag.

26Breng ieder jaar het eerste koren dat je oogst en de eerste vruchten die je plukt, naar mijn tempel.

Je mag het vlees van een geitje niet koken in melk van de moedergeit.’

Mozes schrijft de tien regels op

27Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘Schrijf mijn regels op. Ik beloof dat ik voor jullie zal zorgen. Maar dan moeten jullie beloven dat jullie je houden aan mijn regels.’

28Mozes bleef weer veertig dagen en nachten daar bij de Heer. Hij at en dronk niets. Hij schreef op de stenen platen de tien belangrijke regels die de Heer gegeven had.

Mozes gaat terug naar het volk

29Mozes ging de berg Sinai af. Hij had de twee stenen platen met de tien regels bij zich. Zijn gezicht had een stralende glans, want hij had met de Heer gesproken. Maar Mozes wist niet dat zijn gezicht zo straalde.

30Aäron en de andere Israëlieten zagen de glans op het gezicht van Mozes. Daarom durfden ze niet naar hem toe te gaan. 31Maar Mozes riep Aäron en de leiders van het volk bij zich en sprak met hen. 32Daarna kwamen ook de andere Israëlieten dichterbij.

Mozes vertelde de Israëlieten alles wat de Heer op de berg Sinai gezegd had. En hij zei dat ze zich aan alle regels moesten houden. 33Toen Mozes klaar was met spreken, deed hij een doek voor zijn gezicht. 34Telkens als Mozes met de Heer ging spreken, deed hij de doek af. En daarna ging hij steeds terug om de Israëlieten te vertellen wat de Heer gezegd had. 35Ze zagen dan de stralende glans op zijn gezicht. En dan deed Mozes de doek weer voor zijn gezicht, totdat hij weer naar de Heer ging.

35

De heilige tent wordt gemaakt

Er mag niet gewerkt worden op sabbat

351Mozes liet alle Israëlieten bij zich komen. Hij zei: ‘De Heer heeft gezegd dat er allerlei dingen voor hem gemaakt moeten worden. 2Zes dagen per week mag daaraan gewerkt worden. Maar op de zevende dag is het sabbat. Dat is een bijzondere dag, die voor de Heer bestemd is. Wie op die dag werkt, moet gedood worden. 3Er mag op sabbat zelfs geen vuur gemaakt worden in jullie huizen.’

Mozes vraagt materiaal voor de tent

4Daarna zei Mozes tegen alle Israëlieten: ‘De Heer wil 5dat jullie geschenken aan hem geven. Iedereen die dat wil, kan een geschenk voor de Heer bij mij brengen.

Jullie kunnen goud, zilver en koper brengen. 6Ook blauwe, paarse en rode stof, linnen en geitenwol. 7Breng verder rood en zwart leer, en acaciahout. 8Ook olie voor de olielampen, en kruiden voor het maken van geurige olie en wierook. 9Breng ten slotte edelstenen om de kleding voor de priesters mee te versieren.

Mozes zegt wat er gemaakt moet worden

10De Heer heeft opdracht gegeven om een heilige tent voor hem te maken, met alle dingen die daarbij horen. Ik wil daarom dat alle goede vakmensen bij mij komen.

11Zij moeten de tent maken, en de kleden om over de tent heen te leggen. Ze moeten ook alle haken, planken, dwarsbalken, palen en voetstukken maken. 12En de heilige kist met de stokken om de kist te dragen, en ook het deksel, en het gordijn dat voor de kist moet hangen.

13Ze moeten de tafel maken met de stokken om de tafel te dragen, en alles wat bij de tafel hoort, en het offerbrood. 14Ook de kandelaar met alles wat erbij hoort, en de olielampen en de olie.

15Verder moeten ze het altaar voor de wierook maken, en de stokken om het altaar te dragen. Ook de heilige olie en de wierook, en het gordijn voor de ingang van de tent.

16Ze moeten het grote altaar maken, en de stokken om het altaar te dragen. Ook het bronzen hek om het altaar en alles wat bij het altaar hoort, en de waterbak met het onderstel.

17Ook moeten ze de schermen maken die om de tent komen te staan, op het plein. En de palen, de voetstukken, het gordijn voor de ingang, 18en alle pinnen en touwen voor de tent en de schermen.

19Ten slotte moeten ze de kleding maken voor Aäron en zijn zonen, die als priester in de tent gaan werken.’

Het volk brengt materiaal voor de tent

20Alle Israëlieten gingen terug naar hun tent. 21Daarna kwamen ze weer bij Mozes. Iedereen die een geschenk wilde geven aan de Heer, bracht het bij Mozes. Al die geschenken konden gebruikt worden voor de heilige tent en alles wat erbij hoorde, of voor de kleding van de priesters.

22Veel mannen en vrouwen gaven geschenken aan de Heer. Ze brachten ringen, kettingen en andere sieraden, en allerlei gouden voorwerpen. 23Sommigen brachten blauwe, paarse en rode stof, linnen en geitenwol. Anderen gaven rood en zwart leer. 24Weer anderen brachten zilver of koper als geschenk voor de Heer. En iedereen die acaciahout had, bracht dat bij Mozes. Want dat hout was nodig voor verschillende voorwerpen.

25Sommige vrouwen brachten linnen, en blauwe, paarse en rode wol. Ze hadden dat zelf gemaakt, want dat konden ze goed. 26Andere vrouwen maakten wol van geitenhaar. 27De leiders van het volk brachten edelstenen voor de kleding van de priesters. 28Zij gaven ook kruiden voor wierook, en olijfolie voor de olielampen en de heilige olie.

29Zo brachten alle Israëlieten die dat wilden, geschenken voor de heilige tent. Er werden geschenken gegeven door mannen en vrouwen. Mozes gebruikte alles om de voorwerpen te maken die de Heer genoemd had.

Mozes zegt wie de tent moeten maken

30Toen zei Mozes tegen de Israëlieten: ‘Luister. De Heer heeft Besaleël uitgekozen om aan de tent te werken. Besaleël komt uit de stam Juda. Hij is een zoon van Uri en een kleinzoon van Chur. 31De Heer heeft hem heel knap, verstandig en wijs gemaakt. Hij is een vakman op veel gebieden. 32Hij kan iets bedenken en het daarna maken, in goud, zilver, koper of brons. 33Hij kan edelstenen bewerken en ze vastzetten. Hij kan hout bewerken, en hij kan nog veel meer.

34De Heer heeft er ook voor gezorgd dat Besaleël aan anderen een vak kan leren. Ook Oholiab, de zoon van Achisamach, uit de stam Dan, kan dat. 35De Heer heeft Besaleël en Oholiab heel knap gemaakt. Ze kunnen veel dingen maken. Ze kunnen goed wol en linnen weven. Ze kunnen ook goed stof versieren met blauwe, paarse en rode wol. En ze bedenken en maken alles zelf.

36

361Besaleël en Oholiab moeten alle voorwerpen maken die nodig zijn in de heilige tent, precies zoals de Heer het gezegd heeft. En iedereen die van de Heer wijsheid en verstand gekregen heeft, moet hen daarbij helpen.’

Er is genoeg materiaal

2Toen riep Mozes Besaleël en Oholiab bij zich, en alle andere vakmensen. Hij riep iedereen bij zich die wijsheid van de Heer gekregen had en die graag mee wilde werken. 3Die mensen namen alle geschenken aan die de Israëlieten bij Mozes brachten. Er werd steeds meer materiaal gebracht voor het werk aan de heilige tent, elke ochtend weer.

4Toen kwamen de mensen die aan de tent werkten, naar Mozes toe. 5Ze zeiden: ‘Er wordt zo veel materiaal gebracht! Het is veel meer dan we nodig hebben voor het werk dat we van de Heer moeten doen.’

6Daarna liet Mozes overal in het kamp zeggen: ‘Niemand hoeft nog iets te brengen of te maken voor de heilige tent.’ 7Toen bracht niemand meer iets. Er was genoeg materiaal om al het werk te doen. Er was zelfs nog over.

De tent voor de Heer wordt gemaakt

8De vakmensen maakten de tent voor de Heer. Ze weefden tien doeken van fijn linnen en van blauwe, paarse en rode wol. Ze weefden er figuren van engelen in. 9Ze maakten de doeken precies even groot: 14 meter lang en 2 meter breed. 10Ze maakten er twee grote kleden van, allebei van vijf doeken.

11Ze maakten aan één zijkant van beide grote kleden lussen van blauwe wol. 12Aan elk kleed maakten ze vijftig lussen. Ze zorgden dat de lussen precies tegenover elkaar zaten. 13Ten slotte maakten ze vijftig gouden haken, en daarmee maakten ze de kleden aan elkaar vast. Zo werd de tent één geheel.

14De vakmensen maakten nog een tent, die over de eerste tent heen kwam. Ze maakten hem van elf doeken van geitenwol. 15Ook die doeken waren precies even groot: 15 meter lang en 2 meter breed. 16Ze maakten er twee grote kleden van, één van vijf doeken en één van zes doeken. 17Aan de zijkant van elk kleed maakten ze vijftig lussen. 18Ook maakten ze vijftig koperen haken. Daarmee maakten ze de kleden aan elkaar vast. Zo werd ook deze tent één geheel.

19Ten slotte maakten ze twee grote kleden om over de tent heen te leggen: één van rood leer en één van zwart leer.

De wanden van de tent

20De wanden van de tent werden gemaakt van planken van acaciahout. De planken kwamen rechtop te staan. 21Elke plank was 5 meter lang en 75 centimeter breed. 22Elke plank had aan de onderkant twee pinnen. Die pinnen zaten bij elke plank op dezelfde plek.

23Voor de wand aan de zuidkant van de tent werden twintig planken gemaakt. 24Onder die twintig planken kwamen veertig zilveren voetstukken, telkens twee per plank. In die voetstukken pasten de pinnen van de planken. 25Ook voor de wand aan de noordkant werden twintig planken gemaakt. 26Die wand kreeg ook veertig zilveren voetstukken, twee onder elke plank.

27De achterste wand van de tent kwam aan de westkant. Voor die wand werden zes planken gemaakt, 28en voor de hoeken twee extra planken. 29Die hoekplanken waren precies gelijk, van onder tot boven. En ze kwamen precies tegen elkaar aan. 30In totaal kwamen er dus acht planken aan de achterkant. En zestien zilveren voetstukken, twee onder elke plank.

31Ook de dwarsbalken werden van acaciahout gemaakt. Er werden vijf balken gemaakt voor de wand aan de ene kant, 32vijf voor de wand aan de andere kant, en vijf voor de achterste wand. 33Elke middelste dwarsbalk verbond alle planken van een wand. Hij kwam precies over het midden van een wand.

34Alle planken en dwarsbalken werden bedekt met een laagje goud. De ringen waar je de dwarsbalken doorheen kon steken, waren helemaal van goud.

De gordijnen voor de tent

35-36Voor de allerheiligste ruimte kwam een gordijn te hangen. Dat gordijn werd gemaakt van blauwe, paarse en rode wol, en van fijn linnen. Een vakman weefde er figuren van engelen in. Dat gordijn werd met gouden haken opgehangen aan vier palen van acaciahout. Die palen werden met een laagje goud bedekt en kwamen op zilveren voetstukken te staan.

37De vakmensen maakten ook een gordijn dat voor de ingang van de tent kwam. Ook dat gordijn weefden ze van blauwe, paarse en rode wol, en van fijn linnen. Ze versierden het met mooie figuren. 38Ze maakten vijf palen met stangen om het gordijn aan op te hangen. De palen en de stangen bedekten ze met een laagje goud, en ze maakten er bronzen voetstukken voor, en gouden haken.