Bijbel in Gewone Taal (BGT)
28

Kleding voor Aäron en zijn zonen

281De Heer zei ook tegen Mozes: ‘Laat je broer Aäron bij je komen, met zijn zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. Ik heb hen uit de Israëlieten uitgekozen om mij als priester te dienen.

2Je moet speciale kleding voor Aäron laten maken. Het moet mooie kleding zijn, kleding waardoor de mensen respect voor hem krijgen. 3Jij moet zelf aan de kleermakers opdracht geven om die kleding te maken. Ik heb ervoor gezorgd dat die kleermakers goed zijn in hun vak. Zij moeten de kleding voor Aäron maken. Dan kan hij als priester aangesteld worden om mij te dienen.

4Dit zijn de kleren die de kleermakers moeten maken: een schort, een tas die op de schort komt, een mantel, een versierd hemd, een tulband en een band om als riem te gebruiken. Niet alleen voor Aäron moeten ze speciale kleding maken, maar ook voor zijn zonen. Want ook zij zullen mij als priester dienen. 5Voor de kleding is nodig: gouddraad, blauwe, paarse en rode wol, en fijn linnen.

De schort

6De schort moet mooi geweven worden van gouddraad, blauwe, paarse en rode wol, en fijn linnen. 7Er moeten twee schouderstukken aan de schort komen die aan de achterkant aan elkaar vastzitten. 8De band om de schort vast te maken, moet één geheel zijn met de schort. Hij moet van hetzelfde materiaal zijn.

9Op de schort moeten twee edelstenen komen. Zet op die edelstenen de namen van de stammen van Israël. Dat zijn dus de namen van de twaalf zonen van Jakob. 10Zet zes namen op de ene steen en zes op de andere. Begin bij de oudste zoon en eindig bij de jongste. 11Het moet heel mooi gedaan worden, door een vakman die namen op ringen kan zetten. Zet daarna de stenen vast in goud.

12-14Die twee edelstenen moet je op de schouderstukken van de schort vastzetten. Maak twee kettinkjes van zuiver goud, gevlochten kettinkjes. Maak die kettinkjes vast aan het goud waar de edelstenen in zitten. Als Aäron bij mij komt met de namen van de stammen van Israël op zijn schouders, dan zal ik aan de Israëlieten denken.

De tas

15Je moet ook een tas maken die op de schort gedragen wordt. Die tas draagt de priester als hij mij om raad komt vragen. Maak de tas net zo mooi als de schort. Gebruik gouddraad, blauwe, paarse en rode wol, en fijn linnen. 16De stof van de tas moet je dubbelvouwen. De tas moet vierkant zijn: 25 centimeter lang en 25 centimeter breed.

17-20Op de tas moet je vier rijen edelstenen zetten, op elke rij drie stenen. Het moeten allemaal stenen van verschillende kleuren zijn. Elke steen moet in goud vastgezet worden. 21Het moeten twaalf stenen zijn, omdat Jakob twaalf zonen had. Op elke steen moet de naam van één van de twaalf stammen van Israël staan.

22Je moet kettinkjes voor de tas maken van zuiver goud, gevlochten kettinkjes. 23Maak ook twee gouden ringen. De ringen zet je aan de bovenste hoeken van de tas. 24De kettinkjes maak je aan de ene kant vast aan de ringen. 25Aan de andere kant maak je ze vast aan de gouden rand van de edelstenen op de schort.

26Maak dan nog twee gouden ringen, en zet die aan de onderste hoeken van de tas. Zet ze aan de binnenkant, aan de kant die tegen de schort aan hangt. 27Ook op de schouderstukken van de schort moet je twee gouden ringen zetten. Zet ze net boven de plek waar de schouderstukken aan de schort vastgemaakt zijn, boven de band van de schort. 28Haal dan een blauw koord door de ringen van de tas en de ringen van de schort. Bind de tas stevig vast op de schort, zodat hij er niet af kan schuiven.

29Die tas moet Aäron altijd dragen als hij de heilige tent in gaat. Dan draagt hij de edelstenen met de namen van de stammen van Israël op zijn hart. Daardoor zal ik steeds aan de Israëlieten denken. 30In de tas moet je twee steentjes doen. Die steentjes moet Aäron gebruiken als hij mij voor de Israëlieten om raad komt vragen. Aäron moet die steentjes altijd op zijn hart dragen als hij bij mij komt.

De mantel

31Onder de priesterschort komt een mantel van blauwe wol. 32In het midden van de mantel komt een opening voor de hals. Rond die opening moet een stevige rand geweven worden, zodat de stof niet kan scheuren.

33Onder aan de mantel moet je een versiering van appeltjes maken. Die appeltjes moet je maken van blauwe, paarse en rode wol. Tussen de appeltjes moeten gouden belletjes komen. 34Dus steeds om en om een appeltje en een belletje.

35Die mantel moet Aäron dragen als hij dienst heeft als priester. Als hij de heilige tent in komt en als hij weer weggaat, zal ik de belletjes horen. Daardoor zal hij niet sterven als hij bij mij komt.

De rest van de priesterkleding

36Maak een sieraad van goud waarop je deze woorden zet: ‘Ik dien de Heer’. Je moet die woorden in het sieraad schrijven, net zoals je iets in een zegelring schrijft. 37Maak het sieraad met een blauw koord vast aan de voorkant van de tulband. 38Het gouden sieraad moet altijd op Aärons voorhoofd zijn. Dan zal ik de Israëlieten vergeven als ze iets verkeerd doen bij het offeren. En dan zal ik hun offers toch aannemen.

39De tulband moet je maken van linnen. Je moet ook het hemd van linnen maken. En de band die als riem gebruikt wordt, moet je laten versieren met mooie figuren.

40Maak ook kleding voor de zonen van Aäron: hemden, riemen en hoge mutsen. Prachtige kleding moet het zijn, kleding waardoor de mensen respect voor hen krijgen. 41-43En maak ook nog linnen broeken voor Aäron en zijn zonen. Die moeten hun lichaam bedekken van hun heupen tot op hun bovenbenen. Ze moeten die broeken steeds dragen als ze de heilige tent in gaan of bij het altaar werken. Anders zullen ze sterven, want dan houden ze zich niet aan mijn regels.

Je broer Aäron en zijn zonen moeten al die kleren aantrekken. Daarna moet je hen aanstellen als priester. Als teken daarvan moet je olie over hun hoofd gieten. Dan horen ze bij mij, en dan kunnen ze mij als priester dienen.’

29

De aanstelling van priesters

Mozes moet priesters aanstellen

291De Heer zei ook tegen Mozes: ‘Je moet Aäron en zijn zonen als priester aanstellen, zodat ze mij kunnen dienen. Daarvoor moet je het volgende doen.

Haal een stier en twee rammen. De dieren moeten gezond zijn en geen gebreken hebben. 2En bak brood van fijn meel, zonder gist te gebruiken. Bak dikke broden van deeg met olijfolie, en bak dunne broden waar je olie op smeert. 3Leg het brood in een mand en breng het naar de heilige tent. Ook de stier en de rammen moet je naar de tent brengen.

4Dan moeten Aäron en zijn zonen naar de ingang van de tent komen. Daar moet je hen schoonwassen met water. 5Daarna moet je Aäron de priesterkleren aantrekken: het hemd, de mantel en de schort met daarop de tas. Bind de schort vast met de band die erbij hoort. 6Zet de tulband op Aärons hoofd en maak het heilige gouden sieraad vast op de tulband. 7Neem dan wat olijfolie en giet dat op Aärons hoofd, als teken dat hij priester wordt.

8Laat daarna de zonen van Aäron bij je komen. Trek ze het priesterhemd aan 9en doe ze de riem om, net zoals je bij Aäron gedaan hebt. Zet ze ook de muts op.

Zo stel je Aäron en zijn zonen aan als priesters. Zij en hun nakomelingen zullen mij als priester dienen, voor altijd.

Mozes moet een stier offeren

10Breng daarna de stier naar de ingang van de heilige tent. Laat Aäron en zijn zonen hun hand op de kop van de stier leggen. 11Daarna moet je de stier voor mij slachten bij de ingang van de tent. 12Smeer met je vinger wat bloed aan de hoeken van het altaar. En giet de rest van het bloed op de grond voor het altaar.

13Verbrand op het altaar het vet van de ingewanden, van de lever en van de nieren, en de nieren zelf. 14Het vlees van de stier, zijn huid en zijn darmen moet je verbranden buiten het tentenkamp. De stier is een offer waarmee de fouten van Aäron en zijn zonen goedgemaakt worden.

Mozes moet een ram offeren

15Haal daarna één van de twee rammen. Laat Aäron en zijn zonen hun hand op de kop van de ram leggen. 16Daarna moet je de ram slachten. Het bloed moet je langs de zijkanten van het altaar gieten. 17Snijd de ram in stukken. Was de ingewanden en de poten, en leg ze bij de stukken vlees en de kop.

18Verbrand alles op het altaar. Dat offer is een geschenk voor mij. Het is een geschenk met een heerlijke geur, dat ik graag aanneem.

Mozes moet nog een ram offeren

19Haal dan de andere ram. Laat Aäron en zijn zonen weer hun hand op de kop van de ram leggen. 20Daarna moet je de ram slachten. Smeer met je vinger wat bloed aan het rechteroor van Aäron, en aan het rechteroor van zijn zonen. Smeer ook wat bloed aan hun rechterduim en aan de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed moet je langs de zijkanten van het altaar gieten. 21Neem wat bloed van het altaar en wat olijfolie, en druppel dat op Aäron en op zijn kleren. Doe dat ook bij zijn zonen. Dan horen Aäron en zijn zonen bij God, en hun kleren ook.

22Pak dan de vette delen van de ram: de staart, het vet van de ingewanden, het vet van de lever en de nieren, de nieren zelf, en ook de rechterachterpoot. Deze tweede ram is een offer dat hoort bij de aanstelling van priesters. 23Neem dan drie broden uit de mand: een rond brood, een dik brood waar olijfolie in zit, en een dun brood.

24Leg dat alles op de handen van Aäron en zijn zonen. Zij moeten het voor het altaar omhooghouden om het aan mij aan te bieden. 25Daarna moet jij het weer terugnemen, en het op het altaar verbranden, boven op het vorige offer. Er zal een heerlijke geur opstijgen. Het is een geschenk voor mij, dat ik graag aanneem.

26Pak ook de borst van de ram en houd hem omhoog om hem aan mij aan te bieden. Daarna is dat vlees voor jou.

Regels voor priesters

27-28Ook moet het volgende gebeuren bij het offer bij de aanstelling van priesters. De borst en de rechterachterpoot van de ram moeten omhooggehouden worden om ze aan mij aan te bieden. Daarna moet dat vlees apart gehouden worden. Want het is voor Aäron en zijn zonen. Zo moet het voortaan ook gaan als de Israëlieten een offer brengen bij een feestmaal. Die stukken vlees moeten aan mij aangeboden worden, en daarna zijn ze voor de priesters.

29De speciale kleding van Aäron is later voor zijn nakomelingen. Die moeten zij dragen als ze als priester aangesteld worden. 30Eén van de zonen van Aäron zal hem opvolgen als hogepriester. Net als Aäron zal hij de heilige tent in gaan om mij te dienen. Als hij priester wordt, moet hij de kleding van Aäron zeven dagen achter elkaar dragen.

Het aanstellen van priesters duurt zeven dagen

31Er moeten dus twee rammen geofferd worden. Het vlees van de tweede ram moet gekookt worden op een heilige plaats. 32Daarna moeten Aäron en zijn zonen het opeten bij de ingang van de heilige tent. Ook het brood uit de mand moeten ze daar opeten. 33Andere mensen mogen niet van het vlees en het brood eten, alleen Aäron en zijn zonen. Want het is heilig voedsel. 34Als er de volgende dag nog iets van het vlees en het brood over is, moet dat verbrand worden. Het mag niet gegeten worden, want het is heilig.

35Mozes, je moet precies doen wat ik gezegd heb. Zo moet je Aäron en zijn zonen als priester aanstellen. Alles bij elkaar moet het zeven dagen duren. 36-37Elke dag moet je een stier offeren om de fouten van Aäron en zijn zonen goed te maken. Dan moet je wat bloed aan de hoeken van het altaar smeren en olie over het altaar gieten. Zo wordt het altaar heilig. Zeven dagen lang moet je dat doen. Daarna is het altaar heel heilig. Iedereen die het altaar aanraakt, wordt zelf ook heilig.

Dagelijkse offers

38Er moeten dagelijks offers aan mij gebracht worden op het altaar. Offer elke dag twee rammen van één jaar oud, 39één ram ’s ochtends en één aan het begin van de avond. 40-41Als je een ram offert, moet je ook altijd het volgende offeren: 2,5 kilo fijn meel, gemengd met 2 liter olijfolie, en 2 liter wijn. Het is een geschenk voor mij met een heerlijke geur, dat ik graag aanneem.

42-43Die offers moeten jullie mij elke dag brengen bij de ingang van de tent. Daar zal ik jullie ontmoeten, en daar zal ik met jou spreken, Mozes. Omdat ik zelf op die plek kom, zal het een heilige plek zijn. 44Ik zal de tent en het altaar heilig maken, en ook Aäron en zijn zonen. Dan kunnen ze mij als priester dienen.

45Ik zal bij de Israëlieten wonen en ik zal hun God zijn. 46Dan zullen ze begrijpen dat ik de Heer ben, dat ik hun God ben. Ze zullen begrijpen dat ik hen uit Egypte bevrijd heb, zodat ik bij hen kan wonen. Ik ben de Heer, hun God.’

30

Andere opdrachten voor de heilige tent

Het altaar voor de wierook

301De Heer zei tegen Mozes: ‘Je moet ook een altaar maken voor het branden van wierook. Je moet het maken van acaciahout. 2Het altaar moet vierkant zijn: 50 centimeter lang en 50 centimeter breed. Het moet 1 meter hoog zijn. Maak het altaar op de hoeken extra hoog. Het altaar en de hoeken moeten één geheel zijn. 3Je moet het altaar helemaal bedekken met een laagje goud. Dus ook de bovenkant, de zijkanten en de hoge hoeken.

Maak om het altaar een gouden rand. 4En maak onder de rand links en rechts een gouden ring. Door die ringen kun je de stokken steken om het altaar te dragen. 5De draagstokken moet je ook van acaciahout maken, en bedekken met een laagje goud.

6Zet het altaar voor het gordijn waarachter de heilige kist staat. Op die kist ligt het deksel met de engelen. Dat is de plaats waar ik je zal ontmoeten.

7Aäron moet op het altaar wierook branden, met een heerlijke geur. Dat moet hij elke ochtend doen, als hij de olielampen schoonmaakt. 8En ook in het begin van de avond, als hij de lampen aansteekt. Er moet elke dag wierook voor mij gebrand worden, ook door jullie nakomelingen. 9Er mag alleen speciale wierook gebrand worden. En er mag geen vlees, graan of wijn geofferd worden op dit altaar.

10Eén keer per jaar moet Aäron het altaar weer heilig maken. Dat moet hij doen als hij een offer brengt om de fouten van de Israëlieten goed te maken. Hij moet wat bloed van het offerdier aan de hoeken van het altaar smeren. Dat moet elk jaar opnieuw gedaan worden, ook in de toekomst. Dit altaar is heel heilig, het is van mij.’

Als het volk geteld wordt

11De Heer zei ook tegen Mozes: 12‘Als de Israëlieten geteld worden, zijn ze in levensgevaar. Daarom moeten ze dan iets aan mij geven om hun leven te redden. Anders zullen ze sterven.

13Dit is wat iedereen die geteld wordt, aan mij moet geven: een zilverstuk van 5 gram volgens het officiële gewicht. Het is een geschenk voor mij. 14Iedereen die geteld wordt, iedereen van twintig jaar en ouder, moet dat geven. 15Iemand die rijk is, hoeft niet meer dan 5 gram te betalen. En iemand die arm is, mag niet minder betalen. De prijs om je leven te redden, is voor iedereen hetzelfde: 5 gram zilver.

16Het zilver dat de Israëlieten geven, moet je gebruiken voor het werk in de heilige tent. Dan zal ik niet vergeten dat ik de Israëlieten in leven moet laten.’

De waterbak

17-19De Heer zei tegen Mozes: ‘Je moet een waterbak maken van brons. Ook het onderstel voor de bak moet van brons zijn. Doe water in de bak en zet hem tussen de heilige tent en het altaar.

Met het water uit die bak moeten Aäron en zijn zonen hun handen en voeten wassen. 20-21Dat moeten ze altijd doen voordat ze de tent in gaan. Ook als ze naar het altaar gaan om een offer aan mij te brengen, moeten ze hun handen en voeten wassen. Als ze dat niet doen, zullen ze sterven. Die regel geldt voor Aäron en zijn zonen, en ook voor hun nakomelingen.’

De heilige olie

22De Heer zei ook tegen Mozes: 23-25‘Je moet speciale olie maken, die gebruikt kan worden in de heilige tent. Meng daarvoor 15 kilo van de allerbeste geurige kruiden met 7,5 liter olijfolie. Maak daarvan een olie die heerlijk ruikt. Het moet een olie zijn zoals een vakman die maakt.

26Daarna moet je wat van die olie over de tent gieten, over de kist met de wet, 27over de tafel en de kandelaar en alle voorwerpen die daarbij horen, over het altaar voor de wierook, 28over het altaar voor de offers en alle voorwerpen die daarbij horen, over de waterbak en over het onderstel van de waterbak. 29Door overal olie over te gieten, laat je zien dat het allemaal voor mij bestemd is. Zo wordt alles heilig. Ook iedereen die deze heilige dingen aanraakt, wordt heilig. 30Je moet de olie ook over Aäron en zijn zonen gieten. Dat is het teken dat ze bij mij horen om mij als priester te dienen.

31Je moet tegen de Israëlieten zeggen: ‘Dit is heilige olie. Hij is alleen voor de Heer bestemd, ook in de toekomst. 32Niemand mag deze olie gebruiken om zijn lichaam te verzorgen. En niemand mag zulke olie maken om die voor gewone dingen te gebruiken. Het is heilige olie, die heilig moet blijven. 33Jullie mogen deze olie niet namaken of gebruiken voor iemand die geen priester is. Wie dat wel doet, mag niet meer bij het volk van Israël horen.’’

De wierook

34-35De Heer zei tegen Mozes: ‘Je moet speciale wierook maken, zoals een vakman die maakt. Daarvoor moet je allerlei geurige kruiden door gewone wierook mengen. Je moet van alle kruiden evenveel gebruiken. Je moet er ook zout doorheen doen. Zo maak je wierook die zuiver en heilig is.

36Maak een deel van die wierook fijn en leg dat in de heilige tent. Leg het voor de heilige kist, op de plaats waar ik je zal ontmoeten. Die wierook is heel heilig.

37De heilige wierook is alleen voor de Heer bestemd. Je mag zulke wierook niet voor jezelf maken, om voor gewone dingen te gebruiken. 38Iemand die toch zulke wierook maakt om voor zichzelf te gebruiken, mag niet meer bij het volk van Israël horen.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]