Bijbel in Gewone Taal (BGT)
29

De aanstelling van priesters

Mozes moet priesters aanstellen

291De Heer zei ook tegen Mozes: ‘Je moet Aäron en zijn zonen als priester aanstellen, zodat ze mij kunnen dienen. Daarvoor moet je het volgende doen.

Haal een stier en twee rammen. De dieren moeten gezond zijn en geen gebreken hebben. 2En bak brood van fijn meel, zonder gist te gebruiken. Bak dikke broden van deeg met olijfolie, en bak dunne broden waar je olie op smeert. 3Leg het brood in een mand en breng het naar de heilige tent. Ook de stier en de rammen moet je naar de tent brengen.

4Dan moeten Aäron en zijn zonen naar de ingang van de tent komen. Daar moet je hen schoonwassen met water. 5Daarna moet je Aäron de priesterkleren aantrekken: het hemd, de mantel en de schort met daarop de tas. Bind de schort vast met de band die erbij hoort. 6Zet de tulband op Aärons hoofd en maak het heilige gouden sieraad vast op de tulband. 7Neem dan wat olijfolie en giet dat op Aärons hoofd, als teken dat hij priester wordt.

8Laat daarna de zonen van Aäron bij je komen. Trek ze het priesterhemd aan 9en doe ze de riem om, net zoals je bij Aäron gedaan hebt. Zet ze ook de muts op.

Zo stel je Aäron en zijn zonen aan als priesters. Zij en hun nakomelingen zullen mij als priester dienen, voor altijd.

Mozes moet een stier offeren

10Breng daarna de stier naar de ingang van de heilige tent. Laat Aäron en zijn zonen hun hand op de kop van de stier leggen. 11Daarna moet je de stier voor mij slachten bij de ingang van de tent. 12Smeer met je vinger wat bloed aan de hoeken van het altaar. En giet de rest van het bloed op de grond voor het altaar.

13Verbrand op het altaar het vet van de ingewanden, van de lever en van de nieren, en de nieren zelf. 14Het vlees van de stier, zijn huid en zijn darmen moet je verbranden buiten het tentenkamp. De stier is een offer waarmee de fouten van Aäron en zijn zonen goedgemaakt worden.

Mozes moet een ram offeren

15Haal daarna één van de twee rammen. Laat Aäron en zijn zonen hun hand op de kop van de ram leggen. 16Daarna moet je de ram slachten. Het bloed moet je langs de zijkanten van het altaar gieten. 17Snijd de ram in stukken. Was de ingewanden en de poten, en leg ze bij de stukken vlees en de kop.

18Verbrand alles op het altaar. Dat offer is een geschenk voor mij. Het is een geschenk met een heerlijke geur, dat ik graag aanneem.

Mozes moet nog een ram offeren

19Haal dan de andere ram. Laat Aäron en zijn zonen weer hun hand op de kop van de ram leggen. 20Daarna moet je de ram slachten. Smeer met je vinger wat bloed aan het rechteroor van Aäron, en aan het rechteroor van zijn zonen. Smeer ook wat bloed aan hun rechterduim en aan de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed moet je langs de zijkanten van het altaar gieten. 21Neem wat bloed van het altaar en wat olijfolie, en druppel dat op Aäron en op zijn kleren. Doe dat ook bij zijn zonen. Dan horen Aäron en zijn zonen bij God, en hun kleren ook.

22Pak dan de vette delen van de ram: de staart, het vet van de ingewanden, het vet van de lever en de nieren, de nieren zelf, en ook de rechterachterpoot. Deze tweede ram is een offer dat hoort bij de aanstelling van priesters. 23Neem dan drie broden uit de mand: een rond brood, een dik brood waar olijfolie in zit, en een dun brood.

24Leg dat alles op de handen van Aäron en zijn zonen. Zij moeten het voor het altaar omhooghouden om het aan mij aan te bieden. 25Daarna moet jij het weer terugnemen, en het op het altaar verbranden, boven op het vorige offer. Er zal een heerlijke geur opstijgen. Het is een geschenk voor mij, dat ik graag aanneem.

26Pak ook de borst van de ram en houd hem omhoog om hem aan mij aan te bieden. Daarna is dat vlees voor jou.

Regels voor priesters

27-28Ook moet het volgende gebeuren bij het offer bij de aanstelling van priesters. De borst en de rechterachterpoot van de ram moeten omhooggehouden worden om ze aan mij aan te bieden. Daarna moet dat vlees apart gehouden worden. Want het is voor Aäron en zijn zonen. Zo moet het voortaan ook gaan als de Israëlieten een offer brengen bij een feestmaal. Die stukken vlees moeten aan mij aangeboden worden, en daarna zijn ze voor de priesters.

29De speciale kleding van Aäron is later voor zijn nakomelingen. Die moeten zij dragen als ze als priester aangesteld worden. 30Eén van de zonen van Aäron zal hem opvolgen als hogepriester. Net als Aäron zal hij de heilige tent in gaan om mij te dienen. Als hij priester wordt, moet hij de kleding van Aäron zeven dagen achter elkaar dragen.

Het aanstellen van priesters duurt zeven dagen

31Er moeten dus twee rammen geofferd worden. Het vlees van de tweede ram moet gekookt worden op een heilige plaats. 32Daarna moeten Aäron en zijn zonen het opeten bij de ingang van de heilige tent. Ook het brood uit de mand moeten ze daar opeten. 33Andere mensen mogen niet van het vlees en het brood eten, alleen Aäron en zijn zonen. Want het is heilig voedsel. 34Als er de volgende dag nog iets van het vlees en het brood over is, moet dat verbrand worden. Het mag niet gegeten worden, want het is heilig.

35Mozes, je moet precies doen wat ik gezegd heb. Zo moet je Aäron en zijn zonen als priester aanstellen. Alles bij elkaar moet het zeven dagen duren. 36-37Elke dag moet je een stier offeren om de fouten van Aäron en zijn zonen goed te maken. Dan moet je wat bloed aan de hoeken van het altaar smeren en olie over het altaar gieten. Zo wordt het altaar heilig. Zeven dagen lang moet je dat doen. Daarna is het altaar heel heilig. Iedereen die het altaar aanraakt, wordt zelf ook heilig.

Dagelijkse offers

38Er moeten dagelijks offers aan mij gebracht worden op het altaar. Offer elke dag twee rammen van één jaar oud, 39één ram ’s ochtends en één aan het begin van de avond. 40-41Als je een ram offert, moet je ook altijd het volgende offeren: 2,5 kilo fijn meel, gemengd met 2 liter olijfolie, en 2 liter wijn. Het is een geschenk voor mij met een heerlijke geur, dat ik graag aanneem.

42-43Die offers moeten jullie mij elke dag brengen bij de ingang van de tent. Daar zal ik jullie ontmoeten, en daar zal ik met jou spreken, Mozes. Omdat ik zelf op die plek kom, zal het een heilige plek zijn. 44Ik zal de tent en het altaar heilig maken, en ook Aäron en zijn zonen. Dan kunnen ze mij als priester dienen.

45Ik zal bij de Israëlieten wonen en ik zal hun God zijn. 46Dan zullen ze begrijpen dat ik de Heer ben, dat ik hun God ben. Ze zullen begrijpen dat ik hen uit Egypte bevrijd heb, zodat ik bij hen kan wonen. Ik ben de Heer, hun God.’