Bijbel in Gewone Taal (BGT)
26

De tent voor de Heer

261Je moet een tent laten maken waarin ik kan wonen. Laat daarvoor tien doeken weven van fijn linnen en van blauwe, paarse en rode wol. En laat een vakman er figuren in weven van engelen met vleugels. 2De doeken moeten precies even groot zijn: 14 meter lang en 2 meter breed. 3Maak er twee grote kleden van, allebei van vijf doeken.

4Maak aan één zijkant van beide grote kleden lussen van blauwe wol. 5Aan elk kleed moeten vijftig lussen komen, precies tegenover elkaar. 6Maak ten slotte vijftig gouden haken, en maak de kleden daarmee aan elkaar vast. Zo is de tent één geheel.

7Dan moet je nog een tent laten maken. Die komt over de eerste tent heen, en moet gemaakt worden van elf doeken van geitenwol. 8Ook die doeken moeten precies even groot zijn: 15 meter lang en 2 meter breed. 9Maak er twee grote kleden van, één van vijf doeken en één van zes doeken. De zesde doek moet je dubbelslaan. Dat dubbele stuk komt aan de voorkant van de tent. 10Maak aan de zijkant van elk kleed vijftig lussen. 11Maak ten slotte vijftig koperen haken. Die doe je in de lussen, zodat je de kleden aan elkaar vast kunt maken. Zo wordt ook die tent één geheel.

12-13Als je die tent over de eerste tent spant, blijft er in de lengte nog een stuk over. De helft daarvan moet aan de achterkant naar beneden hangen. Ook in de breedte blijft er een stuk over. Laat aan beide kanten van de tent 50 centimeter doek naar beneden hangen. Zo zijn de achterkant en de zijkanten van de tent bedekt.

14Maak ten slotte twee grote kleden om de tent af te dekken: één van rood leer en één van zwart leer.

De wanden van de tent

15De wanden van de tent moet je maken van planken van acaciahout. De planken moeten rechtop komen te staan. 16Elke plank moet 5 meter lang zijn en 75 centimeter breed. 17Elke plank moet aan de onderkant twee pinnen hebben. Die pinnen moeten bij elke plank op dezelfde plaats zitten.

18Voor de zuidkant van de tent moet je twintig planken maken. 19Onder die twintig planken moeten veertig zilveren voetstukken komen, telkens twee per plank, waar de pinnen van de planken in passen. 20Ook voor de noordkant van de tent moet je twintig planken maken, 21met veertig zilveren voetstukken, twee onder elke plank.

22De achterkant van de tent is aan de westkant. Voor die kant moet je zes planken maken, 23en voor de hoeken aan die kant twee extra planken. 24Die hoekplanken moeten precies gelijk zijn. Ze moeten goed op elkaar aansluiten, van onder tot boven. 25Aan de achterkant komen dus in totaal acht planken. En zestien zilveren voetstukken, twee onder elke plank.

26Maak ook dwarsbalken van acaciahout: vijf voor de ene zijkant, 27vijf voor de andere zijkant en vijf voor de achterkant. 28De middelste dwarsbalk moet alle planken van een wand met elkaar verbinden. Hij moet precies over het midden van een wand komen. 29Alle planken en dwarsbalken moeten bedekt worden met een laagje goud. De ringen waar je de dwarsbalken doorheen kunt steken, moeten helemaal van goud zijn.

30Je moet de tent precies zo maken als het voorbeeld dat ik je op de berg laat zien.

De gordijnen voor de tent

31Je moet een gordijn maken van blauwe, paarse en rode wol, en van fijn linnen. Laat een vakman er figuren van engelen in weven. 32-33Hang dat gordijn in de heilige ruimte. Hang het met gouden haken aan vier palen van acaciahout. Die palen moeten met een laagje goud bedekt zijn en op zilveren voetstukken staan. Het gordijn is de scheiding tussen de heilige ruimte en de allerheiligste ruimte. Zet in die ruimte, achter het gordijn, de heilige kist. 34Op de kist moet je het deksel met de engelen leggen. 35De tafel en de kandelaar moet je voor het gordijn zetten, tegenover elkaar: de kandelaar aan de zuidkant, de tafel aan de noordkant.

36Je moet ook een gordijn maken dat voor de ingang van de tent kan hangen. Het gordijn moet geweven worden van blauwe, paarse en rode wol, en van fijn linnen. En het moet versierd worden met mooie figuren. 37Hang dat gordijn op aan vijf palen van acaciahout die met een laagje goud bedekt zijn. Aan de palen moeten gouden haken zitten, en ze moeten op bronzen voetstukken staan.

27

Het altaar

271Je moet een altaar maken van acaciahout. Dat altaar moet vierkant zijn: 2,5 meter lang en 2,5 meter breed. Het moet 1,5 meter hoog zijn. 2Maak het altaar op de vier hoeken extra hoog. Het altaar en de hoeken moeten één geheel zijn en alles moet bedekt worden met een laagje brons. 3Maak ook potten waarin de as van het vuur gedaan kan worden. En maak scheppen, schalen, vorken en pannen, die gebruikt kunnen worden bij het offeren. Al die voorwerpen moeten van koper gemaakt worden.

4Maak om het altaar een hek van brons, met op elke hoek een ring. 5Zet het hek vast op de onderste rand van het altaar, zodat de bovenkant van het hek tot het midden van het altaar komt. 6Maak draagstokken van acaciahout, en bedek die met een laagje brons. 7Steek die draagstokken aan de zijkanten door de ringen van het hek. Dan kan het altaar gedragen worden.

8Het altaar moet van houten planken gemaakt worden. Van binnen moet het hol zijn. Maak het precies zoals ik het je op de berg laat zien.

Het plein rondom de tent

9Rondom de tent moet je een plein maken. Om het plein heen komen schermen die gemaakt zijn van fijn linnen.

Aan de zuidkant moeten schermen komen over een lengte van 50 meter. 10Maak twintig palen met bronzen voetstukken en zilveren stangen. Het scherm moet met zilveren haken aan de palen vastgemaakt worden.

11Maak ook aan de noordkant schermen over een lengte van 50 meter. Ook voor die schermen moeten er twintig palen komen met bronzen voetstukken, en zilveren stangen en haken.

12Aan de westkant, over de breedte van het plein, komt 25 meter scherm, met tien palen en tien voetstukken.

13Ook de oostkant van het plein moet 25 meter breed zijn. 14-16Daar moet de ingang komen, met aan beide kanten 7,5 meter scherm, drie palen en drie voetstukken. Hang voor de ingang een gordijn van 10 meter breed. Dat gordijn moet je maken van blauwe, paarse en rode wol, en van fijn linnen. En het moet versierd worden met mooie figuren. Bij dat gordijn horen vier palen en vier voetstukken.

17Alle palen rond het plein moeten op voetstukken van brons staan. Tussen de palen komen stangen van zilver, en alle haken moeten ook van zilver zijn. 18De lengte van het plein moet 50 meter zijn, de breedte 25 meter. De schermen moeten 2,5 meter hoog zijn. Alle schermen moeten van fijn linnen zijn, en alle voetstukken van brons. 19Ook al het gereedschap voor de tent en alle tentpinnen moeten van brons zijn.

Het licht in de tent

20De Israëlieten moeten zuivere olijfolie bij je brengen. Die olie is bestemd voor de olielampen in de tent. Want er moeten altijd lampen branden 21voor het gordijn dat voor de heilige kist hangt. Aäron en zijn zonen moeten ervoor zorgen dat er de hele nacht licht blijft branden voor mij. Ook in de toekomst moeten de Israëlieten en hun nakomelingen daarvoor zorgen.’

28

Kleding voor Aäron en zijn zonen

281De Heer zei ook tegen Mozes: ‘Laat je broer Aäron bij je komen, met zijn zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. Ik heb hen uit de Israëlieten uitgekozen om mij als priester te dienen.

2Je moet speciale kleding voor Aäron laten maken. Het moet mooie kleding zijn, kleding waardoor de mensen respect voor hem krijgen. 3Jij moet zelf aan de kleermakers opdracht geven om die kleding te maken. Ik heb ervoor gezorgd dat die kleermakers goed zijn in hun vak. Zij moeten de kleding voor Aäron maken. Dan kan hij als priester aangesteld worden om mij te dienen.

4Dit zijn de kleren die de kleermakers moeten maken: een schort, een tas die op de schort komt, een mantel, een versierd hemd, een tulband en een band om als riem te gebruiken. Niet alleen voor Aäron moeten ze speciale kleding maken, maar ook voor zijn zonen. Want ook zij zullen mij als priester dienen. 5Voor de kleding is nodig: gouddraad, blauwe, paarse en rode wol, en fijn linnen.

De schort

6De schort moet mooi geweven worden van gouddraad, blauwe, paarse en rode wol, en fijn linnen. 7Er moeten twee schouderstukken aan de schort komen die aan de achterkant aan elkaar vastzitten. 8De band om de schort vast te maken, moet één geheel zijn met de schort. Hij moet van hetzelfde materiaal zijn.

9Op de schort moeten twee edelstenen komen. Zet op die edelstenen de namen van de stammen van Israël. Dat zijn dus de namen van de twaalf zonen van Jakob. 10Zet zes namen op de ene steen en zes op de andere. Begin bij de oudste zoon en eindig bij de jongste. 11Het moet heel mooi gedaan worden, door een vakman die namen op ringen kan zetten. Zet daarna de stenen vast in goud.

12-14Die twee edelstenen moet je op de schouderstukken van de schort vastzetten. Maak twee kettinkjes van zuiver goud, gevlochten kettinkjes. Maak die kettinkjes vast aan het goud waar de edelstenen in zitten. Als Aäron bij mij komt met de namen van de stammen van Israël op zijn schouders, dan zal ik aan de Israëlieten denken.

De tas

15Je moet ook een tas maken die op de schort gedragen wordt. Die tas draagt de priester als hij mij om raad komt vragen. Maak de tas net zo mooi als de schort. Gebruik gouddraad, blauwe, paarse en rode wol, en fijn linnen. 16De stof van de tas moet je dubbelvouwen. De tas moet vierkant zijn: 25 centimeter lang en 25 centimeter breed.

17-20Op de tas moet je vier rijen edelstenen zetten, op elke rij drie stenen. Het moeten allemaal stenen van verschillende kleuren zijn. Elke steen moet in goud vastgezet worden. 21Het moeten twaalf stenen zijn, omdat Jakob twaalf zonen had. Op elke steen moet de naam van één van de twaalf stammen van Israël staan.

22Je moet kettinkjes voor de tas maken van zuiver goud, gevlochten kettinkjes. 23Maak ook twee gouden ringen. De ringen zet je aan de bovenste hoeken van de tas. 24De kettinkjes maak je aan de ene kant vast aan de ringen. 25Aan de andere kant maak je ze vast aan de gouden rand van de edelstenen op de schort.

26Maak dan nog twee gouden ringen, en zet die aan de onderste hoeken van de tas. Zet ze aan de binnenkant, aan de kant die tegen de schort aan hangt. 27Ook op de schouderstukken van de schort moet je twee gouden ringen zetten. Zet ze net boven de plek waar de schouderstukken aan de schort vastgemaakt zijn, boven de band van de schort. 28Haal dan een blauw koord door de ringen van de tas en de ringen van de schort. Bind de tas stevig vast op de schort, zodat hij er niet af kan schuiven.

29Die tas moet Aäron altijd dragen als hij de heilige tent in gaat. Dan draagt hij de edelstenen met de namen van de stammen van Israël op zijn hart. Daardoor zal ik steeds aan de Israëlieten denken. 30In de tas moet je twee steentjes doen. Die steentjes moet Aäron gebruiken als hij mij voor de Israëlieten om raad komt vragen. Aäron moet die steentjes altijd op zijn hart dragen als hij bij mij komt.

De mantel

31Onder de priesterschort komt een mantel van blauwe wol. 32In het midden van de mantel komt een opening voor de hals. Rond die opening moet een stevige rand geweven worden, zodat de stof niet kan scheuren.

33Onder aan de mantel moet je een versiering van appeltjes maken. Die appeltjes moet je maken van blauwe, paarse en rode wol. Tussen de appeltjes moeten gouden belletjes komen. 34Dus steeds om en om een appeltje en een belletje.

35Die mantel moet Aäron dragen als hij dienst heeft als priester. Als hij de heilige tent in komt en als hij weer weggaat, zal ik de belletjes horen. Daardoor zal hij niet sterven als hij bij mij komt.

De rest van de priesterkleding

36Maak een sieraad van goud waarop je deze woorden zet: ‘Ik dien de Heer’. Je moet die woorden in het sieraad schrijven, net zoals je iets in een zegelring schrijft. 37Maak het sieraad met een blauw koord vast aan de voorkant van de tulband. 38Het gouden sieraad moet altijd op Aärons voorhoofd zijn. Dan zal ik de Israëlieten vergeven als ze iets verkeerd doen bij het offeren. En dan zal ik hun offers toch aannemen.

39De tulband moet je maken van linnen. Je moet ook het hemd van linnen maken. En de band die als riem gebruikt wordt, moet je laten versieren met mooie figuren.

40Maak ook kleding voor de zonen van Aäron: hemden, riemen en hoge mutsen. Prachtige kleding moet het zijn, kleding waardoor de mensen respect voor hen krijgen. 41-43En maak ook nog linnen broeken voor Aäron en zijn zonen. Die moeten hun lichaam bedekken van hun heupen tot op hun bovenbenen. Ze moeten die broeken steeds dragen als ze de heilige tent in gaan of bij het altaar werken. Anders zullen ze sterven, want dan houden ze zich niet aan mijn regels.

Je broer Aäron en zijn zonen moeten al die kleren aantrekken. Daarna moet je hen aanstellen als priester. Als teken daarvan moet je olie over hun hoofd gieten. Dan horen ze bij mij, en dan kunnen ze mij als priester dienen.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]