Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

Er gebeurt nooit iets nieuws

11Hier volgen de woorden van Prediker, een wijze man. Hij was de zoon van David, en hij was koning in Jeruzalem.

Alles gaat voorbij

2‘Alles gaat voorbij,’ zegt Prediker. ‘Er is niets dat blijft. Het is allemaal zinloos.’

Er is niets dat blijft

3‘Wat heeft een mens aan al zijn bezit? Waarom zou hij zijn leven lang hard werken? 4Mensen worden geboren en mensen gaan dood. Alleen de aarde blijft altijd bestaan.

5De zon komt op en de zon gaat weer onder. En steeds gaat de zon terug naar de plaats waar hij weer op zal komen.

6De wind waait eerst naar het zuiden, en draait dan naar het noorden. De wind draait maar door. En steeds waait hij weer terug naar de plaats waar hij begonnen is.

7Alle rivieren stromen naar zee, maar de zee raakt nooit vol. Want het water gaat weer terug naar de plaats waar de rivier begint. En dan gaat het water opnieuw stromen.

Er gebeurt niets nieuws

8Doodmoe word je van alles. Er zijn geen woorden voor, zo moe! Je ogen blijven steeds maar dingen zien. Je oren blijven steeds geluiden horen.

9Alles wat er gisteren was, zal er morgen weer zijn. Alles wat eerder gedaan is, zal later weer gedaan worden. Er gebeurt niets nieuws in het leven. 10Soms zegt iemand: ‘Kijk, iets nieuws!’ Maar ook dat was er allang. Het is er altijd al geweest.

11Niemand denkt nog aan de mensen die vroeger leefden. En de mensen die na ons leven, zullen ook weer vergeten worden.’

Wijsheid maakt niet gelukkig

12‘Ik was koning van Israël,’ zegt Prediker, ‘en ik woonde in Jeruzalem. 13Ik had besloten om te onderzoeken wat wijsheid is. Ik wilde begrijpen wat er allemaal op aarde gebeurt. Maar wat is dat een treurige zaak! Mensen willen alles begrijpen. Dat is een zware taak, die God aan de mensen gegeven heeft!

14Ik heb gezien wat de mensen op aarde doen. Het is allemaal zo zinloos, je bereikt er niets mee. 15Recht is recht en krom is krom. Dat kun je niet veranderen. Iets is er, of het is er niet. Daar is niets aan te doen.

16Ik zei tegen mezelf: Ik heb veel geleerd. Ik ben wijzer geworden dan alle andere koningen die in Jeruzalem regeerden. 17Ik heb mijn uiterste best gedaan om te leren wat wijs is. En ook wat dom is en onverstandig. Maar ook daar bereik je niets mee. 18Want hoe wijzer je wordt, hoe meer verdriet je hebt. Hoe meer je begrijpt, hoe ongelukkiger je wordt.

2

Plezier maken is zinloos

21Ik zei tegen mezelf: Laat ik eens proberen om vrolijk te zijn en van het leven te genieten. Maar ook dat was zinloos. 2Ik heb gemerkt dat het dom is om plezier te maken. Je hebt er niets aan om vrolijk te zijn. 3Ik heb het geprobeerd. Ik heb veel wijn gedronken en ik ben dronken geworden. Maar ik bleef mijn verstand gebruiken. Ik wilde weten wat een mens het beste kan doen in zijn leven. Want een mens leeft maar kort.

Een mens heeft niets aan veel bezit

4Ik heb geweldige dingen gedaan. Ik heb huizen gebouwd en wijngaarden geplant. 5Ik heb tuinen en parken aangelegd, en daar heb ik fruitbomen in gezet. 6Ik heb vijvers gegraven om de jonge bomen water te kunnen geven. 7Ik heb slaven en slavinnen gekocht, en ook hun kinderen werden mijn slaven. Ik had veel koeien, schapen en geiten, meer dan iemand in Jeruzalem ooit gehad heeft. 8Ik heb zilver en goud verzameld. Ik kreeg grote schatten van koningen uit andere landen. Ik nam mensen in dienst om voor me te zingen. En ik heb plezier gemaakt met veel vrouwen. 9Zo ben ik machtiger en rijker geworden dan ooit iemand in Jeruzalem was. En toch ben ik een wijs mens gebleven.

10Ik gaf mezelf alles wat ik graag wilde hebben. Ik gaf toe aan alles waar ik naar verlangde. Ik wilde volop genieten van al mijn bezit. Het was de beloning voor mijn harde werken. 11Maar toen keek ik nog eens goed naar al dat bezit, naar alles waarvoor ik zo hard gewerkt had. En toen bedacht ik dat het allemaal onbelangrijk is. Je bereikt er niets mee. Je hebt er niets aan in het leven.

Het maakt niet uit of iemand wijs is

12Ik dacht nog eens goed na. Over wijsheid, maar ook over domheid en dwaasheid. Wat zal mijn opvolger doen? Wat zal hij doen met alles wat ik bereikt heb?

13Ik begrijp wel dat wijsheid beter is dan domheid. Net zoals het licht beter is dan het donker. 14Iemand die wijs is, heeft ogen in zijn hoofd. Iemand die dom is, leeft in het donker. Maar ik weet ook dat het met wijze en domme mensen op dezelfde manier afloopt.

15Ik dacht: Wat heeft het voor zin dat ik zo wijs geweest ben? Het loopt met mij net zo af als met iemand die dom is. Je hebt er niets aan om wijs te zijn. 16Want niemand denkt later nog aan je. Het maakt niet uit of je nu wijs was of dom. Je wordt voor altijd vergeten. Iemand die wijs is, gaat dood, net zoals iemand die dom is. Er is geen verschil.

Hard werken is zinloos

17Ik kreeg een hekel aan het leven. Alles wat mensen doen in hun leven, vond ik vervelend. Het is allemaal zo zinloos, je bereikt er niets mee.

18Ik kreeg een hekel aan alles waarvoor ik mijn leven lang zo hard gewerkt heb. Ik zal het allemaal moeten achterlaten voor mijn opvolger. 19En niemand weet of die opvolger wijs of dom zal zijn. Maar hij wordt wel de baas over mijn bezit. Hij krijgt alles wat ik in mijn leven door wijsheid en hard werken verdiend heb. Het is allemaal zo zinloos.

20Ik ging steeds meer twijfelen. Ik twijfelde aan alles waarvoor ik mijn leven lang hard gewerkt had. 21Een mens werkt hard, met wijsheid, met verstand en met kennis van zaken. Maar hij moet uiteindelijk alles achterlaten voor iemand die er niets voor gedaan heeft. Ook dat is allemaal zinloos. Het is een treurige zaak.

22Wat heb je aan al dat harde werken? Je hele leven lang ben je druk bezig. 23Zelfs ’s nachts heb je geen rust. Maar het leven brengt je alleen pijn en verdriet. Wat is dat allemaal zinloos!

Een mens bepaalt zijn leven niet zelf

24Je kunt maar het beste lekker eten en drinken, en genieten van al je bezit. Want ook dat zijn dingen die God aan de mensen geeft. 25Je kunt alleen eten en genieten als God dat mogelijk maakt. 26God geeft je wijsheid, kennis en vreugde als hij vindt dat je goed leeft. Maar als je niet goed leeft, krijg je het zwaar. God laat je dan werken voor een ander die wel goed leeft. Wat is dat allemaal zinloos! Je bereikt er niets mee.

3

Alles heeft zijn eigen tijd

31Er is voor alles in het leven een geschikte tijd.

2Er is een tijd om kinderen te krijgen,

en er is een tijd om te sterven.

Een tijd om planten in de grond te zetten,

en een tijd om planten uit de grond te trekken.

3Een tijd om mensen te doden,

en een tijd om mensen beter te maken.

Een tijd om dingen af te breken,

en een tijd om dingen op te bouwen.

4Een tijd om te huilen,

en een tijd om te lachen.

Een tijd om verdriet te hebben,

en een tijd om te dansen.

5Een tijd om samen te slapen,

en een tijd om in je eentje te slapen.

Een tijd om iemand te omhelzen,

en een tijd om afstand te houden.

6Een tijd om iets te zoeken,

en een tijd om iets te verliezen.

Een tijd om dingen te bewaren,

en een tijd om dingen weg te gooien.

7Een tijd om iets los te scheuren,

en een tijd om iets heel te maken.

Een tijd om stil te zijn,

en een tijd om te praten.

8Een tijd om lief te hebben,

en een tijd om te haten.

Er is een tijd voor oorlog,

en er is een tijd voor vrede.

Het heeft geen zin om hard te werken

9Een mens heeft er niets aan om steeds maar hard te werken. 10Hard werken is een zware taak, die God de mensen heeft opgelegd.

11God zorgt ervoor dat alles op de juiste tijd gebeurt. En hij heeft de mensen geleerd om dat te begrijpen. Toch begrijpt een mens nooit helemaal wat God doet. 12Daarom zeg ik: Je kunt maar het beste vrolijk zijn en van het leven genieten. 13Als je lekker eet en drinkt en geniet van al je bezit, dan is dat een geschenk van God.

14Alles wat God doet, dat blijft voor altijd. Dat heb ik vastgesteld. Je kunt er helemaal niets aan veranderen. Zo zorgt God ervoor dat de mensen eerbied voor hem hebben.

15Alles wat er is, was er allang. En wat nog komt, is er ook altijd al geweest. God laat steeds weer hetzelfde gebeuren.

Het leven is niet eerlijk

God spreekt recht over iedereen

16Ik heb nog meer gezien op aarde. Overal zag ik misdaad en onrecht. Er zijn geen eerlijke rechters meer. 17Ik dacht bij mezelf: God zal ooit rechtspreken over eerlijke mensen en over slechte mensen. Hij heeft de juiste tijd bepaald voor alles wat er gebeurt.

18Ik dacht bij mezelf: God wil dat de mensen anders zijn dan de dieren. Maar hij ziet dat ze als dieren met elkaar omgaan. 19Het gaat met de mensen net zoals met de dieren. Leven en dood zijn voor mensen en dieren hetzelfde. Mensen zijn niet meer waard dan dieren, want ook mensen leven maar kort. 20Mensen en dieren gaan op dezelfde manier dood. Ze zijn uit aarde gemaakt, en ze worden weer aarde. 21Gaat de laatste adem van de mensen misschien naar boven? En die van de dieren naar beneden? Dat weet niemand.

22Een mens kan maar het beste vrolijk zijn. Dat kan hem niet meer afgepakt worden. Als je dood bent, geniet je nergens meer van.