Bijbel in Gewone Taal (BGT)
22

Regels over goed gedrag

Zorg goed voor het dier van een ander

221Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Stel dat je een dier ziet dat verdwaald is, een koe, een schaap of een geit. Denk dan niet: Dat is niet mijn probleem. Breng het dier meteen terug naar de eigenaar.

2Maar stel dat de eigenaar ver weg woont, of je weet niet wie de eigenaar is. Dan moet je zelf voor het dier zorgen totdat de eigenaar het dier komt ophalen. En dan moet je het dier aan hem teruggeven.

3Alles wat je vindt, moet je aan de eigenaar teruggeven. Ook iemands ezel, of iemands kleren. Je mag nooit denken: Dat is niet mijn probleem. 4Ook niet als je iemands ezel of koe op straat ziet neervallen. Als zo’n beest in elkaar zakt door het zware gewicht op zijn rug, moet jij helpen. Help het dier om weer overeind te komen.

Mannenkleren en vrouwenkleren

5Een vrouw mag geen mannenkleren dragen. En een man mag geen vrouwenkleren dragen. De Heer vindt het afschuwelijk als mensen dat doen.

Als je een vogelnest vindt

6Stel dat je onderweg een vogelnest vindt, bijvoorbeeld in een boom of op de grond. En in het nest zit een vogel op haar jongen of op haar eieren. Dan mag je zo’n nest leeghalen. Maar de moeder moet je met rust laten. 7De jonge vogels mag je meenemen, maar de moeder moet je laten gaan. Als je dat doet, zal het goed met je gaan en zul je lang leven.

Zorg voor een hek op het dak

8Als je een huis bouwt, moet je altijd zorgen voor een hek op de rand van het dak. Want anders kan er iemand van het dak vallen en sterven. En dan ben jij daarvoor verantwoordelijk.

Dingen die niet bij elkaar mogen

9In je wijngaard mag je maar één druivensoort planten. Als je twee soorten plant, mag je de wijngaard niet langer gebruiken en de druiven die je oogst, niet opeten.

10Je mag een koe en een ezel niet samen een ploeg laten trekken.

11Je mag geen kleren dragen die gemaakt zijn van wol en linnen. Draag alleen kleren van één soort stof.

Maak kwastjes aan je jas

12Je moet vier kwastjes maken aan de vier punten van je jas.’

Regels over seks

Als een man zijn vrouw beschuldigt

13Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Het volgende kan gebeuren: Een man trouwt met een vrouw en gaat met haar naar bed. Maar daarna krijgt hij een hekel aan haar. 14Hij vertelt leugens over haar en zegt dat ze een slechte vrouw is. Hij zegt: ‘Ik ben met deze vrouw getrouwd. Maar toen ik met haar naar bed ging, ontdekte ik dat ze al eerder met iemand geslapen had.’

15Als een man zulke leugens vertelt over zijn vrouw, moeten haar ouders naar de leiders in de stadspoort gaan. Ze moeten de lakens van de huwelijksnacht meenemen. Zo kunnen ze bewijzen dat hun dochter nog maagd was. 16De vader moet tegen de leiders zeggen: ‘Ik heb mijn dochter met die man laten trouwen. Maar hij heeft een hekel aan haar gekregen. 17Nu zegt hij dat ze geen maagd meer was toen hij met haar trouwde. Maar deze lakens bewijzen dat hij liegt!’ Daarna moeten de ouders de lakens voor de leiders neerleggen.

18De leiders van de stad moeten de man dan streng straffen. 19De man moet aan de vader van het meisje een boete betalen van 100 zilverstukken. Want hij heeft ervoor gezorgd dat iedereen in Israël denkt dat ze een slechte vrouw is. Hij is verplicht om haar als vrouw te houden, en mag nooit meer van haar scheiden.

20Maar stel dat er geen bewijs is dat de vrouw nog maagd was. Dan heeft de man toch de waarheid gesproken. 21Dan moet de vrouw teruggebracht worden naar het huis van haar ouders. En daar moeten de inwoners van de stad haar met stenen doodgooien. Want zij heeft iets gedaan wat in Israël een schande is. Ze heeft met iemand geslapen, terwijl ze nog niet getrouwd was.

Zo moeten jullie het kwaad voorgoed uit Israël verwijderen.

Seks met de vrouw van een ander

22Als jullie ontdekken dat een man naar bed gaat met de vrouw van een ander, moeten de man en de vrouw allebei gedood worden.

Zo moeten jullie het kwaad voorgoed uit Israël verwijderen.

Seks met een meisje dat verloofd is

23Stel dat een man naar bed gaat met een meisje dat al met een ander verloofd is. Als dat in de stad gebeurt, 24dan moeten de man en het meisje allebei naar de stadspoort gebracht worden. Daar moeten ze met stenen doodgegooid worden. Het meisje moet gedood worden omdat zij niet om hulp geroepen heeft. En de man moet gedood worden omdat hij heeft geslapen met de verloofde van een ander. Zo moeten jullie het kwaad voorgoed uit Israël verwijderen.

25Maar stel dat het buiten de stad gebeurt, in het open veld. Een man grijpt een meisje vast en verkracht haar. Dan moet de man gedood worden. 26Zo’n misdaad is net zo erg als moord. Maar het meisje heeft niets verkeerds gedaan. En ze mag dus zeker niet de doodstraf krijgen! 27Want het gebeurde in het open veld. Niemand had haar kunnen horen als ze om hulp geroepen had.

Seks met een meisje dat niet verloofd is

28Stel dat een man naar bed gaat met een meisje dat nog niet verloofd is. En hij dwingt haar om met hem te slapen. 29Dan moet hij 50 zilverstukken betalen aan haar vader. En hij is verplicht om met haar te trouwen. Zolang hij leeft, mag hij niet van haar scheiden.

23

Trouw niet met een vrouw van je vader

231Een man mag niet trouwen met een vrouw van zijn vader. Want dat is een schande voor zijn vader.’

Andere regels

Wie niet bij het volk van de Heer horen

2Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Mannen bij wie de zaadballen beschadigd zijn, mogen niet bij het volk van de Heer horen. Dat geldt ook voor mannen bij wie de penis afgesneden is. 3Ook kinderen uit een verboden relatie mogen niet bij het volk van de Heer horen. Dat geldt ook voor hun nakomelingen, tot aan de tiende generatie.

4Ook de Ammonieten en Moabieten zullen nooit bij het volk van de Heer horen. 5Want zij gaven jullie geen eten en drinken toen jullie uit Egypte kwamen. En zij wilden dat Bileam, de zoon van Beor uit Aram-Naharaïm, een vloek over jullie zou uitspreken. 6Maar de Heer, jullie God, heeft toen niet naar Bileam geluisterd. Hij heeft van de vloek zelfs een zegen gemaakt! Dat deed hij omdat hij van jullie hield.

7Omdat de Ammonieten en Moabieten toen niet goed voor jullie waren, mogen jullie hen nooit helpen. Help hen niet om rijk of gelukkig te worden.

8Maar voor de Edomieten moeten jullie wel respect hebben, want zij zijn familie van jullie. En wees ook goed voor de Egyptenaren, want jullie hebben als vreemdelingen in hun land gewoond. 9De Edomieten en de Egyptenaren mogen nu nog niet bij het volk van de Heer horen, maar hun kleinkinderen en de volgende generaties wel.

Houd het legerkamp schoon

10Als jullie oorlog gaan voeren, moet het legerkamp schoon blijven. Ook mag er niemand in het kamp zijn die onrein is.

11Daarom moet een soldaat die ’s nachts een zaadlozing gehad heeft, het legerkamp verlaten. Hij moet de hele dag buiten het kamp blijven. 12Als het weer donker wordt, moet hij zich wassen. En pas als de zon helemaal onder is, mag hij weer in het kamp komen.

13Ook moet er buiten het legerkamp een plek zijn waar jullie je behoefte kunnen doen. 14Zorg dat je steeds een tentpin bij je hebt, waarmee je een gat in de grond kunt maken. Je moet boven dat gat op je hurken gaan zitten. En je moet het gat ook weer dichtmaken.

15Houd het kamp dus schoon. Het moet rein blijven, want de Heer, jullie God, is bij jullie. Hij helpt jullie om de vijanden te verslaan. Als hij merkt dat het kamp vies of onrein is, zal hij jullie in de steek laten.

Help slaven die gevlucht zijn

16Als een slaaf bij zijn meester weggelopen is en bij jullie komt, breng hem dan niet terug. 17Hij mag bij jullie blijven. En hij mag zelf kiezen in welke stad hij gaat wonen. Jullie mogen geen misbruik van hem maken.

Werk niet voor andere goden

18Geen enkele Israëliet mag bij de tempel van de Heer werken voor andere goden, vrouwen niet en mannen niet. 19En als er toch mensen zijn die daarmee geld verdienen, dan mogen ze dat niet aan de Heer geven. Ook al hebben ze dat aan hem beloofd. Want aan zulk geld heeft de Heer een grote hekel.

Vraag geen rente binnen je eigen volk

20Stel dat je geld leent aan een andere Israëliet, of voedsel of nog iets anders. Dan mag je geen rente vragen. 21Je mag wel rente vragen aan een vreemdeling, maar niet aan iemand van je eigen volk.

Als jullie je aan die regel houden, dan zal de Heer, jullie God, goed voor jullie zijn. Dan zal hij zorgen dat jullie rijk en gelukkig worden in het land dat jullie in bezit gaan nemen.

Doe wat je belooft

22Stel dat je belooft om iets te doen voor de Heer, je God. Dan moet je daar niet te lang mee wachten. Doe snel wat je beloofd hebt. Anders zal de Heer je straffen.

23Als je helemaal niets beloofd hebt, kun je ook niet gestraft worden. 24Maar als je wel iets beloofd hebt, moet je je daar ook aan houden. Want je hebt er helemaal zelf voor gekozen om het aan de Heer te beloven.

Als je over iemands land loopt

25Stel dat je door de wijngaard van iemand anders loopt. Dan mag je daar net zo veel druiven eten als je wilt. Maar je mag de druiven niet in een zak stoppen en meenemen.

26En als je door iemands korenveld loopt, mag je met je hand wat koren plukken. Maar je mag het koren niet gaan oogsten.

24

Regels bij een scheiding

241Het volgende kan gebeuren: Een man is met een vrouw getrouwd. Maar op een dag ontdekt hij iets slechts bij haar, waardoor hij niet meer van haar houdt. De man wil scheiden. Hij stuurt haar weg en geeft haar een scheidingsbrief mee. 2De vrouw gaat bij hem weg en trouwt met een andere man.

3Maar misschien krijgt die tweede man een hekel aan haar, en stuurt ook hij haar weg met een scheidingsbrief. Of stel dat die tweede man sterft. 4Dan mag haar eerste man niet opnieuw met haar trouwen. Want zij is voor hem onrein geworden. Als zoiets toch gebeurt, vindt de Heer, jullie God, dat afschuwelijk. Want zo wordt het land dat hij jullie zal geven, onrein.

Als een man net getrouwd is

5Stel dat een man nog maar kort met een vrouw getrouwd is. Dan hoeft hij niet het leger in om oorlog te voeren. Hij hoeft ook geen ander werk voor het leger te doen. Een jaar lang mag hij thuisblijven om zijn vrouw gelukkig te maken.

Als je geld leent aan iemand

6Stel dat je iemand geld geleend hebt. Dan mag je iets van hem meenemen als bewijs. Maar neem geen voorwerp mee dat die persoon nodig heeft om in leven te blijven.

Je mag niemand ontvoeren

7Stel dat jullie het volgende ontdekken: iemand ontvoert een andere Israëliet, en behandelt hem als slaaf. Dan moet de dader gedood worden. Zo moeten jullie het kwaad voorgoed uit Israël verwijderen.

Als je een huidziekte hebt

8Stel dat één van jullie een huidziekte heeft. Luister dan goed naar de priesters uit de stam Levi. Houd je precies aan de regels die ik hun gegeven heb. 9Vergeet niet hoe de Heer Mirjam strafte, tijdens jullie tocht uit Egypte.

Een voorwerp als bewijs

10Stel dat je geld of iets anders aan iemand leent. Dan mag je als bewijs daarvan een voorwerp van hem meenemen. Maar je mag zo’n voorwerp niet zelf uit zijn huis halen. 11Je moet buiten wachten tot hij zelf met het voorwerp naar buiten komt.

12En stel dat de man zo arm is dat hij als bewijs van de lening zijn jas aan je geeft. Dan mag je die niet ’s nachts als deken gebruiken. 13Voordat de zon ondergaat, moet je de jas weer terugbrengen. Dan kan de man daar zelf onder slapen. Hij zal je dan veel geluk toewensen, en de Heer zal vinden dat je iets goeds gedaan hebt.

Geef een arbeider meteen zijn loon

14Je mag een arbeider die arm is en weinig bezit, niet slecht behandelen. Het maakt niet uit of het een Israëliet is, of een vreemdeling die in één van jullie steden woont. 15Je moet hem betalen op de dag dat hij gewerkt heeft, voordat de zon ondergaat. Want hij is arm, en zonder geld kan hij niet leven.

Als je de man niet meteen betaalt, zal hij bij de Heer gaan klagen. En de Heer zal vinden dat je iets slechts gedaan hebt.

Beoordeel iemand op zijn eigen daden

16Ouders mogen niet gedood worden voor de misdaden van hun kinderen. En kinderen mogen niet gedood worden voor de misdaden van hun ouders. Iemand mag alleen gedood worden voor de misdaden die hij zelf gepleegd heeft.

Je mag niemand slecht behandelen

17Jullie moeten goed zijn voor vreemdelingen, en ook voor kinderen zonder vader. En als je iets geleend hebt aan een weduwe, mag je als bewijs van de lening geen kleren van haar meenemen. 18Vergeet niet dat jullie zelf slaaf geweest zijn in Egypte. En dat de Heer, jullie God, jullie bevrijd heeft. Daarom mogen jullie niemand slecht behandelen.

Als je de oogst binnenhaalt

19Als je graan oogst, laat je misschien een deel van het koren per ongeluk liggen. Dan mag je niet teruggaan om het op te halen. Je moet het laten liggen voor vreemdelingen, voor weduwen en voor kinderen zonder vader. Als jullie je aan die regel houden, zal de Heer ervoor zorgen dat het goed met jullie gaat.

20Als je olijven oogst, controleer dan niet of er nog olijven aan de bomen hangen. Alles wat overblijft, is voor vreemdelingen, voor weduwen en voor kinderen zonder vader.

21En als je druiven oogst, controleer dan niet of je alle druiven geplukt hebt. Alles wat overblijft, is voor vreemdelingen, voor weduwen en voor kinderen zonder vader.

22Vergeet niet dat jullie zelf slaaf geweest zijn in Egypte. Daarom wil ik dat jullie arme mensen goed behandelen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]