Bijbel in Gewone Taal (BGT)
7

De macht van Davids familie

David wil een huis bouwen voor de Heer

71David kon nu rustig in zijn paleis wonen, want hij had geen vijanden meer. Daar had de Heer voor gezorgd. 2Toen zei David tegen de profeet Natan: ‘Moet je zien! Ik woon in een paleis van cederhout, maar de heilige kist van God staat in een tent.’ 3En Natan antwoordde: ‘U kunt alles doen wat u wilt, want de Heer helpt u.’

4Maar die nacht sprak de Heer tegen Natan. 5Natan moest tegen David zeggen: ‘Dit zegt de Heer: ‘Wil jij voor mij een huis bouwen waarin ik kan wonen? 6Maar ik heb toch nooit in een huis gewoond? Vanaf het moment dat ik de Israëlieten uit Egypte heb bevrijd, heb ik in een tent gewoond. En dat doe ik nog steeds. 7Ik ben altijd met de Israëlieten meegereisd. En ik heb hun leiders nooit om een huis van cederhout gevraagd.’’

De Heer beschermt David en zijn volk

8Daarna moest Natan tegen David zeggen: ‘Dit zegt de machtige Heer: ‘Ik heb je weggehaald bij de schapen, omdat ik wil dat jij mijn volk leidt. 9Ik heb je altijd geholpen. Ik heb al je vijanden gedood. En ik heb je net zo beroemd gemaakt als de belangrijkste mensen op aarde.

10-11Ik heb mijn volk Israël een gebied gegeven waar ze kunnen wonen. Niemand hoeft meer bang te zijn. Toen mijn volk er pas woonde, heb ik rechters uitgekozen. Zij moesten de Israëlieten leiden. Dat was in de tijd dat de Israëlieten nog door slechte volken onderdrukt werden. Maar dat gebeurt nu niet meer, David. Want dankzij mij heb jij geen vijanden meer. Ik heb voor rust gezorgd.

Davids familie zal altijd regeren

Ik beloof dat er in jouw familie altijd iemand koning zal zijn. 12Ooit zal jouw leven voorbij zijn. En als jij gestorven bent, zal ik je zoon koning maken. 13Ik zal ervoor zorgen dat hij lang koning blijft. En hij zal voor mij een tempel bouwen.

14Ik zal voor hem een vader zijn, en hij zal voor mij een zoon zijn. Als een zoon iets verkeerds doet, dan straft zijn vader hem. Dus als jouw zoon iets verkeerds doet, zal ik hem straffen. 15Maar ik zal hem nooit verlaten. Saul heb ik wel verlaten, omdat ik wilde dat jij koning werd in zijn plaats. 16Maar jouw familie zal altijd machtig zijn. Want in jouw familie zal altijd iemand koning zijn.’’

David is verbaasd dat hij gekozen is

17Natan vertelde David alles wat hij van God gehoord had. 18Daarna ging David de tent van de Heer binnen om te bidden. Hij zei: ‘Heer, mijn God, waarom hebt u mij uitgekozen om koning te zijn? Ik ben helemaal niet belangrijk, en mijn familie is dat ook niet. 19En u hebt zelfs nog meer beloofd, Heer, mijn God. U hebt gezegd dat er altijd iemand uit mijn familie koning zal zijn. En wat u zegt, staat voor altijd vast.

God is machtig

20Wat kan ik verder nog tegen u zeggen? U kent mij, Heer, mijn God. Ik ben uw dienaar. 21U doet alles wat u wilt en wat u belooft. U doet geweldige dingen, en u maakt ze aan mij bekend. 22U bent machtig, Heer, mijn God. Er is niemand zoals u. Er bestaat geen andere god. Alles wat we over u gehoord hebben, is waar.

23-24En geen volk is zo bijzonder als uw volk Israël. Israël is het enige volk op aarde dat door u bevrijd is, toen u hen weghaalde uit Egypte. Iedereen kent u. U hebt geweldige wonderen gedaan voor uw volk. U hebt andere volken en hun goden weggejaagd. Israël is uw volk en u bent hun God, voor altijd.

David vraagt God om steun

25Heer, mijn God, doe wat u aan mij en mijn nakomelingen beloofd hebt. 26Dan zal iedereen u altijd kennen. En de mensen zullen zeggen: ‘De machtige Heer is de God van Israël.’ Als u doet wat u beloofd hebt, zal er in mijn familie altijd iemand koning zijn.

27Machtige Heer, God van Israël, ik durf nu tot u te bidden. Want u hebt tegen mij gezegd dat er in mijn familie altijd iemand koning zal zijn. 28Heer, mijn God, u alleen bent God. Dus wat u gezegd hebt, zal zeker gebeuren. 29Ik vraag u om mij en mijn familie altijd te steunen, zodat er altijd iemand uit onze familie koning zal zijn. Dat hebt u toch beloofd, Heer, mijn God?’

8

David krijgt steeds meer macht

David verslaat de Filistijnen en de Moabieten

81Korte tijd later vocht David met zijn leger tegen de Filistijnen. David versloeg hen en hij ging het land van de Filistijnen besturen. Vanaf toen moesten de Filistijnen doen wat David wilde.

2David versloeg ook de Moabieten. Zij moesten in een rij op de grond gaan liggen. Daarna telde David alle soldaten in de rij. Twee derde van hen liet hij doden, en de rest mocht blijven leven. Vanaf toen moesten de Moabieten doen wat David wilde. Ook moesten ze hem belasting betalen.

David verslaat Hadadezer en de Arameeërs

3Hadadezer, de zoon van Rechob, was koning van Soba. Hij wilde het gebied langs de Eufraat veroveren. Maar David versloeg het leger van Hadadezer. 4Hij nam veel soldaten gevangen: 20.000 gewone soldaten en 1700 soldaten die op wagens reden. En hij sneed de pezen door bij hun paarden, zodat ze niet meer konden lopen. Maar hij liet honderd paarden met rust.

5Toen kwamen de Arameeërs om Hadadezer te helpen. Maar David versloeg 22.000 van hun soldaten. 6Daarna veroverde hij de belangrijkste plaatsen in het gebied van de Arameeërs. Vanaf toen moesten de Arameeërs doen wat David wilde. Ook moesten ze hem belasting betalen. De Heer steunde David bij elk gevecht.

7De soldaten in het paleis van Hadadezer hadden gouden schilden. Die nam David mee naar Jeruzalem. 8Ook nam hij veel brons mee uit de steden Betach en Berotai.

David krijgt geschenken

9-10Toï was koning van de stad Hamat. Hij was een vijand van Hadadezer. Toen koning Toï hoorde dat David gewonnen had van Hadadezer, wilde hij David feliciteren. Hij stuurde zijn zoon Joram naar hem toe met geschenken van goud, zilver en koper.

11David gaf al die geschenken als offer aan de Heer. Dat deed hij ook met het goud en zilver van de andere volken die hij verslagen had. 12Dat waren de Arameeërs, de Moabieten, de Ammonieten, de Filistijnen, de Amalekieten en het volk van koning Hadadezer.

David verslaat de Edomieten

13Nadat David de Arameeërs verslagen had, ging hij naar het Zoutdal. Daar versloeg hij 18.000 Edomieten.

David werd steeds beroemder. 14In heel Edom veroverde hij belangrijke plaatsen. Vanaf toen moesten de Edomieten doen wat David wilde. De Heer steunde hem bij elk gevecht.

Davids belangrijkste ambtenaren

15David was koning van heel Israël. Hij sprak eerlijk recht, en hij behandelde zijn volk goed en rechtvaardig.

16Joab, de zoon van Seruja, was Davids belangrijkste legerleider. Josafat, de zoon van Achilud, was de secretaris van koning David. 17Sadok en Abjatar waren allebei priester. Sadok was een zoon van Achitub, en Abjatar was een zoon van Achimelech. Seraja was de schrijver van koning David. 18Benaja, de zoon van Jojada, had de leiding over de koninklijke lijfwacht. En de zonen van David waren priester.

9

David en Mefiboset

David is goed voor Sauls familie

91Op een dag vroeg David zich af: ‘Zou er nog iemand over zijn van de familie van Saul? Als dat zo is, dan zal ik die persoon goed behandelen. Want dat heb ik aan Jonatan, de zoon van Saul, beloofd.’

2David wist dat er een dienaar was die altijd voor de familie van Saul gewerkt had. Zijn naam was Siba. David liet hem bij zich komen en vroeg: ‘Ben jij Siba?’ ‘Ja, koning, dat ben ik,’ zei Siba. ‘Wat kan ik voor u doen?’ 3David vroeg: ‘Is er nog iemand over van de familie van Saul? Als dat zo is, dan zal ik die persoon goed behandelen. Ik zal hem behandelen zoals God het wil.’

Siba antwoordde: ‘Er is nog een zoon van Jonatan. Hij heet Mefiboset, en hij kan niet goed lopen.’ 4‘Waar is hij?’ vroeg David. Siba zei: ‘Hij woont in het huis van Machir, de zoon van Ammiël. Dat is in de stad Lo-Debar.’

David ontmoet Mefiboset

5David liet Mefiboset ophalen uit het huis van Machir in Lo-Debar. 6Mefiboset knielde en maakte een diepe buiging voor David. ‘Ben jij Mefiboset?’ vroeg David. ‘Ja, koning, dat ben ik,’ zei Mefiboset. ‘Wat kan ik voor u doen?’ 7David zei: ‘Je hoeft niet bang te zijn. Ik zal je goed behandelen. Want je vader Jonatan was mijn vriend. Ik zal je het land van je grootvader Saul teruggeven. En vanaf nu zul je altijd samen met mij eten.’

8Mefiboset maakte weer een diepe buiging. Hij zei: ‘Waarom bent u zo goed voor mij? Ik ben niet meer waard dan een dode hond.’

David is goed voor Mefiboset

9Toen riep David Siba bij zich, en zei tegen hem: ‘Alles wat van Saul en zijn familie was, geef ik aan zijn kleinzoon Mefiboset. 10-12Siba, jij moet samen met je zonen en je knechten op zijn land werken. En je moet hem helpen bij de oogst. De opbrengst is voor Mefiboset, zodat hij ervan kan leven. En Mefiboset zal vanaf nu samen met mij eten.’

Siba antwoordde: ‘Zoals u wilt, mijn koning. Zo zal het gebeuren.’ Vanaf dat moment werkte Siba met zijn vijftien zonen en twintig knechten voor Mefiboset.

Mefiboset en zijn zoontje Micha gingen bij het paleis van koning David wonen. Mefiboset werd behandeld alsof hij een zoon van de koning was. 13Hij woonde in Jeruzalem en ging altijd bij koning David eten. Mefiboset kon niet goed lopen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]