Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

Isboset wordt vermoord

Isboset is bang

41Isboset, de zoon van Saul, hoorde dat Abner vermoord was in Hebron. Hij werd bang. Ook alle inwoners van Israël waren bang geworden.

2-3Isboset had twee mannen in dienst, die Baäna en Rechab heetten. Ze gingen vaak met soldaten op pad om te stelen en te roven. Baäna en Rechab waren broers. Hun vader heette Rimmon. Hij kwam uit Beërot in het gebied Benjamin. De mensen die vroeger in Beërot woonden, zijn daaruit weggevlucht naar de plaats Gittaïm. Daar wonen ze nog steeds.

Jonatans zoon Mefiboset

4Er was nog iemand uit de familie van Saul. Dat was Mefiboset, de zoon van Jonatan. Mefiboset kon niet goed lopen. Want toen hij vijf jaar oud was, had hij een ongeluk gehad. Dat kwam zo: Zijn verzorgster had gehoord dat Saul en Jonatan in het gebied Jizreël gedood waren. Daarom wilde ze vluchten, en ze tilde Mefiboset op. Maar doordat ze haast had, liet ze hem vallen. Vanaf toen kon Mefiboset niet goed meer lopen.

Isboset wordt vermoord

5Op een dag gingen de broers Rechab en Baäna naar het huis van Isboset. Ze kwamen daar midden op de dag. Isboset lag te slapen. 6-7De broers deden alsof ze graan kwamen halen. Maar ze gingen de slaapkamer in waar Isboset lag te slapen, en staken een mes in zijn buik. Daarna hakten ze zijn hoofd af. Toen pakten ze het hoofd en renden weg.

De hele nacht liepen de broers door het dal van de Jordaan. 8Toen ze in Hebron aangekomen waren, brachten ze het hoofd van Isboset naar David. Ze zeiden tegen hem: ‘Koning, wij hebben hier het hoofd van Isboset, de zoon van Saul. Saul was uw vijand en hij wilde u doden. Daarom heeft God hem en zijn familie vandaag gestraft.’

David straft de twee mannen

9-11David zei tegen Rechab en Baäna: ‘In Siklag kwam een man mij vertellen dat hij Saul gedood had. Die man dacht dat hij met goed nieuws kwam en dat hij een beloning zou krijgen. Maar ik heb hem gestraft. Ik heb hem meteen laten doden. En nu hebben jullie een onschuldige man vermoord! In zijn eigen huis. In zijn eigen bed. Moordenaars zijn jullie! Ik zal jullie daarvoor straffen, ik zal jullie van de aarde laten verdwijnen. Dat is zo zeker als de Heer leeft, die mij steeds redde als ik in gevaar was!’

12David gaf zijn soldaten een teken, en Rechab en Baäna werden gedood. Hun handen en voeten werden afgehakt. En hun lichamen werden opgehangen bij de grote waterput van de stad Hebron.

Maar het hoofd van Isboset werd in het graf van Abner gelegd, in Hebron.

5

David wordt steeds machtiger

David wordt koning van Israël

51Alle stammen van Israël kwamen naar de stad Hebron. Ze zeiden tegen David: ‘Wij zijn Israëlieten, net als u. 2U bent al eens onze legerleider geweest. Dat was toen Saul nog koning was. En de Heer heeft aan u beloofd dat u weer onze leider zult worden. Hij heeft gezegd dat u koning van Israël zult zijn.’

3Toen kwamen ook de leiders van Israël naar Hebron. Bij de tempel in Hebron maakte David met hen de plechtige afspraak dat hij hun koning zou worden. En de leiders maakten David koning.

4David was dertig jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde veertig jaar. 5Vanuit Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda. En vanuit Jeruzalem regeerde hij 33 jaar over heel Israël en Juda.

David verovert een deel van Jeruzalem

6Op een dag ging David met zijn soldaten naar Jeruzalem. De Jebusieten woonden daar toen nog. Ze zeiden tegen David: ‘U en uw soldaten kunnen onze stad nooit binnenkomen. Zelfs mensen die niet kunnen zien of lopen, zullen u tegenhouden.’

7Toch lukte het David om een klein deel van de stad te veroveren, namelijk het gedeelte met de dikste muren. Dat wordt nu de Stad van David genoemd. 8En David zei tegen zijn soldaten: ‘Jullie kunnen de Jebusieten makkelijk verslaan. Kruip door de watertunnel de stad in. Ik heb niets te maken met mensen die niet kunnen lopen of zien!’ Daar komt het volgende spreekwoord vandaan: ‘Wie niet kan zien of lopen, die komt mijn huis niet in.’

David wordt steeds machtiger

9David ging in het deel van de stad wonen dat hij veroverd had. Hij noemde het de Stad van David. Vanaf daar liet hij een muur bouwen tot aan het fort Millo.

10David werd steeds machtiger, omdat de Heer, de machtige God, hem hielp. 11Op een dag kreeg David bezoek van de dienaren van Chiram. Chiram was de koning van Tyrus. Hij stuurde hout, en mensen die voor David konden werken. Zo kon David een paleis laten bouwen.

12De Heer maakte David heel machtig. Toen wist David dat de Heer hem als koning van Israël uitgekozen had.

David krijgt nog meer kinderen

13Toen David vanuit Hebron naar Jeruzalem verhuisd was, nam hij nog meer vrouwen. En hij kreeg nog meer zonen en dochters. 14De zonen die David in Jeruzalem kreeg, waren: Sammua, Sobab, Natan, Salomo, 15Jibchar, Elisua, Nefeg, Jafia, 16Elisama, Eljada en Elifelet.

David verslaat de Filistijnen

17De Filistijnen hoorden dat David de nieuwe koning van Israël was. Daarom stuurden ze al hun soldaten om David gevangen te nemen. Maar David hoorde dat. Hij ging naar het oude deel van Jeruzalem, omdat het daar veilig was.

18In het Refaïm-dal stonden overal Filistijnse soldaten. 19Toen vroeg David aan de Heer: ‘Zal ik de Filistijnen aanvallen? Zult u mij dan laten winnen?’ De Heer antwoordde: ‘Ja, val hen aan! Ik zal je zeker laten winnen.’ 20Toen viel David de Filistijnen aan, en hij won de strijd. Hij zei: ‘De Heer heeft mijn vijanden laten schrikken. Ze zijn plotseling weggevlucht.’ Hij noemde die plaats Baäl-Perasim.

21Toen de Filistijnen wegvluchtten, lieten ze hun godenbeelden achter. David en zijn soldaten namen de beelden mee.

David verslaat de Filistijnen opnieuw

22De Filistijnen wilden David nog een keer aanvallen. En weer stonden ze overal in het Refaïm-dal. 23Ook nu vroeg David aan de Heer wat hij moest doen. De Heer antwoordde: ‘Je moet de Filistijnen niet meteen aanvallen. Trek eerst om hen heen zonder dat ze het merken. Ga door tot je achter hen bent, tussen de bomen. 24En wacht daar totdat je boven in de bomen een geluid hoort. Dat geluid zal klinken als een leger dat steeds dichterbij komt. Als je dat hoort, moet je aanvallen. Want dan ben ik er om het Filistijnse leger te verslaan.’

25David deed precies wat de Heer tegen hem gezegd had. Hij vocht tegen de Filistijnen en jaagde hen terug naar hun eigen steden.

6

De heilige kist van de Heer

David haalt de heilige kist op

61David liet alle sterke mannen van Israël bij elkaar komen. Het waren er 30.000. 2Hij reisde met hen naar de plaats Baäla in Juda om de heilige kist van God op te halen. Dat was de troon van de machtige Heer, de troon met de twee engelen met vleugels.

3-4De heilige kist stond in het huis van Abinadab, dat op een heuvel lag. De kist werd opgehaald en op een nieuwe wagen gezet. Uzza en Achio, twee zonen van Abinadab, liepen met de wagen mee. Achio liep voorop.

De Heer doodt Uzza

5Onderweg maakten David en de Israëlieten muziek voor de Heer. Ze speelden op trommels, harpen en andere instrumenten.

6Toen kwamen ze bij het veld van Nachon, waar veel graan lag. De dieren die de wagen trokken, gleden plotseling uit. Uzza stak zijn hand uit, want hij wilde de heilige kist van God tegenhouden. 7Maar de Heer werd woedend en hij doodde Uzza meteen. Want Uzza had de heilige kist aangeraakt.

David is bang

8David werd kwaad omdat de Heer Uzza gedood had. David noemde die plaats Peres-Uzza. Die plaats heet nog steeds zo.

9-10Maar David werd ook bang voor de Heer. Want hij wist niet hoe hij de heilige kist veilig in het oude deel van Jeruzalem kon krijgen. Daarom bracht hij de kist niet naar Jeruzalem, maar naar het huis van Obed-Edom, een man uit de stad Gat.

David brengt de heilige kist naar Jeruzalem

11De heilige kist van de Heer bleef drie maanden in het huis van Obed-Edom. En de Heer maakte Obed-Edom en zijn hele familie gelukkig.

12Toen David dat hoorde, ging hij naar het huis van Obed-Edom om de heilige kist op te halen. Hij bracht de kist op een feestelijke manier naar het oude deel van Jeruzalem. 13De dragers van de kist bleven na zes stappen stilstaan. Toen offerde David een stier en een koe, 14en daarna begon hij wild te dansen bij de heilige kist van de Heer. Tijdens het dansen had David alleen een priesterhemd aan, verder niets.

De heilige kist komt aan in Jeruzalem

15-16Zo kwam de heilige kist van de Heer aan in het oude deel van Jeruzalem. Alle Israëlieten juichten, en ze speelden op trompetten. Op dat moment stond Davids vrouw Michal, de dochter van Saul, bij het raam. Ze zag David dansen en springen bij de heilige kist van de Heer. Toen had ze geen respect meer voor David.

17David had een tent laten maken voor de heilige kist van de Heer. De kist werd in de tent gezet, en David bracht allerlei offers aan de Heer. 18Daarna zegende hij het volk, namens de machtige Heer. 19Toen werden er broden en vruchten uitgedeeld aan alle Israëlieten. Iedereen kreeg te eten, alle mannen en vrouwen. Daarna gingen ze allemaal naar huis.

Michal is boos op David

20David ging naar huis om zijn familie te zien. Toen liep Michal, de dochter van Saul, naar hem toe. Ze zei boos: ‘Je hebt je vandaag niet gedragen als een koning! Je hebt je uitgekleed als een vieze vent. Al je slavinnen konden het zien!’

21Maar David antwoordde: ‘Dat deed ik voor de Heer. Hij vindt mij belangrijker dan jouw vader en zijn hele familie. Want de Heer heeft mij koning gemaakt van zijn volk Israël. Ik danste om de Heer te eren! 22En die slavinnen zullen altijd respect voor me hebben. Zelfs als ik me nog gekker zou gedragen, of als ik me zou schamen voor mezelf.’

23Michal heeft nooit kinderen gekregen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]