Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Abner kiest de kant van David

David wordt steeds machtiger

31De strijd tussen de families van David en Saul duurde lang. David kreeg steeds meer macht, en de familie van Saul kreeg steeds minder macht.

David krijgt in Hebron zes zonen

2In de tijd dat David in Hebron woonde, kreeg hij zes zonen.

De oudste zoon was Amnon. Zijn moeder was Achinoam uit Jizreël. 3De tweede zoon was Kileab. Zijn moeder was Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel. De derde zoon was Absalom. Zijn moeder was Maächa, de dochter van koning Talmai van Gesur. 4De vierde zoon was Adonia. Zijn moeder was Chaggit. De vijfde zoon was Sefatja. Zijn moeder was Abital. 5En de zesde zoon was Jitream. Zijn moeder was Egla.

Dat waren de zonen die David in Hebron kreeg.

Abner wordt kwaad op Isboset

6De strijd tussen de families van Saul en David ging verder. Binnen de familie van Saul werd Abner steeds machtiger.

7Saul had een vrouw gehad die Rispa heette. Rispa was een dochter van Ajja. Op een dag vroeg Isboset, de zoon van Saul, aan Abner: ‘Waarom ben je met een vrouw van mijn vader naar bed geweest?’

8Abner werd woedend. ‘Wat?’ riep hij. ‘Je doet alsof ik slecht ben en de kant van Juda kies! Maar ik heb altijd gedaan wat het beste was voor de familie van Saul. Ik heb ervoor gezorgd dat jouw familie en vrienden niet door David gepakt werden. En nu beschuldig je mij ervan dat ik met een vrouw van Saul naar bed geweest ben!

9-10Voortaan zal ik David helpen. God mag me straffen als ik dat niet doe! God heeft David beloofd dat hij geen koning meer zal kiezen uit de familie van Saul. In plaats daarvan zal hij David koning maken. David zal koning zijn van heel Israël en Juda, van noord tot zuid!’

11Isboset werd zo bang voor Abner, dat hij niets meer durfde te zeggen.

Abner gaat met David samenwerken

12Abner stuurde meteen dienaren naar David met de volgende boodschap: ‘Van wie is het land Israël eigenlijk? Ik zal ervoor zorgen dat het hele volk van Israël voor u kiest. Laten we afspreken om samen te werken.’ 13David antwoordde: ‘Dat is goed, op één voorwaarde: breng Michal, de dochter van Saul, voor me mee.’

14Toen stuurde David dienaren naar Isboset. Hij liet hen het volgende zeggen: ‘Geef me mijn vrouw Michal terug. Ik kreeg haar als bruid toen ik Saul de voorhuiden van honderd Filistijnen gaf.’ 15Toen liet Isboset Michal weghalen bij haar man Paltiël, de zoon van Laïs. 16Paltiël ging huilend met Michal mee tot aan het dorp Bachurim. Maar Abner stuurde hem terug naar huis.

Abner wil dat David koning wordt

17Abner ging met de leiders van Israël onderhandelen. Hij zei: ‘Eigenlijk hebben jullie altijd al David als koning gewild. 18Dit is jullie kans. Maak David koning. Want de Heer heeft gezegd dat hij de Israëlieten zal redden met de hulp van David. De Heer zal jullie redden van de Filistijnen en van alle andere vijanden.’

19-20Abner sprak ook met de leiders van de stam Benjamin. Daarna ging hij met twintig mannen naar David in Hebron. Hij zei tegen David: ‘De leiders van Israël en van de stam Benjamin willen dat u hun koning wordt.’

Joab doodt Abner

David maakte voor Abner en de mannen een maaltijd klaar. 21Tijdens de maaltijd vroeg Abner aan David: ‘Mag ik weggaan om alle Israëlieten bij u te brengen? Zij zullen dan een verdrag met u sluiten. En u zult koning zijn van het hele gebied, zoals u zelf wilde.’ En David liet Abner gaan, zonder verder iets te vragen.

22Toen Abner weg was, kwamen Joab en de dienaren van David terug. Ze waren weg geweest om te stelen en te roven. Ze hadden veel kostbare spullen meegebracht. 23Joab hoorde dat Abner bij koning David geweest was. Hij hoorde ook dat David Abner zomaar had laten gaan. 24Joab ging meteen naar David toe en vroeg: ‘Wat hebt u gedaan? Abner is bij u geweest en u hebt hem zomaar laten gaan? 25U kent hem toch? Hij is een bedrieger en een spion! Hij wil weten wat uw plannen zijn.’

26Toen ging Joab weg bij David. Hij stuurde dienaren achter Abner aan, zonder dat David daar iets van wist. Bij de put van Sira haalden de dienaren Abner in. Ze vroegen hem om terug te komen.

27Toen Abner terugkwam in de stad, deed Joab alsof hij hem persoonlijk wilde spreken. Hij nam Abner mee naar het gebouw bij de stadspoort. Daar stak hij hem in zijn buik. Zo stierf Abner, omdat hij Joabs broer Asaël gedood had.

David hoopt dat Joab gestraft wordt

28Toen David hoorde wat er gebeurd was, riep hij: ‘De Heer weet dat mijn familie en ik onschuldig zijn! Wij kunnen er niets aan doen dat Abner gedood is! 29Joab is schuldig. Daarom hoop ik dat hij en zijn familie gestraft worden. Ik hoop dat er in Joabs familie altijd iemand is met een ernstige ziekte. Of iemand die moeilijk loopt, honger lijdt of sterft door geweld.’

30Joab en Abisai hadden Abner vermoord, omdat hij hun broer Asaël gedood had.

David rouwt om Abner

31David zei tegen Joab en zijn dienaren: ‘Scheur je kleren en trek rouwkleren aan. Loop daarna huilend voor het lichaam van Abner uit.’ David zelf liep achter het lichaam van Abner aan.

32Abner werd in Hebron begraven. David huilde bij Abners graf, en ook de soldaten huilden. 33En David zong een lied voor Abner:

‘Abner, waarom ben je niet als held gestorven?

34Je was niet eens gevangengenomen.

Je wist niet wat er ging gebeuren,

ineens werd je gedood.’

David hoopt dat Joab gestraft wordt

Toen begon iedereen nog harder te huilen. 35De soldaten brachten David iets te eten. Het was nog midden op de dag. Maar David verklaarde plechtig: ‘God mag me straffen als ik iets eet voordat het donker is.’ 36Iedereen hoorde wat koning David zei, en iedereen vond dat goed. Ook alle andere dingen die hij deed, vonden ze goed. 37Nu wist iedereen dat Abner niet gedood was in opdracht van David.

38David zei tegen zijn soldaten: ‘Jullie moeten weten dat Israël vandaag een machtige legerleider kwijtgeraakt is. 39Ik ben nu wel de koning, maar ik ben nog niet zo machtig. Joab en Abisai zijn machtiger dan ik. Ik hoop dat de Heer hetzelfde met Joab doet als Joab met Abner gedaan heeft.’

4

Isboset wordt vermoord

Isboset is bang

41Isboset, de zoon van Saul, hoorde dat Abner vermoord was in Hebron. Hij werd bang. Ook alle inwoners van Israël waren bang geworden.

2-3Isboset had twee mannen in dienst, die Baäna en Rechab heetten. Ze gingen vaak met soldaten op pad om te stelen en te roven. Baäna en Rechab waren broers. Hun vader heette Rimmon. Hij kwam uit Beërot in het gebied Benjamin. De mensen die vroeger in Beërot woonden, zijn daaruit weggevlucht naar de plaats Gittaïm. Daar wonen ze nog steeds.

Jonatans zoon Mefiboset

4Er was nog iemand uit de familie van Saul. Dat was Mefiboset, de zoon van Jonatan. Mefiboset kon niet goed lopen. Want toen hij vijf jaar oud was, had hij een ongeluk gehad. Dat kwam zo: Zijn verzorgster had gehoord dat Saul en Jonatan in het gebied Jizreël gedood waren. Daarom wilde ze vluchten, en ze tilde Mefiboset op. Maar doordat ze haast had, liet ze hem vallen. Vanaf toen kon Mefiboset niet goed meer lopen.

Isboset wordt vermoord

5Op een dag gingen de broers Rechab en Baäna naar het huis van Isboset. Ze kwamen daar midden op de dag. Isboset lag te slapen. 6-7De broers deden alsof ze graan kwamen halen. Maar ze gingen de slaapkamer in waar Isboset lag te slapen, en staken een mes in zijn buik. Daarna hakten ze zijn hoofd af. Toen pakten ze het hoofd en renden weg.

De hele nacht liepen de broers door het dal van de Jordaan. 8Toen ze in Hebron aangekomen waren, brachten ze het hoofd van Isboset naar David. Ze zeiden tegen hem: ‘Koning, wij hebben hier het hoofd van Isboset, de zoon van Saul. Saul was uw vijand en hij wilde u doden. Daarom heeft God hem en zijn familie vandaag gestraft.’

David straft de twee mannen

9-11David zei tegen Rechab en Baäna: ‘In Siklag kwam een man mij vertellen dat hij Saul gedood had. Die man dacht dat hij met goed nieuws kwam en dat hij een beloning zou krijgen. Maar ik heb hem gestraft. Ik heb hem meteen laten doden. En nu hebben jullie een onschuldige man vermoord! In zijn eigen huis. In zijn eigen bed. Moordenaars zijn jullie! Ik zal jullie daarvoor straffen, ik zal jullie van de aarde laten verdwijnen. Dat is zo zeker als de Heer leeft, die mij steeds redde als ik in gevaar was!’

12David gaf zijn soldaten een teken, en Rechab en Baäna werden gedood. Hun handen en voeten werden afgehakt. En hun lichamen werden opgehangen bij de grote waterput van de stad Hebron.

Maar het hoofd van Isboset werd in het graf van Abner gelegd, in Hebron.

5

David wordt steeds machtiger

David wordt koning van Israël

51Alle stammen van Israël kwamen naar de stad Hebron. Ze zeiden tegen David: ‘Wij zijn Israëlieten, net als u. 2U bent al eens onze legerleider geweest. Dat was toen Saul nog koning was. En de Heer heeft aan u beloofd dat u weer onze leider zult worden. Hij heeft gezegd dat u koning van Israël zult zijn.’

3Toen kwamen ook de leiders van Israël naar Hebron. Bij de tempel in Hebron maakte David met hen de plechtige afspraak dat hij hun koning zou worden. En de leiders maakten David koning.

4David was dertig jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde veertig jaar. 5Vanuit Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda. En vanuit Jeruzalem regeerde hij 33 jaar over heel Israël en Juda.

David verovert een deel van Jeruzalem

6Op een dag ging David met zijn soldaten naar Jeruzalem. De Jebusieten woonden daar toen nog. Ze zeiden tegen David: ‘U en uw soldaten kunnen onze stad nooit binnenkomen. Zelfs mensen die niet kunnen zien of lopen, zullen u tegenhouden.’

7Toch lukte het David om een klein deel van de stad te veroveren, namelijk het gedeelte met de dikste muren. Dat wordt nu de Stad van David genoemd. 8En David zei tegen zijn soldaten: ‘Jullie kunnen de Jebusieten makkelijk verslaan. Kruip door de watertunnel de stad in. Ik heb niets te maken met mensen die niet kunnen lopen of zien!’ Daar komt het volgende spreekwoord vandaan: ‘Wie niet kan zien of lopen, die komt mijn huis niet in.’

David wordt steeds machtiger

9David ging in het deel van de stad wonen dat hij veroverd had. Hij noemde het de Stad van David. Vanaf daar liet hij een muur bouwen tot aan het fort Millo.

10David werd steeds machtiger, omdat de Heer, de machtige God, hem hielp. 11Op een dag kreeg David bezoek van de dienaren van Chiram. Chiram was de koning van Tyrus. Hij stuurde hout, en mensen die voor David konden werken. Zo kon David een paleis laten bouwen.

12De Heer maakte David heel machtig. Toen wist David dat de Heer hem als koning van Israël uitgekozen had.

David krijgt nog meer kinderen

13Toen David vanuit Hebron naar Jeruzalem verhuisd was, nam hij nog meer vrouwen. En hij kreeg nog meer zonen en dochters. 14De zonen die David in Jeruzalem kreeg, waren: Sammua, Sobab, Natan, Salomo, 15Jibchar, Elisua, Nefeg, Jafia, 16Elisama, Eljada en Elifelet.

David verslaat de Filistijnen

17De Filistijnen hoorden dat David de nieuwe koning van Israël was. Daarom stuurden ze al hun soldaten om David gevangen te nemen. Maar David hoorde dat. Hij ging naar het oude deel van Jeruzalem, omdat het daar veilig was.

18In het Refaïm-dal stonden overal Filistijnse soldaten. 19Toen vroeg David aan de Heer: ‘Zal ik de Filistijnen aanvallen? Zult u mij dan laten winnen?’ De Heer antwoordde: ‘Ja, val hen aan! Ik zal je zeker laten winnen.’ 20Toen viel David de Filistijnen aan, en hij won de strijd. Hij zei: ‘De Heer heeft mijn vijanden laten schrikken. Ze zijn plotseling weggevlucht.’ Hij noemde die plaats Baäl-Perasim.

21Toen de Filistijnen wegvluchtten, lieten ze hun godenbeelden achter. David en zijn soldaten namen de beelden mee.

David verslaat de Filistijnen opnieuw

22De Filistijnen wilden David nog een keer aanvallen. En weer stonden ze overal in het Refaïm-dal. 23Ook nu vroeg David aan de Heer wat hij moest doen. De Heer antwoordde: ‘Je moet de Filistijnen niet meteen aanvallen. Trek eerst om hen heen zonder dat ze het merken. Ga door tot je achter hen bent, tussen de bomen. 24En wacht daar totdat je boven in de bomen een geluid hoort. Dat geluid zal klinken als een leger dat steeds dichterbij komt. Als je dat hoort, moet je aanvallen. Want dan ben ik er om het Filistijnse leger te verslaan.’

25David deed precies wat de Heer tegen hem gezegd had. Hij vocht tegen de Filistijnen en jaagde hen terug naar hun eigen steden.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]