Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

De strijd tussen David en Abner

David gaat naar de stad Hebron

21Toen vroeg David aan de Heer: ‘Zal ik in Juda gaan wonen?’ ‘Dat is goed,’ zei de Heer. ‘In welke stad zal ik gaan wonen?’ vroeg David. En de Heer zei: ‘In Hebron.’

2David ging dus naar de stad Hebron. Hij nam zijn twee vrouwen mee. De ene heette Achinoam. Zij kwam uit de stad Jizreël. De andere heette Abigaïl. Zij was de vrouw geweest van Nabal uit de stad Karmel. 3Ook nam David al zijn dienaren en hun families mee. Ze gingen allemaal wonen in Hebron, en in dorpen daar in de buurt.

4-5Toen kwamen de leiders van Juda naar Hebron. Zij maakten David koning van Juda.

David bedankt de inwoners van Jabes

Vanuit Hebron stuurde David een bericht naar de inwoners van Jabes in het gebied Gilead. Want hij had gehoord dat zij Saul begraven hadden. David zei: ‘De Heer zal jullie gelukkig maken. Want jullie zijn trouw geweest aan jullie leider Saul, jullie hebben hem begraven. 6De Heer zal trouw aan jullie zijn, en hij zal goed voor jullie zijn. Ook ik zal goed voor jullie zijn. 7Want de inwoners van Juda hebben mij uitgekozen, ik zal hun koning zijn. Blijf dus dapper en houd moed, ook al is jullie leider Saul gestorven.’

Isboset wordt koning van Israël

8Abner, de zoon van Ner, was de belangrijkste leider van Sauls leger. Hij bracht Isboset, de zoon van Saul, naar de stad Machanaïm. 9Hij maakte Isboset daar koning van de gebieden Gilead, Aser, Jizreël, Efraïm en Benjamin. Dus van heel Israël. 10Isboset was toen veertig jaar oud. Hij regeerde twee jaar.

Maar David bleef koning van Juda. 11Vanuit Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda.

De strijd tussen Abner en Joab

12Abner ging met het leger van Isboset vanuit Machanaïm naar de stad Gibeon. 13Ook Joab, de zoon van Seruja, ging naar Gibeon, met het leger van David. Bij de vijver in Gibeon kwamen Abner en Joab elkaar tegen. Abner stond aan de ene kant van de vijver en Joab stond aan de andere kant. 14Abner zei tegen Joab: ‘Ik stel voor dat onze sterkste mannen tegen elkaar gaan vechten.’ ‘Dat is goed,’ zei Joab.

15De sterkste mannen van Isboset stapten naar voren. Zij hoorden allemaal bij de stam Benjamin. Ook de sterkste mannen van David stonden klaar. Er stonden twaalf soldaten van het leger van Isboset en twaalf van het leger van David. 16Iedereen pakte zijn tegenstander bij de haren vast, en stak hem met een zwaard in zijn buik. Zo doodden alle soldaten elkaar. De plaats waar dat gebeurde, wordt Chelkat-Hassurim genoemd.

17Meteen daarna werd er hard gevochten tussen de twee legers. Het leger van David won van het leger van Abner.

Abner doodt Asaël

18Bij het gevecht waren ook de broers van Joab aanwezig: Abisai en Asaël. Asaël kon ontzettend hard rennen. 19Hij ging achter Abner aan en bleef hem achtervolgen.

20Abner keek achterom en riep: ‘Ben jij het, Asaël?’ ‘Ja, ik ben het,’ zei Asaël. 21Toen riep Abner: ‘Laat me met rust! Je kunt beter een gewone soldaat achtervolgen en zijn kleding en wapens afpakken.’ Maar Asaël bleef Abner achtervolgen. 22Abner riep nog een keer: ‘Laat me met rust! Anders zal ik je moeten doden. En dat zal je broer Joab mij nooit vergeven.’

23Maar Asaël wilde Abner nog steeds niet met rust laten. Toen stak Abner een zwaard in Asaëls buik. Het zwaard ging zo diep, dat het uit zijn rug weer naar buiten kwam. Asaël viel op de grond en stierf. En iedereen die langs die plek kwam, stond daar stil.

Joab achtervolgt Abner niet langer

24Toen gingen Joab en Abisai achter Abner aan. Aan het eind van de middag kwamen ze bij de heuvel Amma, tegenover de plaats Giach. Je komt erlangs als je naar de woestijn van Gibeon gaat.

25De mannen van de stam Benjamin gingen allemaal achter Abner staan. Ze stonden boven op een heuvel. 26Abner riep naar Joab: ‘Moeten we elkaar dan blijven doden? Daar komt toch alleen maar ellende van? Wij horen bij hetzelfde volk als jullie. Zeg dus alsjeblieft tegen je soldaten dat ze ons met rust laten!’ 27Toen zei Joab: ‘Als jij vanmorgen niet had voorgesteld om te vechten, hadden wij jullie gewoon laten gaan. Dat is zo zeker als de Heer leeft!’

28Toen stopte het leger van Joab en David met het achtervolgen van het leger van Isboset en Abner. Want Joab had op de trompet geblazen. Dat betekende dat de strijd voorbij was.

David heeft de strijd gewonnen

29Abner en zijn leger liepen de hele nacht door het gebied van de Jordaan. Toen gingen ze naar de overkant van de rivier. Ze liepen verder langs de rotsen van Bitron, totdat ze in Machanaïm kwamen.

30Nadat Joab gestopt was met het achtervolgen van Abner, verzamelde hij zijn soldaten. Abners leger had twintig soldaten van David gedood. Eén van die dode soldaten was Asaël. 31Maar Davids leger had 360 soldaten van Abner gedood.

32Joab en zijn mannen namen het lichaam van Asaël mee naar de stad Betlehem. Daar legden ze hem in het graf van zijn vader. Daarna liepen ze de hele nacht door. Toen het ochtend werd, kwamen ze aan in Hebron.

3

Abner kiest de kant van David

David wordt steeds machtiger

31De strijd tussen de families van David en Saul duurde lang. David kreeg steeds meer macht, en de familie van Saul kreeg steeds minder macht.

David krijgt in Hebron zes zonen

2In de tijd dat David in Hebron woonde, kreeg hij zes zonen.

De oudste zoon was Amnon. Zijn moeder was Achinoam uit Jizreël. 3De tweede zoon was Kileab. Zijn moeder was Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel. De derde zoon was Absalom. Zijn moeder was Maächa, de dochter van koning Talmai van Gesur. 4De vierde zoon was Adonia. Zijn moeder was Chaggit. De vijfde zoon was Sefatja. Zijn moeder was Abital. 5En de zesde zoon was Jitream. Zijn moeder was Egla.

Dat waren de zonen die David in Hebron kreeg.

Abner wordt kwaad op Isboset

6De strijd tussen de families van Saul en David ging verder. Binnen de familie van Saul werd Abner steeds machtiger.

7Saul had een vrouw gehad die Rispa heette. Rispa was een dochter van Ajja. Op een dag vroeg Isboset, de zoon van Saul, aan Abner: ‘Waarom ben je met een vrouw van mijn vader naar bed geweest?’

8Abner werd woedend. ‘Wat?’ riep hij. ‘Je doet alsof ik slecht ben en de kant van Juda kies! Maar ik heb altijd gedaan wat het beste was voor de familie van Saul. Ik heb ervoor gezorgd dat jouw familie en vrienden niet door David gepakt werden. En nu beschuldig je mij ervan dat ik met een vrouw van Saul naar bed geweest ben!

9-10Voortaan zal ik David helpen. God mag me straffen als ik dat niet doe! God heeft David beloofd dat hij geen koning meer zal kiezen uit de familie van Saul. In plaats daarvan zal hij David koning maken. David zal koning zijn van heel Israël en Juda, van noord tot zuid!’

11Isboset werd zo bang voor Abner, dat hij niets meer durfde te zeggen.

Abner gaat met David samenwerken

12Abner stuurde meteen dienaren naar David met de volgende boodschap: ‘Van wie is het land Israël eigenlijk? Ik zal ervoor zorgen dat het hele volk van Israël voor u kiest. Laten we afspreken om samen te werken.’ 13David antwoordde: ‘Dat is goed, op één voorwaarde: breng Michal, de dochter van Saul, voor me mee.’

14Toen stuurde David dienaren naar Isboset. Hij liet hen het volgende zeggen: ‘Geef me mijn vrouw Michal terug. Ik kreeg haar als bruid toen ik Saul de voorhuiden van honderd Filistijnen gaf.’ 15Toen liet Isboset Michal weghalen bij haar man Paltiël, de zoon van Laïs. 16Paltiël ging huilend met Michal mee tot aan het dorp Bachurim. Maar Abner stuurde hem terug naar huis.

Abner wil dat David koning wordt

17Abner ging met de leiders van Israël onderhandelen. Hij zei: ‘Eigenlijk hebben jullie altijd al David als koning gewild. 18Dit is jullie kans. Maak David koning. Want de Heer heeft gezegd dat hij de Israëlieten zal redden met de hulp van David. De Heer zal jullie redden van de Filistijnen en van alle andere vijanden.’

19-20Abner sprak ook met de leiders van de stam Benjamin. Daarna ging hij met twintig mannen naar David in Hebron. Hij zei tegen David: ‘De leiders van Israël en van de stam Benjamin willen dat u hun koning wordt.’

Joab doodt Abner

David maakte voor Abner en de mannen een maaltijd klaar. 21Tijdens de maaltijd vroeg Abner aan David: ‘Mag ik weggaan om alle Israëlieten bij u te brengen? Zij zullen dan een verdrag met u sluiten. En u zult koning zijn van het hele gebied, zoals u zelf wilde.’ En David liet Abner gaan, zonder verder iets te vragen.

22Toen Abner weg was, kwamen Joab en de dienaren van David terug. Ze waren weg geweest om te stelen en te roven. Ze hadden veel kostbare spullen meegebracht. 23Joab hoorde dat Abner bij koning David geweest was. Hij hoorde ook dat David Abner zomaar had laten gaan. 24Joab ging meteen naar David toe en vroeg: ‘Wat hebt u gedaan? Abner is bij u geweest en u hebt hem zomaar laten gaan? 25U kent hem toch? Hij is een bedrieger en een spion! Hij wil weten wat uw plannen zijn.’

26Toen ging Joab weg bij David. Hij stuurde dienaren achter Abner aan, zonder dat David daar iets van wist. Bij de put van Sira haalden de dienaren Abner in. Ze vroegen hem om terug te komen.

27Toen Abner terugkwam in de stad, deed Joab alsof hij hem persoonlijk wilde spreken. Hij nam Abner mee naar het gebouw bij de stadspoort. Daar stak hij hem in zijn buik. Zo stierf Abner, omdat hij Joabs broer Asaël gedood had.

David hoopt dat Joab gestraft wordt

28Toen David hoorde wat er gebeurd was, riep hij: ‘De Heer weet dat mijn familie en ik onschuldig zijn! Wij kunnen er niets aan doen dat Abner gedood is! 29Joab is schuldig. Daarom hoop ik dat hij en zijn familie gestraft worden. Ik hoop dat er in Joabs familie altijd iemand is met een ernstige ziekte. Of iemand die moeilijk loopt, honger lijdt of sterft door geweld.’

30Joab en Abisai hadden Abner vermoord, omdat hij hun broer Asaël gedood had.

David rouwt om Abner

31David zei tegen Joab en zijn dienaren: ‘Scheur je kleren en trek rouwkleren aan. Loop daarna huilend voor het lichaam van Abner uit.’ David zelf liep achter het lichaam van Abner aan.

32Abner werd in Hebron begraven. David huilde bij Abners graf, en ook de soldaten huilden. 33En David zong een lied voor Abner:

‘Abner, waarom ben je niet als held gestorven?

34Je was niet eens gevangengenomen.

Je wist niet wat er ging gebeuren,

ineens werd je gedood.’

David hoopt dat Joab gestraft wordt

Toen begon iedereen nog harder te huilen. 35De soldaten brachten David iets te eten. Het was nog midden op de dag. Maar David verklaarde plechtig: ‘God mag me straffen als ik iets eet voordat het donker is.’ 36Iedereen hoorde wat koning David zei, en iedereen vond dat goed. Ook alle andere dingen die hij deed, vonden ze goed. 37Nu wist iedereen dat Abner niet gedood was in opdracht van David.

38David zei tegen zijn soldaten: ‘Jullie moeten weten dat Israël vandaag een machtige legerleider kwijtgeraakt is. 39Ik ben nu wel de koning, maar ik ben nog niet zo machtig. Joab en Abisai zijn machtiger dan ik. Ik hoop dat de Heer hetzelfde met Joab doet als Joab met Abner gedaan heeft.’

4

Isboset wordt vermoord

Isboset is bang

41Isboset, de zoon van Saul, hoorde dat Abner vermoord was in Hebron. Hij werd bang. Ook alle inwoners van Israël waren bang geworden.

2-3Isboset had twee mannen in dienst, die Baäna en Rechab heetten. Ze gingen vaak met soldaten op pad om te stelen en te roven. Baäna en Rechab waren broers. Hun vader heette Rimmon. Hij kwam uit Beërot in het gebied Benjamin. De mensen die vroeger in Beërot woonden, zijn daaruit weggevlucht naar de plaats Gittaïm. Daar wonen ze nog steeds.

Jonatans zoon Mefiboset

4Er was nog iemand uit de familie van Saul. Dat was Mefiboset, de zoon van Jonatan. Mefiboset kon niet goed lopen. Want toen hij vijf jaar oud was, had hij een ongeluk gehad. Dat kwam zo: Zijn verzorgster had gehoord dat Saul en Jonatan in het gebied Jizreël gedood waren. Daarom wilde ze vluchten, en ze tilde Mefiboset op. Maar doordat ze haast had, liet ze hem vallen. Vanaf toen kon Mefiboset niet goed meer lopen.

Isboset wordt vermoord

5Op een dag gingen de broers Rechab en Baäna naar het huis van Isboset. Ze kwamen daar midden op de dag. Isboset lag te slapen. 6-7De broers deden alsof ze graan kwamen halen. Maar ze gingen de slaapkamer in waar Isboset lag te slapen, en staken een mes in zijn buik. Daarna hakten ze zijn hoofd af. Toen pakten ze het hoofd en renden weg.

De hele nacht liepen de broers door het dal van de Jordaan. 8Toen ze in Hebron aangekomen waren, brachten ze het hoofd van Isboset naar David. Ze zeiden tegen hem: ‘Koning, wij hebben hier het hoofd van Isboset, de zoon van Saul. Saul was uw vijand en hij wilde u doden. Daarom heeft God hem en zijn familie vandaag gestraft.’

David straft de twee mannen

9-11David zei tegen Rechab en Baäna: ‘In Siklag kwam een man mij vertellen dat hij Saul gedood had. Die man dacht dat hij met goed nieuws kwam en dat hij een beloning zou krijgen. Maar ik heb hem gestraft. Ik heb hem meteen laten doden. En nu hebben jullie een onschuldige man vermoord! In zijn eigen huis. In zijn eigen bed. Moordenaars zijn jullie! Ik zal jullie daarvoor straffen, ik zal jullie van de aarde laten verdwijnen. Dat is zo zeker als de Heer leeft, die mij steeds redde als ik in gevaar was!’

12David gaf zijn soldaten een teken, en Rechab en Baäna werden gedood. Hun handen en voeten werden afgehakt. En hun lichamen werden opgehangen bij de grote waterput van de stad Hebron.

Maar het hoofd van Isboset werd in het graf van Abner gelegd, in Hebron.