Bijbel in Gewone Taal (BGT)
17

Achitofel doet een voorstel

171Achitofel zei tegen Absalom: ‘Ik stel het volgende voor. Ik kies 12.000 soldaten uit. Met hen ga ik vannacht achter koning David aan. 2Dan wacht ik totdat hij heel moe is en geen kracht meer heeft. Op dat moment zal ik hem plotseling aanvallen, zodat alle soldaten schrikken en wegvluchten. Dan zal ik de koning doden. 3Als dat gebeurd is, kom ik meteen met uw hele leger terug. En ik beloof dat niemand van uw soldaten gewond zal raken.’

4Absalom en alle leiders van Israël vonden het een goed voorstel. 5-6Maar Absalom wilde ook weten wat Chusai ervan vond. Hij riep hem bij zich en vroeg: ‘Wat vind jij van het voorstel van Achitofel? Moeten we doen wat hij zegt of niet?’

Chusai vindt het een slecht voorstel

7Chusai zei tegen Absalom: ‘Deze keer is het voorstel van Achitofel niet goed. 8Ik zal u uitleggen waarom. U kent uw vader en zijn soldaten. U weet dat het dappere mannen zijn. Maar ze zijn nu ook gevaarlijk. Ze zullen net zo hard vechten als een berin waarvan de jongen weggehaald zijn.

Uw vader heeft veel ervaring in de oorlog. Hij zal daarom niet bij het leger slapen. 9Hij zal zich ergens anders verstoppen. Misschien tussen de rotsen, of op een andere geheime plek. En dan kan hij ons met zijn leger aanvallen! Als dat gebeurt, zullen de mensen zeggen: ‘Het leger van Absalom is verslagen.’ 10En dan zal iedereen bang worden, zelfs de dapperste soldaten. Want alle Israëlieten weten dat uw vader een held is. En ze weten dat zijn soldaten heel moedig zijn.’

Chusai heeft een ander voorstel

11Daarna zei Chusai tegen Absalom: ‘Ik stel het volgende voor. Roep alle mannen van Israël bij elkaar, van het noorden tot het zuiden. Dat zijn net zo veel mannen als er zand is bij de zee. U moet zelf ook meegaan.

12We zullen David vinden! Ook als hij heel goed verstopt zit. Dan vallen we hem met z’n allen aan. We zullen ze allemaal doden, David en iedereen die bij hem is! 13Misschien vlucht David naar een stad. Maar dan zullen wij met alle Israëlieten de muren van die stad afbreken. En we zullen alles uit die stad weghalen, totdat er geen steen meer van over is!’

14Absalom en alle Israëlieten vonden het voorstel van Chusai beter dan het voorstel van Achitofel. Zo zorgde de Heer ervoor dat Absalom niet naar de goede raad van Achitofel luisterde. Want de Heer wilde dat Absalom gestraft zou worden.

David vlucht

Chusai stuurt David een bericht

15Chusai ging naar de priesters Sadok en Abjatar. Hij vertelde welk voorstel Achitofel gedaan had aan Absalom en aan de leiders van Israël. En hij vertelde ook welk voorstel hij zelf gedaan had.

16Daarna zei hij: ‘Stuur David zo snel mogelijk bericht dat hij vannacht de Jordaan moet oversteken. Anders zal hij samen met al zijn soldaten gedood worden.’

Jonatan en Achimaäs verstoppen zich

17Intussen waren Jonatan en Achimaäs naar de Rogel-bron gegaan, buiten de stad. Daar gaf een slavin hun het bericht van Chusai. Zij moesten het doorgeven aan David.

Jonatan en Achimaäs bleven buiten de stad, omdat ze door niemand gezien wilden worden. 18Maar er was toch iemand die hen zag. En die vertelde dat aan Absalom. Daarom gingen Jonatan en Achimaäs snel naar het dorp Bachurim. Daar kwamen ze bij een man die naast zijn huis een put had. Jonatan en Achimaäs verstopten zich in de put. 19De vrouw van de man legde een zak over de put en strooide er graan overheen. Zo zag je niet dat het een put was.

20Toen kwamen de dienaren van Absalom ook bij dat huis. Ze vroegen aan de vrouw: ‘Waar zijn Achimaäs en Jonatan?’ De vrouw zei: ‘Die zijn de rivier overgestoken.’

De mannen gingen zoeken, maar ze vonden Jonatan en Achimaäs niet. Toen gingen de mannen weer terug naar Jeruzalem.

Jonatan en Achimaäs gaan naar David

21Toen de mannen weg waren, klommen Jonatan en Achimaäs uit de put. Ze gingen naar David en zeiden tegen hem: ‘U moet snel zijn! Steek onmiddellijk de Jordaan over. Want Achitofel heeft een plan bedacht om u aan te vallen.’

22Meteen gingen David en zijn soldaten naar de overkant van de rivier. Toen het ochtend werd, was iedereen aan de overkant.

Achitofel pleegt zelfmoord

23Toen Achitofel merkte dat zijn raad niet opgevolgd werd, deed hij het volgende. Hij reed op zijn ezel terug naar zijn eigen stad. Toen hij thuisgekomen was, regelde hij zijn laatste zaken. Daarna hing hij zichzelf op.

Zo stierf Achitofel. Hij werd begraven in het graf van zijn vader.

Absalom maakt Amasa legerleider

24David kwam aan in Machanaïm. Absalom en het leger van Israël moesten toen nog de Jordaan oversteken.

25Absalom had Amasa legerleider gemaakt in plaats van Joab. De vader van Amasa was de Israëliet Jitra. De moeder van Amasa heette Abigal. Zij was een dochter van Nachas en een zus van Joabs moeder, die Seruja heette.

26Absalom en zijn soldaten maakten een kamp in het gebied Gilead.

David en zijn soldaten krijgen eten

27Intussen was David dus in Machanaïm aangekomen. Daar brachten Sobi, Machir en Barzillai hem eten. Sobi was een zoon van Nachas. Hij kwam uit Rabba, de hoofdstad van Ammon. Machir was een zoon van Ammiël. Hij kwam uit Lo-Debar. En Barzillai kwam uit Rogelim, in het gebied Gilead.

28-29Zij brachten voor David en zijn soldaten het volgende mee: verschillende soorten graan, meel, bonen, linzen, honing, boter, kaas, schapen en geiten. Ze brachten ook dekens mee, en schalen en borden. En ze zeiden: ‘We brengen dit mee voor u en uw soldaten. Want jullie zullen in de woestijn wel moe geworden zijn. En jullie zullen wel honger en dorst gekregen hebben.’

18

Absalom wordt gedood

David verdeelt zijn leger in groepen

181-2David telde zijn soldaten. Hij verdeelde het leger in drie groepen van duizend. Joab kreeg de leiding over de eerste groep. Abisai, de broer van Joab, kreeg de leiding over de tweede groep. En de Gatiet Ittai kreeg de leiding over de derde groep. David verdeelde de drie groepen in kleinere groepen van honderd, elke groep met zijn eigen legerleider.

David zei tegen de soldaten: ‘Ik zal zelf met jullie meevechten!’ 3Maar de soldaten zeiden: ‘Koning, doe dat alstublieft niet! Als wij vluchten, vinden onze vijanden dat niet erg. En als de helft van ons sterft, kan hun dat niets schelen. Maar u bent voor onze vijanden net zo veel waard als tienduizend soldaten. Daarom is het beter dat u hier blijft. Vanuit de stad kunt u ons ook helpen.’ 4David antwoordde: ‘Ik zal doen wat jullie het beste vinden.’

Toen ging David naar de stadspoort, waar zijn leger klaarstond. Alle soldaten stonden in groepen van honderd en in groepen van duizend. 5En David gaf Joab, Abisai en Ittai dit bevel: ‘Doe mijn zoon Absalom geen kwaad.’ Het hele leger had dat bevel van David gehoord.

Davids leger wint van de Israëlieten

6Toen ging het leger van David op weg. In de bossen van Efraïm begon het gevecht tegen het leger van Israël. 7Het leger van David versloeg het leger van Israël. Het was een zware strijd. 8In het hele gebied werd gevochten. Er werden die dag 20.000 soldaten gedood. Maar de meeste soldaten stierven doordat het bos zo gevaarlijk was.

Absalom blijft vastzitten in een boom

9Absalom zag in de verte plotseling een paar van Davids soldaten. Hij probeerde te vluchten en reed met zijn ezel onder een eik door. Maar Absalom bleef met zijn lange haar vastzitten in de takken. Hij bleef in de boom hangen, terwijl zijn ezel verder rende.

10Eén van de soldaten zag wat er met Absalom gebeurde. Hij ging naar Joab en zei: ‘Ik heb Absalom gezien! Hij hangt in een boom!’ 11‘Wat?’ riep Joab. ‘Heb je hem gezien? Waarom heb je hem dan niet meteen gedood? Dan had ik je 10 zilverstukken en een riem gegeven!’

12Maar de soldaat zei: ‘De koning heeft de legerleiders het bevel gegeven om Absalom geen kwaad te doen. Dat hebben alle soldaten gehoord. Daarom zal ik Absalom niet doden. Ook al zou u mij 1000 zilverstukken geven! 13En als ik hem wel zou doden, dan zou de koning dat te weten komen. Maar dan zou u zeggen dat u van niets wist. En dan zou ik de schuld krijgen!’

Joab en zijn knechten doden Absalom

14Toen zei Joab: ‘Ik ga niet op jou wachten, ik doe het zelf wel.’ En hij ging naar Absalom toe, die nog levend in de boom hing. Hij pakte drie speren en stak ze in Absaloms borst. 15Daarna kwamen er tien knechten van Joab om Absalom heen staan. Zij sloegen Absalom totdat hij dood was.

16Toen blies Joab op de trompet. Dat was het teken om te stoppen met de strijd tegen het leger van Israël. 17Daarna maakten de knechten Absalom los. Ze gooiden hem in een diepe kuil in het bos, en legden er een grote berg stenen op.

Intussen vluchtte het leger van Israël weg. Ze gingen allemaal terug naar huis.

De Steen van Absalom

18Toen Absalom nog leefde, was hij een keer naar het Koningsdal gegaan. Hij had daar een grote steen rechtop gezet. Hij zei toen: ‘Ik noem deze steen Absalom. Want ik heb geen zoon om mijn naam aan door te geven.’ Die steen wordt nog steeds de Steen van Absalom genoemd.

Achimaäs wil naar David

19Achimaäs, de zoon van Sadok, vroeg aan Joab: ‘Zal ik naar koning David gaan en hem het goede nieuws vertellen? Dan kan ik hem vertellen dat de Heer zijn vijanden verslagen heeft.’ 20Maar Joab antwoordde: ‘Je hebt helemaal geen goed nieuws vandaag! Een andere dag misschien wel, maar vandaag niet. Want Absalom, de zoon van de koning, is dood.’

21Toen zei Joab tegen een soldaat uit Nubië: ‘Ga naar de koning en vertel hem wat je gezien hebt.’ De soldaat maakte een buiging voor Joab en rende weg.

22Maar Achimaäs zei nog een keer: ‘Laat mij ook naar de koning gaan. Ook al breng ik slecht nieuws! Laat mij de Nubiër achterna rennen!’ Joab zei: ‘Waarom wil je dat toch? Je krijgt echt geen beloning voor dat nieuws!’ 23‘Toch wil ik naar de koning!’ riep Achimaäs. Toen zei Joab: ‘Ga dan maar.’ En Achimaäs rende weg en haalde de Nubiër in.

David verwacht goed nieuws

24Intussen zat David bij de stadspoort. Eén van de bewakers klom op de stadsmuur om te kijken wat er buiten de stad gebeurde. Toen zag hij dat er een man aan kwam rennen. De man was alleen. 25Hij kwam steeds dichterbij. De bewaker riep naar beneden en vertelde wat hij zag. Toen zei David: ‘Als de man alleen is, komt hij met goed nieuws.’

26Toen zag de bewaker nog iemand rennen en hij riep naar beneden: ‘Daar komt nog iemand aanrennen. Die man is ook alleen.’ David zei: ‘Ook die man komt met goed nieuws.’ 27Toen zei de bewaker: ‘Ik herken de eerste man aan zijn manier van lopen. Het is Achimaäs, de zoon van Sadok.’ David zei: ‘Die man kunnen we vertrouwen. Hij zal ons goed nieuws brengen.’

David krijgt slecht nieuws

28Achimaäs riep naar David: ‘Koning, alles is goed!’ Hij knielde voor David, maakte een diepe buiging en zei: ‘Dank de Heer, uw God! Want hij heeft uw vijanden verslagen!’ 29David vroeg: ‘Is alles goed met mijn zoon Absalom?’ Achimaäs antwoordde: ‘Toen Joab me wegstuurde, zag ik een grote groep mensen. Maar ik weet niet wat er aan de hand was.’

30Toen zei David: ‘Ga even aan de kant staan.’ Dat deed Achimaäs. 31Op dat moment kwam de soldaat uit Nubië binnen. Hij zei: ‘Mijn koning, ik breng u goed nieuws. Vandaag heeft de Heer uw tegenstanders verslagen.’ 32‘En is alles goed met mijn zoon Absalom?’ vroeg David. De soldaat zei: ‘Ik hoop dat het met al uw vijanden net zo slecht afloopt als met uw zoon.’

19

David huilt om Absalom

191David schrok zo erg dat zijn hele lichaam begon te trillen. Hij ging naar een kamer boven in het gebouw bij de stadspoort. Daar begon hij te huilen. En terwijl hij heen en weer liep, schreeuwde hij: ‘Mijn zoon Absalom, mijn zoon! Mijn zoon Absalom! Was ik maar dood in plaats van jij! Absalom, mijn zoon, mijn zoon!’

2Joab kreeg te horen dat David huilde en rouwde om zijn zoon Absalom. 3Toen ook Davids soldaten dat hoorden, veranderde hun blijdschap om de overwinning in verdriet. 4En ze gingen heel stil de stad binnen, zoals een leger dat gevlucht is en zich daarvoor schaamt.

Joab wil dat David stopt met huilen

5David hield zijn handen voor zijn gezicht en schreeuwde: ‘Mijn zoon Absalom! Absalom, mijn zoon, mijn zoon!’ 6Toen kwam Joab de kamer binnen. Hij zei tegen David: ‘Vandaag hebben wij u en uw familie gered van de dood. Maar u geeft al uw soldaten het gevoel dat ze zich moeten schamen! 7U bent vriendelijker voor uw vijanden dan voor de mensen die van u houden.

U laat vandaag zien dat uw legerleiders en soldaten voor u niet belangrijk zijn. Want ik weet zeker dat u liever Absalom levend terug had gezien dan ons. 8Kom, ga naar buiten! Zeg tegen uw soldaten dat u trots op hen bent. Anders blijft er vannacht niet één soldaat meer bij u. Dat is zo zeker als de Heer leeft! En dat zou het ergste zijn wat u in uw hele leven meegemaakt hebt.’

9Toen liep David naar buiten, en hij ging bij de poort zitten. Zodra de soldaten hoorden dat de koning daar zat, kwamen ze allemaal naar hem toe.

David gaat naar Jeruzalem

De Israëlieten willen David terug

Intussen waren de Israëlieten naar huis gevlucht. 10Daar begonnen ze met elkaar te overleggen. Ze zeiden: ‘Koning David heeft onze vijanden verslagen. Hij heeft ons gered van de Filistijnen. Maar hij moest het land uit vluchten voor Absalom, 11die wij koning gemaakt hadden. Maar Absalom is nu gestorven in de oorlog. Laten we daarom David weer koning maken!’

David wil dat de Judeeërs hem terughalen

12David kreeg te horen wat de Israëlieten gezegd hadden. Toen stuurde hij de priesters Sadok en Abjatar naar de leiders van Juda. Ze moesten het volgende zeggen: ‘Leiders van Juda, haal koning David terug naar Jeruzalem. Jullie moeten niet wachten totdat de Israëlieten dat doen. 13Waarom hebben jullie hem nog niet teruggehaald? Jullie horen toch bij dezelfde stam als hij?’

14En naar Amasa stuurde David het volgende bericht: ‘Wij zijn toch familie? Daarom zul jij voortaan mijn legerleider zijn in plaats van Joab! Als dat niet gebeurt, mag God me straffen.’

15Alle inwoners van Juda vonden dat David gelijk had. Daarom gingen ze hem en al zijn dienaren terughalen.

David komt bij de Jordaan

16David begon meteen aan zijn terugreis naar Jeruzalem. Toen hij bij de Jordaan kwam, zag hij de inwoners van Juda aan de overkant staan. Die waren naar de stad Gilgal gegaan om David de rivier over te brengen.

17Bij hen was ook de Benjaminiet Simi, de zoon van Gera uit Bachurim. Snel liep hij met de groep uit Juda naar David toe. 18Simi had duizend Benjaminieten bij zich. Eén van hen was Siba, de dienaar van Sauls familie. Siba had zijn vijftien zonen en twintig knechten meegenomen.

David vergeeft Simi

Alle inwoners van Juda renden de rivier in. David was toen nog niet eens begonnen met oversteken. 19Iedereen stak de rivier over om David en zijn familie naar de overkant te helpen. Want ze wilden allemaal een goede indruk maken op koning David. Ook Simi wilde dat. Hij knielde voor David, die aan de kant van de rivier stond. 20Hij zei: ‘Koning, ik heb iets heel ergs gedaan. Vergeef het mij, alstublieft! En vergeet alstublieft wat ik deed toen u wegging uit Jeruzalem. Ik smeek u, denk er niet meer aan! 21Ik weet dat ik iets slechts gedaan heb. Daarom ben ik vandaag als eerste van alle nakomelingen van Jozef naar u toe gekomen.’

22Toen zei Abisai, de zoon van Seruja: ‘Simi verdient het om te sterven! Want hij heeft de koning die door de Heer gekozen is, vervloekt!’ 23Maar David zei: ‘Abisai, waarom zeg je dat? Waarom kom je tegen mij in opstand? Vandaag wordt hier in Israël niemand gedood. Ook al ben jij het daar niet mee eens. Want vanaf vandaag ben ik hier weer de koning!’ 24En tegen Simi zei hij: ‘Ik beloof plechtig dat je niet zult sterven!’

Mefiboset vertelt wat er gebeurd is

25-26Ook Mefiboset, de kleinzoon van Saul, wilde David ontmoeten. Vanaf de dag dat David gevlucht was, had Mefiboset in Jeruzalem op hem gewacht. Al die tijd had hij niets aan zijn uiterlijk gedaan. Hij had zijn lichaam en zijn baard niet verzorgd. Ook had hij zijn kleren niet gewassen.

Toen Mefiboset bij David kwam, vroeg David: ‘Waarom ben je niet met me meegegaan?’ 27Mefiboset antwoordde: ‘Koning, ik wilde wel met u meegaan. Op mijn ezel natuurlijk, want ik kan niet lopen. Maar mijn dienaar Siba heeft me bedrogen. 28-29Hij heeft u leugens over mij verteld.

U bent zo goed als een engel van God. Want u had mij en mijn hele familie kunnen doden! Maar in plaats daarvan liet u mij aan uw tafel eten en mocht ik bij u wonen. Doe daarom wat u zelf het beste vindt. Want u hebt al heel veel voor mij gedaan.’

30Toen zei David: ‘Genoeg hierover. Jij en Siba moeten het stuk land van Saul maar verdelen.’ 31Maar Mefiboset zei: ‘Koning, van mij mag Siba alles hebben. Het belangrijkste vind ik dat u weer veilig thuis bent.’

David wil dat Barzillai meegaat

32Barzillai uit Gilead was ook bij de Jordaan. Hij was uit Rogelim gekomen om bij de Jordaan afscheid te nemen van David. 33Barzillai was oud, hij was tachtig jaar. En hij was heel rijk. Hij had David geholpen toen die in Machanaïm was.

34David zei: ‘Barzillai, ga met me mee naar de overkant van de Jordaan. Dan zal ik in Jeruzalem voor jou zorgen.’

Barzillai gaat niet mee

35-36Toen zei Barzillai: ‘Ik heb niet lang meer te leven, want ik ben al tachtig. Waarom zou ik dan met u meegaan naar Jeruzalem? Ik kan toch nergens meer van genieten! Ik proef niet meer wat ik eet of drink. Ik kan niet meer luisteren naar mooie muziek. En voor u zou ik alleen maar lastig zijn! 37Ik ben bovendien te zwak om de Jordaan over te steken. Dus waarom zou u mij belonen? 38Laat me toch teruggaan naar huis. Dan kan ik sterven in mijn eigen stad en begraven worden in het graf van mijn ouders. Koning, u kunt beter mijn zoon Kimham meenemen. Dan kunt u hem belonen in plaats van mij. Beloon hem zoals u zelf wilt.’

39David zei: ‘Goed, Kimham gaat met mij mee. Ik zal hem belonen zoals jij wilt. Want ik wil doen wat je me vraagt.’

40Toen begon het leger van David de Jordaan over te steken. David omhelsde Barzillai en nam afscheid van hem. Daarna stak ook David de Jordaan over. Barzillai ging terug naar huis. 41En David reisde verder naar de stad Gilgal, samen met Kimham.

De Israëlieten zijn jaloers

Bij het oversteken van de rivier had David hulp gekregen van alle inwoners van Juda en van de helft van de Israëlieten. 42De Israëlieten gingen naar David toe en zeiden: ‘Koning, de inwoners van Juda hebben u van ons afgepakt! Waarom hebben zij u en al uw mensen geholpen met oversteken?’

43Toen zeiden de inwoners van Juda: ‘Omdat de koning uit dezelfde stam komt als wij! Waarom zijn jullie zo boos? De koning behandelt ons echt niet beter dan jullie.’

44Maar de Israëlieten zeiden: ‘Wij zijn met veel meer mensen dan jullie. Dus wij hebben meer recht op koning David dan jullie. Waarom mochten wij hem niet helpen? Vinden jullie ons niet goed genoeg? Het was ons idee om de koning terug te halen!’ Maar de inwoners van Juda hadden betere argumenten dan de Israëlieten.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]