Bijbel in Gewone Taal (BGT)
14

Absalom mag weer thuiskomen

Joab stuurt een vrouw naar David

141David wilde Absalom gevangennemen. Joab, de zoon van Seruja, wist dat. 2Daarom liet hij een wijze vrouw uit Tekoa komen. Hij zei tegen haar: ‘Doe alsof je verdrietig bent. Trek rouwkleren aan en doe niets aan je uiterlijk. Doe alsof je al jaren verdriet hebt om je overleden man. 3Ga dan naar de koning. Ik zal je precies zeggen wat je hem moet vertellen.’

De vrouw vertelt dat ze in gevaar is

4De vrouw uit Tekoa ging naar koning David. Ze knielde en maakte een diepe buiging. Toen zei ze: ‘Koning, help mij alstublieft!’ 5David vroeg wat er was, en ze vertelde: ‘Koning, mijn man is gestorven. Ik ben dus weduwe. 6En eerst had ik nog twee zonen. Maar toen zij op het land aan het werk waren, kregen ze ruzie. Er was niemand om ze uit elkaar te halen. En toen sloeg mijn ene zoon mijn andere zoon dood.

7Ik heb dus nog maar één zoon. Maar de hele familie wil hem bij me weghalen. Ze zeggen dat ze hem zullen doden, omdat hij zijn broer gedood heeft. Maar dan heb ik helemaal geen zoon meer. Dan is er niemand die later voor het bezit van mijn familie kan zorgen. En dan kan er ook niemand meer voor mij zorgen.’

David belooft dat hij haar zal beschermen

8Toen zei David: ‘Ga maar naar huis. Ik zal zorgen dat het goed komt.’

9‘Maar koning!’ riep de vrouw. ‘Ik ben nog steeds bang. Want u zullen de mensen niets kwalijk nemen als mijn zoon blijft leven. Maar mij wel. Ze zullen mij daar de schuld van geven.’ 10Toen zei David: ‘Als iemand het niet eens is met mijn besluit, stuur hem dan naar mij. Dan zorg ik ervoor dat hij je niet meer lastigvalt.’

11De vrouw zei: ‘Wilt u dat plechtig beloven? Dan weet ik zeker dat er niets kan gebeuren. Dan weet ik zeker dat mijn zoon niet gedood zal worden.’ Toen zei David: ‘Zo zeker als de Heer leeft: ik zal ervoor zorgen dat je zoon met geen vinger aangeraakt wordt!’

De vrouw stelt een vraag aan David

12Toen zei de vrouw: ‘Koning, mag ik nog één vraag stellen?’ ‘Natuurlijk,’ zei David. 13De vrouw zei: ‘Waarom behandelt u het volk van God anders dan mij? Waarom mag uw eigen zoon niet bij u terugkomen? Want u bedoelde net toch dat het verkeerd is om je eigen familie als vijand te behandelen? 14Uw ene zoon is dood, die kunt u niet meer terughalen. Maar uw andere zoon is gevlucht. God zou er alles voor doen om een gevluchte zoon weer terug te halen!

15-16Ik ben bij u gekomen omdat de mensen mij bang gemaakt hebben. Ik dacht: Laat ik de koning om hulp vragen. Hij zal wel naar me luisteren. Misschien doet hij wat ik hem vraag. Hij zal ervoor zorgen dat mijn zoon en ik veilig zijn, en dat we niet weggestuurd worden uit Israël. 17Ik wist dat u me gerust zou stellen. Want u bent zo wijs als een engel van God, u neemt altijd de juiste beslissing. Ik hoop dat de Heer u zal steunen.’

David begrijpt dat Joab erachter zit

18Toen zei David: ‘Nu wil ik jou iets vragen. En ik wil dat je mij een eerlijk antwoord geeft.’ ‘Wat wilt u weten, koning?’ vroeg de vrouw.

19-20David zei: ‘Heeft Joab je gestuurd?’ De vrouw antwoordde: ‘Koning, zo zeker als u leeft: u hebt helemaal gelijk. U bent zo wijs als een engel van God, u begrijpt altijd alles. Ja, Joab heeft me gestuurd. Hij heeft precies gezegd wat ik u moest vertellen. Zodat u niet meer boos zou zijn op uw zoon Absalom.’

David laat Absalom terugkomen

21David liet Joab bij zich komen en zei: ‘Goed dan, Joab. Je kunt Absalom terughalen. Dat vind ik goed.’ 22Joab knielde en maakte een diepe buiging. Hij zei: ‘Koning, dank u wel. Nu weet ik dat u goed voor me bent. Want u wilt doen wat ik u vraag.’

23Joab ging dus naar de stad Gesur en haalde Absalom terug naar Jeruzalem. 24Maar David zei dat Absalom meteen naar zijn eigen huis moest gaan. Hij wilde niet dat Absalom bij hem kwam. Absalom ging dus terug naar zijn eigen huis en kreeg zijn vader niet te zien.

Absalom is een knappe man

25In heel Israël was er niemand zo knap als Absalom. Alles aan hem was volmaakt. 26Hij had heel lang haar. Elk jaar knipte hij het af en liet hij het wegen. Het haar woog dan ruim 2 kilo volgens het officiële gewicht.

27Absalom kreeg drie zonen en een dochter. Zijn dochter heette Tamar, en ze werd een mooie vrouw.

Absalom steekt Joabs akker in brand

28Toen Absalom twee jaar in Jeruzalem woonde, had hij David nog steeds niet gezien. 29Daarom wilde hij Joab naar David sturen. Absalom riep Joab bij zich. Maar Joab wilde niet komen. Ook niet toen Absalom het nog een keer vroeg.

30Toen zei Absalom tegen zijn dienaren: ‘Zien jullie de akker van Joab, naast die van mij? Die akker met koren? Ga erheen en steek het koren in brand.’ Zo gebeurde het. De dienaren staken de akker van Joab in brand.

Absalom mag bij David komen

31Toen ging Joab naar Absalom en vroeg: ‘Waarom hebben uw dienaren mijn akker in brand gestoken?’ 32Absalom antwoordde: ‘Ik had u gevraagd om bij mij te komen. Ik wilde u naar de koning sturen. Want ik wil weten waarom hij me naar Jeruzalem teruggehaald heeft. Ik wil nu de koning zien. Anders had ik beter in Gesur kunnen blijven. Als de koning vindt dat ik een fout gemaakt heb, dan moet hij me maar doden.’

33Joab ging naar koning David en vertelde hem wat Absalom gezegd had. Toen liet David Absalom bij zich komen. Absalom knielde en maakte een diepe buiging voor David. En David omhelsde Absalom.

15

Absalom wordt steeds machtiger

Absalom doet aardig tegen alle mensen

151Korte tijd later kocht Absalom een wagen met paarden. Ook nam hij vijftig mannen in dienst om hem te beschermen. 2En hij ging elke ochtend heel vroeg bij de stadspoort staan. Daar sprak hij alle mensen aan. Hij vroeg dan: ‘Komt u om een klacht in te dienen? Wilt u dat de koning rechtspreekt? Waar komt u vandaan?’

Als mensen dan zeiden dat ze uit Israël kwamen, 3zei Absalom: ‘De koning zal niet naar u luisteren. Ook al hebt u helemaal gelijk.’ 4En hij zei: ‘Ik zou de rechter van dit land moeten zijn! Ik zou iedereen die een klacht had, gelijk geven!’

5Soms wilden mensen een buiging maken voor Absalom. Maar dan strekte Absalom zijn armen uit en omhelsde hen. 6Dat deed hij bij iedereen die naar de koning ging met een klacht. Zo zorgde Absalom ervoor dat alle Israëlieten hem aardig vonden.

De groep rond Absalom wordt groter

7-8Vier jaar later vroeg Absalom aan David: ‘Mag ik alstublieft naar de stad Hebron gaan? Ik wil daar graag een offer brengen aan de Heer. Dat heb ik hem beloofd toen ik in Aram woonde, in het gebied Gesur. Toen heb ik gezegd: ‘Heer, als u mij terugbrengt naar Jeruzalem, zal ik u een offer brengen.’’

9David vond dat goed, en dus ging Absalom naar Hebron. 10Maar eerst stuurde Absalom knechten naar Israël. Zij moesten tegen iedereen zeggen: ‘Als jullie een trompet horen, roep dan: ‘Absalom is koning in Hebron!’’

11-12Absalom had tweehonderd mensen uit Jeruzalem uitgenodigd voor het offerfeest in Hebron. Al die mensen gingen met Absalom mee zonder te weten wat hij van plan was. Absalom had ook Achitofel gevraagd om mee te gaan. Achitofel was een raadgever van David, en hij kwam uit Gilo. De groep rond Absalom werd steeds groter, waardoor David steeds meer vijanden kreeg.

David vlucht voor Absalom

13David kreeg het bericht dat de Israëlieten de kant van Absalom gekozen hadden. 14Hij zei tegen de dienaren in zijn paleis: ‘Kom, we moeten vluchten! Anders zal Absalom ons te pakken krijgen. Als hij ons hier in Jeruzalem aanvalt, zullen er veel doden vallen. En we moeten snel zijn, anders haalt hij ons in!’ 15De dienaren zeiden: ‘Zoals u wilt, koning. We zullen doen wat u zegt.’

16-17Toen David wegging, liet hij tien van zijn vrouwen achter. Die moesten voor het paleis zorgen. De rest van zijn familie ging met David mee, samen met al zijn soldaten.

Net buiten de stad, in Bet-Hammerchak, liet David alle mensen stilstaan. 18Hij keek welke dienaren en soldaten met hem meegekomen waren. Dat waren niet alleen de mannen van de koninklijke lijfwacht, maar ook zeshonderd Gatieten. Zij hadden allemaal de kant van David gekozen.

David wil dat Ittai teruggaat

19David zei tegen Ittai, de leider van de Gatieten: ‘Waarom ben je met ons meegegaan? Je kunt beter teruggaan naar Jeruzalem en bij de nieuwe koning blijven. Want je bent een buitenlander, die gevlucht is uit zijn eigen stad. 20Je bent nog maar net in Jeruzalem. Dan kan ik je toch niet vragen om nu alweer weg te vluchten? Ik weet zelf niet eens waar ik heen kan! Ga terug en neem je mensen mee. Ik hoop dat de Heer goed voor je zal zijn.’

21Maar Ittai antwoordde: ‘Zo zeker als de Heer leeft, en zo zeker als u leeft: Ik zal met u meegaan, overal waar u heen gaat! Ook al wordt dat onze dood.’ 22‘Goed,’ zei David, ‘kom dan maar mee.’ Zo ging Ittai met David mee, samen met zijn hele familie en al zijn soldaten.

23En alle mensen stonden te huilen toen de groep van David voorbijkwam.

David stuurt de heilige kist terug

Daarna kwamen David en zijn soldaten bij de rivier de Kidron. Die staken ze over, en ze liepen naar de woestijn. 24In de woestijn zagen ze de priester Sadok. Hij en een paar Levieten droegen de heilige kist van God. Toen ze de groep van David zagen, zetten ze de kist neer. De priester Abjatar begon offers te brengen, totdat de hele groep voorbij was.

25Toen zei David tegen Sadok: ‘Breng de heilige kist van God terug naar Jeruzalem. Als de Heer goed voor me is, zal hij ervoor zorgen dat ik daar terugkom. En dan zal ik de heilige kist terugzien. 26En als de Heer niet langer wil dat ik koning ben, dan vind ik dat ook goed. Hij mag met me doen wat hij het beste vindt.’

27Daarna zei David tegen Sadok: ‘Jij en Abjatar kunnen dus het beste teruggaan naar Jeruzalem. Neem jullie zonen Achimaäs en Jonatan mee. 28Ikzelf zal in de woestijn blijven, bij de plek waar je de Jordaan kunt oversteken. Ik wacht daar tot ik een bericht van jullie krijg.’ 29Toen gingen Sadok en Abjatar weg. Ze brachten de heilige kist terug naar Jeruzalem, en bleven daar.

David is verdrietig

30Daarna ging David de Olijfberg op. Hij huilde, hij had zijn hoofd bedekt en hij liep op blote voeten. Ook iedereen die bij hem was, had zijn hoofd bedekt en huilde.

31Toen kreeg David het bericht dat Achitofel de kant van Absalom gekozen had. Daarom riep hij: ‘Heer, zorg er alstublieft voor dat Absalom niet luistert naar de raad van Achitofel!’

Chusai gaat naar Absalom

David stuurt Chusai naar Jeruzalem

32Toen kwam David op de plek waar mensen altijd bidden, boven op de berg. Daar zag hij de Arkiet Chusai. Chusai had zijn kleren gescheurd en zand over zijn hoofd gegooid. Dat had hij gedaan omdat hij verdrietig was.

33David zei tegen hem: ‘Je kunt beter niet met me meegaan. Dat is alleen maar lastig. 34Je kunt beter teruggaan naar Jeruzalem. Want dan kun je me helpen om de plannen van Achitofel te laten mislukken. Ga naar Absalom en zeg tegen hem: ‘Koning, ik was eerst een dienaar van uw vader David. Maar vanaf nu zal ik u dienen.’

In Jeruzalem kun je mij helpen, Chusai. 35Daar zijn ook de priesters Sadok en Abjatar. Alles wat je in het paleis hoort, moet je tegen hen zeggen. 36Zij hebben ook hun zonen bij zich, Achimaäs en Jonatan. Die kunnen alles wat jij hoort, aan mij vertellen.’

37Toen ging Chusai, de persoonlijke raadgever van David, naar Jeruzalem. Hij kwam daar precies op het moment dat Absalom de stad binnenging.

16

David komt Siba tegen

161David verliet de top van de berg. Al snel kwam hij Siba tegen, de dienaar van Mefiboset. Siba had van alles bij zich: tweehonderd broden, honderd rozijnenkoeken, honderd verse vruchten en een zak wijn. En hij had twee ezels meegenomen om al dat eten te dragen. 2‘Waarom heb je dat allemaal bij je?’ vroeg David. Siba antwoordde: ‘De ezels zijn voor u en uw familie. Daar kunt u op rijden. Het brood en de verse vruchten zijn voor uw soldaten. En de wijn is om te drinken. Iedereen die moe wordt in de woestijn, mag het hebben.’

3David vroeg: ‘En waar is Mefiboset, de kleinzoon van je vroegere meester Saul?’ Siba antwoordde: ‘Mefiboset is in Jeruzalem gebleven. Hij denkt dat de Israëlieten hem vandaag koning zullen maken, omdat hij de kleinzoon is van Saul.’

4Toen zei David tegen Siba: ‘Alle bezittingen van Mefiboset zijn voortaan van jou.’ En Siba zei: ‘Mijn dank is groot, koning, want u bent goed voor mij.’

David komt Simi tegen

5Toen kwam David in de buurt van het dorp Bachurim. Daar liep een man naar hem toe, die familie was van Saul. Hij heette Simi, en hij was een zoon van Gera. Hij liep te vloeken en te schreeuwen. 6En hij begon stenen te gooien naar David en zijn soldaten.

Simi was zelfs niet bang voor Davids dapperste legerleiders. 7Hij vloekte en schreeuwde tegen David: ‘Ga weg, vuile moordenaar! 8Door jou is Saul geen koning meer! Daarom straft de Heer jou, en maakt hij je zoon Absalom koning. Dat is je verdiende loon, moordenaar!’

David laat Simi schreeuwen

9Toen werd Abisai, de zoon van Seruja, kwaad. Hij zei tegen David: ‘Hoe durft die waardeloze vent u zo uit te schelden! Koning, zal ik naar hem toe gaan? Dan sla ik zijn kop eraf!’ 10Maar David zei tegen Abisai: ‘Jij hebt hier niets mee te maken! Laat de man met rust. Want misschien wil de Heer dat hij me uitscheldt.’

11En tegen de rest van de groep zei David: ‘Luister. Zelfs mijn eigen zoon wil me dood hebben. Dan verwacht ik niet dat deze man vriendelijk tegen me doet. Laat hem maar schelden, want de Heer wil het zo. 12Misschien krijgt de Heer medelijden met mij, en maakt hij me later gelukkig.’

13Toen reisde David weer verder, met al zijn volgelingen. Simi bleef meelopen, terwijl hij nog steeds vloekte en schreeuwde. En hij bleef gooien met stenen en zand.

14Toen David en zijn soldaten in Ajefim kwamen, rustten ze daar uit.

Chusai komt bij Absalom

15Intussen waren Absalom en al zijn volgelingen uit Israël in Jeruzalem aangekomen. Ook Achitofel was erbij.

16Toen kwam Chusai, de persoonlijke raadgever van David, bij Absalom. Hij riep naar hem: ‘Leve de koning! Leve de koning!’

17Absalom zei: ‘Jij bent toch een vriend van mijn vader? Moest je niet met hem meegaan?’ 18‘Nee,’ zei Chusai. ‘Ik kies voor de koning die uitgekozen is door de Heer. Ik kies voor de koning die uitgekozen is door het volk en het leger van Israël. Hem wil ik dienen. 19Trouwens, u bent toch de zoon van David? Wie moet ik anders dienen? Vroeger heb ik uw vader trouw gediend. Nu zal ik u trouw dienen.’

Absalom vraagt Achitofel om raad

20Toen zei Absalom tegen Achitofel: ‘Geef mij eens raad. Wat moet ik doen?’ 21Achitofel zei: ‘Uw vader heeft toch vrouwen achtergelaten om voor zijn paleis te zorgen? Ga met die vrouwen naar bed. Dan zien alle Israëlieten dat u uw vader vreselijk beledigt. En dan zullen uw volgelingen zich nog sterker voelen.’

22Zo gebeurde het. Op het platte dak van het paleis werd een tent neergezet voor Absalom. En daar ging Absalom naar bed met de vrouwen van zijn vader. Heel Israël kon het zien.

23De raad van Achitofel was in die tijd heel belangrijk. Niet alleen voor David, maar ook voor Absalom. De mensen vonden Achitofels woorden net zo belangrijk als woorden van God.