Bijbel in Gewone Taal (BGT)
12

God straft David

Een verhaal over twee mannen

121De Heer stuurde de profeet Natan naar David. Natan kwam bij David en vertelde hem een verhaal: ‘Er woonden eens twee mannen in dezelfde stad. De ene man was rijk en de andere man was arm. 2De rijke man had veel geiten, schapen en koeien. 3De arme man had maar één lammetje.

De arme man zorgde voor het lammetje zoals hij zorgde voor zijn kinderen. Het lammetje liep bij hem in huis rond. Het mocht eten van zijn bord en drinken uit zijn beker. En het sliep op zijn schoot. Want hij hield van het lammetje als van een dochter.

4Op een dag kreeg de rijke man bezoek. Hij wilde een maaltijd klaarmaken voor zijn gast. Maar hij wilde niet één van zijn eigen dieren slachten. Daarom pakte hij het lammetje van de arme man, en maakte daar een maaltijd van voor zijn gast.’

David is kwaad op de rijke man

5David werd kwaad op de rijke man, en zei tegen Natan: ‘Zo zeker als de Heer leeft: de man die dat gedaan heeft, moet gedood worden! 6En hij moet de arme man vier keer zo veel geld betalen als het lammetje gekost heeft. Want hij pakte dat lammetje af zonder medelijden te hebben met de arme man.’

David is net als de rijke man

7Toen zei Natan: ‘U bent net als die rijke man! Dit zegt de Heer, de God van Israël: ‘David, ik heb jou koning van Israël gemaakt. Ik heb jou gered van je vijand Saul. 8Alles wat van Saul was, heb ik aan jou gegeven. Ook zijn vrouwen mocht je hebben. Je mocht heersen over Israël en Juda. En als je dat te weinig vindt, kan ik je nog wel meer geven.

9Waarom heb je dan zoiets slechts gedaan? Je hebt je niet aan mijn wetten gehouden. Je hebt de vrouw van de Hethiet Uria afgepakt. En daarna heb je Uria laten doden in de strijd tegen de Ammonieten.

God zal David ongelukkig maken

10Er zullen voortaan in jouw familie altijd mensen gedood worden. Want jij had geen eerbied voor mij, en je hebt de vrouw van Uria afgepakt. 11-12Daarom zal je eigen familie jou ongelukkig maken. Ik zal je vrouwen weggeven aan een man uit je eigen familie. Jij hebt in het geheim met Batseba geslapen. Maar die man zal in het openbaar met jouw vrouwen naar bed gaan. Alle Israëlieten zullen het zien. Daar zal ik voor zorgen.’’

13Toen zei David tegen Natan: ‘Ik heb iets heel ergs gedaan.’ Natan zei: ‘De Heer vergeeft het u. U zult niet sterven. 14Maar u hebt de Heer beledigd. Daarom zal de zoon die u pas gekregen hebt, sterven.’

15Daarna ging Natan naar huis.

Het kind van David en Batseba sterft

De Heer liet het kind van David en Batseba ernstig ziek worden. 16David was voortdurend voor zijn zoon aan het bidden. Hij wilde niets eten of drinken, en ’s nachts sliep hij op de grond. 17Davids belangrijkste dienaren probeerden hem te laten opstaan en brachten hem eten. Maar David bleef liggen en at niets.

18Na zeven dagen stierf het kind. De dienaren durfden het niet tegen David te zeggen. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Toen zijn kind ernstig ziek was, wilde koning David al niet naar ons luisteren. Dan kunnen we nu toch niet zeggen dat zijn kind dood is? Misschien doet hij dan zichzelf iets ergs aan.’

David weet dat zijn zoon dood is

19David zag zijn dienaren met elkaar fluisteren. Hij begreep dat zijn kind gestorven was, en hij vroeg: ‘Is mijn zoon dood?’ ‘Ja, hij is gestorven,’ zeiden zijn dienaren.

20Toen stond David op van de grond. Hij nam een bad, smeerde zijn huid in met geurige olie en trok andere kleren aan. Daarna ging hij naar de heilige tent van de Heer om te bidden.

David wil weer eten

Toen David weer thuis was, vroeg hij om eten. 21Zijn dienaren brachten het en vroegen: ‘Waarom wilt u nu wel eten? Toen uw kind nog leefde, wilde u niets eten en moest u huilen. Maar nu uw kind gestorven is, staat u op en gaat u eten.’

22David antwoordde: ‘Toen mijn kind nog leefde, hoopte ik dat de Heer medelijden met me zou krijgen. Daarom wilde ik niets eten en huilde ik. Misschien zou de Heer mijn kind dan laten leven. 23Maar nu is mijn kind dood. Dus waarom zou ik dan niets eten? Daarmee krijg ik mijn zoon toch niet terug. Ooit zal ik naar hem toe gaan, maar hij zal niet bij mij terugkomen.’

Batseba en David krijgen nog een zoon

24David troostte zijn vrouw Batseba. Hij sliep met haar, en ze kreeg een zoon. David noemde hem Salomo. De Heer hield van het kind. 25Hij gaf de profeet Natan de opdracht om het kind Jedidja te noemen.

David kan Rabba veroveren

26Intussen was Joab bezig met een aanval op de Ammonieten. Hij stond klaar om de hoofdstad Rabba te veroveren. 27Toen stuurde hij David het volgende bericht: ‘Ik kan nu Rabba veroveren. De watertunnel heb ik al afgesloten. 28Kom dus hierheen met de rest van uw soldaten en verover de stad. Want als ik het zelf doe, krijg ik de eer. Terwijl u die eer verdient.’

David verovert alle steden in Ammon

29David verzamelde al zijn soldaten. Hij ging naar Rabba en veroverde de stad. 30Hij pakte de kroon die de koning van de Ammonieten op zijn hoofd had, en zette die op zijn eigen hoofd. De kroon woog meer dan 30 kilo, en was gemaakt van goud en edelstenen.

David nam veel kostbare spullen mee uit Rabba. 31Ook nam hij mensen mee uit die stad. Die moesten stukken steen uit de rotsen hakken, en ze moesten werken bij de steenovens. David nam ook mensen mee uit alle andere steden in Ammon. Daarna ging hij met zijn leger terug naar Jeruzalem.

13

Amnon verkracht Tamar

Amnon is verliefd op Tamar

131David had een heel mooie dochter die Tamar heette. Ze was een zus van Absalom en een halfzus van Amnon. Amnon werd verliefd op haar. 2Maar Tamar was nog maar een jong meisje. Daarom werd ze streng bewaakt. Amnon voelde zich ellendig omdat hij niet bij haar kon komen.

Amnon doet alsof hij ziek is

3Amnon had een vriend die voor alles een oplossing had. Hij heette Jonadab en hij was een zoon van Davids broer Sima. 4Jonadab zei: ‘Amnon, waarom kijk je de laatste tijd zo treurig? Vertel me wat er aan de hand is.’ Amnon antwoordde: ‘Ik ben verliefd op Tamar, de zus van mijn halfbroer Absalom.’

5Toen zei Jonadab: ‘Ga in je bed liggen en doe alsof je ziek bent. Als je vader dan bij je komt, moet je tegen hem zeggen: ‘Wilt u mijn halfzus Tamar laten komen om me eten te geven? Ik wil kunnen zien dat zij mijn eten klaarmaakt en het aan me geeft. Alleen dan zal ik het opeten.’’

6Amnon ging in zijn bed liggen en deed alsof hij ziek was. Toen kwam David bij hem en Amnon zei: ‘Kunt u mijn halfzus Tamar laten komen? Dan kan zij hier een paar koeken voor me bakken en die aan mij geven.’

Tamar komt bij Amnon

7Toen liet David Tamar uit het paleis komen. Hij zei tegen haar: ‘Ga naar het huis van je halfbroer Amnon en maak eten voor hem klaar.’

8Tamar ging naar het huis van Amnon. Ze maakte deeg en begon koeken te bakken. Amnon keek ernaar vanuit zijn bed. 9Toen Tamar klaar was, legde ze de koeken voor hem op een bord. Maar Amnon wilde niet eten. Hij zei dat iedereen de kamer uit moest gaan.

10Toen iedereen weg was, zei Amnon tegen Tamar: ‘Breng mij nu het eten, hier bij mijn bed. Als jij het me geeft, eet ik het op.’ Tamar liep met de koeken naar het bed van haar broer. 11Maar toen ze hem het eten wilde geven, greep hij haar vast. Hij zei: ‘Kom, zusje, kom bij me liggen.’

12Maar Tamar zei: ‘Nee, Amnon, raak me niet aan! Zoiets verschrikkelijks mag je niet doen! Doe het niet, alsjeblieft. 13Anders heb ik geen toekomst meer. En jij ook niet, want iedereen in Israël zal slecht over je denken. Praat toch eerst met de koning. Die geeft je vast wel toestemming om met mij te trouwen.’

14Maar Amnon wilde niet luisteren. Met geweld pakte hij Tamar vast, en hij verkrachtte haar.

Amnon stuurt Tamar weg

15Meteen daarna begon Amnon Tamar te haten. Zijn haat was groter dan de liefde die hij eerst voor haar voelde. ‘Ga weg!’ riep hij. 16Maar Tamar zei: ‘Amnon, stuur mij niet weg! Want dat is erger dan wat je net gedaan hebt.’ Maar Amnon wilde niet naar haar luisteren. 17Hij riep zijn dienaar en zei: ‘Zet haar het huis uit en doe de deur op slot.’ 18Dat deed de dienaar.

Daar stond Tamar, in haar prachtige lange jurk. Zulke jurken werden gedragen door jonge prinsessen. 19Tamar gooide zand over haar hoofd en ze scheurde haar jurk kapot. Ze was wanhopig. Huilend liep ze naar huis.

Tamar gaat bij Absalom wonen

20Tamar kwam bij haar broer Absalom. Hij zei tegen haar: ‘Heeft Amnon je aangerand? Als dat zo is, zeg het dan tegen niemand. Hij is nou eenmaal je broer. Je kunt het beter gewoon vergeten.’ Toen ging Tamar in het huis van Absalom wonen. Ze was daarna voor altijd eenzaam en alleen.

21Toen koning David hoorde wat er gebeurd was, werd hij kwaad op Amnon. 22Absalom zei helemaal niets tegen Amnon. Maar hij haatte Amnon wel, omdat die zijn zus verkracht had.

Absalom laat Amnon doden

Absalom nodigt de zonen van David uit

23Twee jaar later nodigde Absalom alle zonen van David uit. Hij vroeg of ze naar de stad Baäl-Chasor wilden komen, dicht bij de stad Efraïm. Daar was een feest omdat de schapen geschoren werden. 24Absalom ging naar David en zei: ‘Bij ons worden de schapen geschoren. Wilt u ook op het feest komen, samen met uw dienaren?’

25Maar David zei: ‘Nee, Absalom. Als wij allemaal komen, wordt het te druk voor jou.’ Absalom vroeg het nog een keer, maar David wilde echt niet komen. Hij wenste Absalom een goed feest toe.

26Toen zei Absalom: ‘Laat dan in ieder geval mijn broer Amnon met ons meegaan naar het feest.’ ‘Waarom wil je dat?’ vroeg David. 27Maar omdat Absalom het zo graag wilde, vond David het goed. Hij liet Amnon en ook zijn andere zonen met Absalom meegaan naar het feest.

Amnon wordt gedood

28Op het feest zei Absalom tegen zijn dienaren: ‘Let goed op! Zodra Amnon vrolijk is van de wijn, zal ik tegen jullie zeggen: ‘Sla Amnon dood!’ Op dat moment moeten jullie hem doden. Ik ben degene die dat bevel geeft, dus jullie hoeven niet bang te zijn. Wees dapper!’

29De dienaren deden wat Absalom hun gezegd had. Ze doodden Amnon. Alle andere zonen van David vluchtten zo snel als ze konden.

David denkt dat al zijn zonen dood zijn

30De zonen van David vluchtten terug naar huis. Intussen kreeg David het bericht dat al zijn zonen gedood waren door Absalom. Hij hoorde dat niemand van hen ontsnapt was. 31Als teken van rouw scheurde David zijn kleren, en hij ging op de grond liggen. Ook al zijn dienaren scheurden hun kleren.

32Maar Jonadab, de zoon van Davids broer Sima, zei: ‘Koning, denk niet dat al uw zonen gedood zijn! Absalom heeft alleen Amnon gedood, omdat die zijn zus Tamar verkracht heeft. 33Denk dus niet dat al uw zonen gestorven zijn. Want alleen Amnon leeft niet meer.’

34-38Toen zag een bewaker van het paleis een grote groep mensen uit de bergen komen. Jonadab zei: ‘Ziet u wel? Daar komen uw zonen, zoals ik gezegd heb!’ Op dat moment kwamen de zonen binnen. Ze begonnen hard te huilen, en ook David en zijn dienaren begonnen te huilen.

David wil Absalom gevangennemen

Intussen was Absalom naar het gebied Gesur gevlucht. Daar ging hij wonen bij koning Talmai, de zoon van Ammichur. Absalom bleef daar drie jaar.

Drie jaar lang rouwde David elke dag om Amnon. 39Daarna bedacht hij een plan om Absalom gevangen te nemen.

14

Absalom mag weer thuiskomen

Joab stuurt een vrouw naar David

141David wilde Absalom gevangennemen. Joab, de zoon van Seruja, wist dat. 2Daarom liet hij een wijze vrouw uit Tekoa komen. Hij zei tegen haar: ‘Doe alsof je verdrietig bent. Trek rouwkleren aan en doe niets aan je uiterlijk. Doe alsof je al jaren verdriet hebt om je overleden man. 3Ga dan naar de koning. Ik zal je precies zeggen wat je hem moet vertellen.’

De vrouw vertelt dat ze in gevaar is

4De vrouw uit Tekoa ging naar koning David. Ze knielde en maakte een diepe buiging. Toen zei ze: ‘Koning, help mij alstublieft!’ 5David vroeg wat er was, en ze vertelde: ‘Koning, mijn man is gestorven. Ik ben dus weduwe. 6En eerst had ik nog twee zonen. Maar toen zij op het land aan het werk waren, kregen ze ruzie. Er was niemand om ze uit elkaar te halen. En toen sloeg mijn ene zoon mijn andere zoon dood.

7Ik heb dus nog maar één zoon. Maar de hele familie wil hem bij me weghalen. Ze zeggen dat ze hem zullen doden, omdat hij zijn broer gedood heeft. Maar dan heb ik helemaal geen zoon meer. Dan is er niemand die later voor het bezit van mijn familie kan zorgen. En dan kan er ook niemand meer voor mij zorgen.’

David belooft dat hij haar zal beschermen

8Toen zei David: ‘Ga maar naar huis. Ik zal zorgen dat het goed komt.’

9‘Maar koning!’ riep de vrouw. ‘Ik ben nog steeds bang. Want u zullen de mensen niets kwalijk nemen als mijn zoon blijft leven. Maar mij wel. Ze zullen mij daar de schuld van geven.’ 10Toen zei David: ‘Als iemand het niet eens is met mijn besluit, stuur hem dan naar mij. Dan zorg ik ervoor dat hij je niet meer lastigvalt.’

11De vrouw zei: ‘Wilt u dat plechtig beloven? Dan weet ik zeker dat er niets kan gebeuren. Dan weet ik zeker dat mijn zoon niet gedood zal worden.’ Toen zei David: ‘Zo zeker als de Heer leeft: ik zal ervoor zorgen dat je zoon met geen vinger aangeraakt wordt!’

De vrouw stelt een vraag aan David

12Toen zei de vrouw: ‘Koning, mag ik nog één vraag stellen?’ ‘Natuurlijk,’ zei David. 13De vrouw zei: ‘Waarom behandelt u het volk van God anders dan mij? Waarom mag uw eigen zoon niet bij u terugkomen? Want u bedoelde net toch dat het verkeerd is om je eigen familie als vijand te behandelen? 14Uw ene zoon is dood, die kunt u niet meer terughalen. Maar uw andere zoon is gevlucht. God zou er alles voor doen om een gevluchte zoon weer terug te halen!

15-16Ik ben bij u gekomen omdat de mensen mij bang gemaakt hebben. Ik dacht: Laat ik de koning om hulp vragen. Hij zal wel naar me luisteren. Misschien doet hij wat ik hem vraag. Hij zal ervoor zorgen dat mijn zoon en ik veilig zijn, en dat we niet weggestuurd worden uit Israël. 17Ik wist dat u me gerust zou stellen. Want u bent zo wijs als een engel van God, u neemt altijd de juiste beslissing. Ik hoop dat de Heer u zal steunen.’

David begrijpt dat Joab erachter zit

18Toen zei David: ‘Nu wil ik jou iets vragen. En ik wil dat je mij een eerlijk antwoord geeft.’ ‘Wat wilt u weten, koning?’ vroeg de vrouw.

19-20David zei: ‘Heeft Joab je gestuurd?’ De vrouw antwoordde: ‘Koning, zo zeker als u leeft: u hebt helemaal gelijk. U bent zo wijs als een engel van God, u begrijpt altijd alles. Ja, Joab heeft me gestuurd. Hij heeft precies gezegd wat ik u moest vertellen. Zodat u niet meer boos zou zijn op uw zoon Absalom.’

David laat Absalom terugkomen

21David liet Joab bij zich komen en zei: ‘Goed dan, Joab. Je kunt Absalom terughalen. Dat vind ik goed.’ 22Joab knielde en maakte een diepe buiging. Hij zei: ‘Koning, dank u wel. Nu weet ik dat u goed voor me bent. Want u wilt doen wat ik u vraag.’

23Joab ging dus naar de stad Gesur en haalde Absalom terug naar Jeruzalem. 24Maar David zei dat Absalom meteen naar zijn eigen huis moest gaan. Hij wilde niet dat Absalom bij hem kwam. Absalom ging dus terug naar zijn eigen huis en kreeg zijn vader niet te zien.

Absalom is een knappe man

25In heel Israël was er niemand zo knap als Absalom. Alles aan hem was volmaakt. 26Hij had heel lang haar. Elk jaar knipte hij het af en liet hij het wegen. Het haar woog dan ruim 2 kilo volgens het officiële gewicht.

27Absalom kreeg drie zonen en een dochter. Zijn dochter heette Tamar, en ze werd een mooie vrouw.

Absalom steekt Joabs akker in brand

28Toen Absalom twee jaar in Jeruzalem woonde, had hij David nog steeds niet gezien. 29Daarom wilde hij Joab naar David sturen. Absalom riep Joab bij zich. Maar Joab wilde niet komen. Ook niet toen Absalom het nog een keer vroeg.

30Toen zei Absalom tegen zijn dienaren: ‘Zien jullie de akker van Joab, naast die van mij? Die akker met koren? Ga erheen en steek het koren in brand.’ Zo gebeurde het. De dienaren staken de akker van Joab in brand.

Absalom mag bij David komen

31Toen ging Joab naar Absalom en vroeg: ‘Waarom hebben uw dienaren mijn akker in brand gestoken?’ 32Absalom antwoordde: ‘Ik had u gevraagd om bij mij te komen. Ik wilde u naar de koning sturen. Want ik wil weten waarom hij me naar Jeruzalem teruggehaald heeft. Ik wil nu de koning zien. Anders had ik beter in Gesur kunnen blijven. Als de koning vindt dat ik een fout gemaakt heb, dan moet hij me maar doden.’

33Joab ging naar koning David en vertelde hem wat Absalom gezegd had. Toen liet David Absalom bij zich komen. Absalom knielde en maakte een diepe buiging voor David. En David omhelsde Absalom.