Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

David rouwt om Saul en Jonatan

Saul en Jonatan zijn gedood

11-2David had de Amalekieten verslagen, en hij was teruggegaan naar de stad Siklag. Toen hij daar drie dagen was, kwam er een man bij hem. De man was gevlucht uit het kamp van Saul. Hij had zijn kleren gescheurd en zand over zijn hoofd gegooid, als teken van rouw.

De man maakte een diepe buiging. 3David vroeg: ‘Waar kom je vandaan?’ De man antwoordde: ‘Ik was in het legerkamp van de Israëlieten toen ze tegen de Filistijnen vochten. Ik kon nog net wegvluchten.’ 4‘Wat is er dan gebeurd?’ vroeg David. De man zei: ‘Alle soldaten moesten vluchten voor de Filistijnen. Er zijn veel Israëlieten gedood, ook Saul en zijn zoon Jonatan.’

De man zegt dat hij Saul gedood heeft

5David vroeg: ‘Hoe weet je dat Saul en Jonatan dood zijn?’ 6De man zei: ‘Ik was toevallig in de Gilboa-bergen. En daar zag ik Saul, die op zijn speer leunde. Hij was doodmoe. De Filistijnen op hun paarden en wagens hadden hem al bijna te pakken. 7Toen keek Saul om. Hij zag mij en riep dat ik moest komen. 8Hij vroeg: ‘Wie ben jij?’ ‘Ik ben een Amalekiet,’ antwoordde ik. 9Toen zei hij: ‘Kom hier en steek me dood. Ik ben toch al bijna dood.’

10Dus ik ging naar hem toe en stak hem dood. Want ik wist dat hij niet lang meer zou leven. Hij had de strijd toch al verloren. Daarna pakte ik zijn kroon en zijn armband. Ik heb ze voor u meegenomen.’

David laat de man doden

11-12Toen scheurde David zijn kleren, en al zijn dienaren deden hetzelfde. Ze rouwden en ze huilden. Ze hadden verdriet om het leger van Israël en om het volk van de Heer. Ze wilden de hele dag niets eten of drinken. Want Saul en Jonatan en hun soldaten waren gedood in de strijd.

13David vroeg aan de man: ‘Waar kom je vandaan?’ De man zei: ‘Mijn familie komt uit Amalek. Maar mijn vader woont hier al heel lang.’ 14Toen zei David: ‘Saul was de koning van de Heer. Hij was door God uitgekozen. En jij hebt hem gedood. Hoe kon je dat doen!’

15-16David riep één van zijn dienaren en zei: ‘Kom hier en dood deze man.’ En voordat de man doodgestoken werd, zei David: ‘Het is je eigen schuld dat je nu sterft. Want je hebt zelf gezegd dat je de koning van de Heer gedood hebt. Daarom ben je schuldig!’

David zingt een klaaglied

17-18Toen zong David een lied over Saul en zijn zoon Jonatan. Hij gaf alle inwoners van Juda de opdracht om dat lied te leren. Het heet het Lied van de Boog. Het staat in het Boek van Jasar.

19‘Volk van Israël!

Je sterke soldaten zijn gedood,

ze liggen op de heuvels.

Je was trots op hen,

zij waren je helden.

Waarom moesten ze sterven?

20Vertel het niet in Askelon

en maak het niet bekend in Gat.

Anders zijn de Filistijnen blij,

en dan zingen en dansen hun vrouwen.

21Laat het niet regenen op de Gilboa-bergen,

want daarboven op de velden ligt het schild van Saul.

Het is vertrapt, vergeten en verlaten.

22De boog van Jonatan schoot altijd raak,

aan het zwaard van Saul zat altijd bloed.

Niemand kon hen verslaan!

23Ze waren sneller dan de snelste vogel,

ze waren sterker dan de sterkste leeuw.

Saul en Jonatan hielden van elkaar.

Ze waren altijd samen.

Toen ze nog leefden,

maar ook nu ze dood zijn.

24Vrouwen van Israël, huil om Saul!

Hij gaf jullie prachtige kleding,

en sieraden van goud.

25Waarom moesten de helden sterven?

Waarom zijn ze gedood in de strijd?

Jonatan, je bent gedood op de heuvels.

26Ik heb verdriet om jou,

ik hield zo veel van jou.

Je was mijn broer, mijn beste vriend.

Jij hield meer van mij

dan een vrouw ooit van me gehouden heeft.

27Waarom moesten de helden sterven?

Waarom zijn ze gedood in de strijd?’

2

De strijd tussen David en Abner

David gaat naar de stad Hebron

21Toen vroeg David aan de Heer: ‘Zal ik in Juda gaan wonen?’ ‘Dat is goed,’ zei de Heer. ‘In welke stad zal ik gaan wonen?’ vroeg David. En de Heer zei: ‘In Hebron.’

2David ging dus naar de stad Hebron. Hij nam zijn twee vrouwen mee. De ene heette Achinoam. Zij kwam uit de stad Jizreël. De andere heette Abigaïl. Zij was de vrouw geweest van Nabal uit de stad Karmel. 3Ook nam David al zijn dienaren en hun families mee. Ze gingen allemaal wonen in Hebron, en in dorpen daar in de buurt.

4-5Toen kwamen de leiders van Juda naar Hebron. Zij maakten David koning van Juda.

David bedankt de inwoners van Jabes

Vanuit Hebron stuurde David een bericht naar de inwoners van Jabes in het gebied Gilead. Want hij had gehoord dat zij Saul begraven hadden. David zei: ‘De Heer zal jullie gelukkig maken. Want jullie zijn trouw geweest aan jullie leider Saul, jullie hebben hem begraven. 6De Heer zal trouw aan jullie zijn, en hij zal goed voor jullie zijn. Ook ik zal goed voor jullie zijn. 7Want de inwoners van Juda hebben mij uitgekozen, ik zal hun koning zijn. Blijf dus dapper en houd moed, ook al is jullie leider Saul gestorven.’

Isboset wordt koning van Israël

8Abner, de zoon van Ner, was de belangrijkste leider van Sauls leger. Hij bracht Isboset, de zoon van Saul, naar de stad Machanaïm. 9Hij maakte Isboset daar koning van de gebieden Gilead, Aser, Jizreël, Efraïm en Benjamin. Dus van heel Israël. 10Isboset was toen veertig jaar oud. Hij regeerde twee jaar.

Maar David bleef koning van Juda. 11Vanuit Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda.

De strijd tussen Abner en Joab

12Abner ging met het leger van Isboset vanuit Machanaïm naar de stad Gibeon. 13Ook Joab, de zoon van Seruja, ging naar Gibeon, met het leger van David. Bij de vijver in Gibeon kwamen Abner en Joab elkaar tegen. Abner stond aan de ene kant van de vijver en Joab stond aan de andere kant. 14Abner zei tegen Joab: ‘Ik stel voor dat onze sterkste mannen tegen elkaar gaan vechten.’ ‘Dat is goed,’ zei Joab.

15De sterkste mannen van Isboset stapten naar voren. Zij hoorden allemaal bij de stam Benjamin. Ook de sterkste mannen van David stonden klaar. Er stonden twaalf soldaten van het leger van Isboset en twaalf van het leger van David. 16Iedereen pakte zijn tegenstander bij de haren vast, en stak hem met een zwaard in zijn buik. Zo doodden alle soldaten elkaar. De plaats waar dat gebeurde, wordt Chelkat-Hassurim genoemd.

17Meteen daarna werd er hard gevochten tussen de twee legers. Het leger van David won van het leger van Abner.

Abner doodt Asaël

18Bij het gevecht waren ook de broers van Joab aanwezig: Abisai en Asaël. Asaël kon ontzettend hard rennen. 19Hij ging achter Abner aan en bleef hem achtervolgen.

20Abner keek achterom en riep: ‘Ben jij het, Asaël?’ ‘Ja, ik ben het,’ zei Asaël. 21Toen riep Abner: ‘Laat me met rust! Je kunt beter een gewone soldaat achtervolgen en zijn kleding en wapens afpakken.’ Maar Asaël bleef Abner achtervolgen. 22Abner riep nog een keer: ‘Laat me met rust! Anders zal ik je moeten doden. En dat zal je broer Joab mij nooit vergeven.’

23Maar Asaël wilde Abner nog steeds niet met rust laten. Toen stak Abner een zwaard in Asaëls buik. Het zwaard ging zo diep, dat het uit zijn rug weer naar buiten kwam. Asaël viel op de grond en stierf. En iedereen die langs die plek kwam, stond daar stil.

Joab achtervolgt Abner niet langer

24Toen gingen Joab en Abisai achter Abner aan. Aan het eind van de middag kwamen ze bij de heuvel Amma, tegenover de plaats Giach. Je komt erlangs als je naar de woestijn van Gibeon gaat.

25De mannen van de stam Benjamin gingen allemaal achter Abner staan. Ze stonden boven op een heuvel. 26Abner riep naar Joab: ‘Moeten we elkaar dan blijven doden? Daar komt toch alleen maar ellende van? Wij horen bij hetzelfde volk als jullie. Zeg dus alsjeblieft tegen je soldaten dat ze ons met rust laten!’ 27Toen zei Joab: ‘Als jij vanmorgen niet had voorgesteld om te vechten, hadden wij jullie gewoon laten gaan. Dat is zo zeker als de Heer leeft!’

28Toen stopte het leger van Joab en David met het achtervolgen van het leger van Isboset en Abner. Want Joab had op de trompet geblazen. Dat betekende dat de strijd voorbij was.

David heeft de strijd gewonnen

29Abner en zijn leger liepen de hele nacht door het gebied van de Jordaan. Toen gingen ze naar de overkant van de rivier. Ze liepen verder langs de rotsen van Bitron, totdat ze in Machanaïm kwamen.

30Nadat Joab gestopt was met het achtervolgen van Abner, verzamelde hij zijn soldaten. Abners leger had twintig soldaten van David gedood. Eén van die dode soldaten was Asaël. 31Maar Davids leger had 360 soldaten van Abner gedood.

32Joab en zijn mannen namen het lichaam van Asaël mee naar de stad Betlehem. Daar legden ze hem in het graf van zijn vader. Daarna liepen ze de hele nacht door. Toen het ochtend werd, kwamen ze aan in Hebron.