Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

De families uit de stam Levi

61De zonen van Levi waren: Gerson, Kehat en Merari. 2De zonen van Gerson waren: Libni en Simi. 3De zonen van Kehat waren: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. 4De zonen van Merari waren: Machli en Musi. Van elke zoon van Levi stamde een familie af.

5Nu volgen de namen van de nakomelingen van Gerson. De zoon van Gerson was Libni. De zoon van Libni was Jachat. De zoon van Jachat was Zimma. 6De zoon van Zimma was Joach. De zoon van Joach was Iddo. De zoon van Iddo was Zerach. De zoon van Zerach was Jeaterai.

7Nu volgen de namen van de nakomelingen van Kehat. De zoon van Kehat was Amminadab. De zoon van Amminadab was Korach. De zoon van Korach was Assir. 8De zoon van Assir was Elkana. De zoon van Elkana was Ebjasaf. De zoon van Ebjasaf was Assir. 9De zoon van Assir was Tachat. De zoon van Tachat was Uriël. De zoon van Uriël was Uzzia. De zoon van Uzzia was Saül. 10De zonen van Elkana waren: Amasai, Achimot en 11Elkana. De zoon van Elkana was Sofai. De zoon van Sofai was Nachat. 12De zoon van Nachat was Eliab. De zoon van Eliab was Jerocham. De zoon van Jerocham was Elkana. 13De zonen van Samuel waren: Wasni, de oudste, en Abia.

14Nu volgen de namen van de nakomelingen van Merari. De zoon van Merari was Machli. De zoon van Machli was Libni. De zoon van Libni was Simi. De zoon van Simi was Uzza. 15De zoon van Uzza was Sima. De zoon van Sima was Chaggia. De zoon van Chaggia was Asaja.

De zangers uit de stam Levi

16-18Toen koning David de heilige kist naar Jeruzalem gebracht had, koos hij zangers uit om de Heer te danken. De zangers moesten voor de Heer zingen bij de heilige tent. En later, toen Salomo de tempel gebouwd had, moesten ze voor de Heer zingen in de tempel. De zangers moesten altijd op dezelfde plaats staan. Dat was de regel. En als er een zanger stierf, dan volgde zijn zoon hem op.

Nu volgen de namen van de zangers die David uitgekozen heeft. Heman was de belangrijkste zanger. Hij kwam uit de familie van Kehat. Heman was een zoon van Joël. Joël was een zoon van Samuel. 19Samuel was een zoon van Elkana. Elkana was een zoon van Jerocham. Jerocham was een zoon van Eliël. Eliël was een zoon van Toach. 20Toach was een zoon van Suf. Suf was een zoon van Elkana. Elkana was een zoon van Machat. Machat was een zoon van Amasai. 21Amasai was een zoon van Elkana. Elkana was een zoon van Joël. Joël was een zoon van Azarja. Azarja was een zoon van Sefanja. 22Sefanja was een zoon van Tachat. Tachat was een zoon van Assir. Assir was een zoon van Ebjasaf. Ebjasaf was een zoon van Korach. 23Korach was een zoon van Jishar. Jishar was een zoon van Kehat. Kehat was een zoon van Levi. Levi was een zoon van Jakob.

24Rechts van Heman stond Asaf. Asaf hoorde bij dezelfde stam als Heman. Asaf was een zoon van Berechja. Berechja was een zoon van Sima. 25Sima was een zoon van Michaël. Michaël was een zoon van Baäseja. Baäseja was een zoon van Malkia. 26Malkia was een zoon van Etni. Etni was een zoon van Zerach. Zerach was een zoon van Adaja. 27Adaja was een zoon van Etan. Etan was een zoon van Zimma. Zimma was een zoon van Simi. 28Simi was een zoon van Jachat. Jachat was een zoon van Gerson. Gerson was een zoon van Levi.

29Links van Heman stonden de nakomelingen van Merari. Ze hoorden bij dezelfde stam als Heman en Asaf. Etan was een zoon van Kisi. Kisi was een zoon van Abdi. Abdi was een zoon van Malluch. 30Malluch was een zoon van Chasabja. Chasabja was een zoon van Amasja. Amasja was een zoon van Chilkia. 31Chilkia was een zoon van Amsi. Amsi was een zoon van Bani. Bani was een zoon van Semer. 32Semer was een zoon van Machli. Machli was een zoon van Musi. Musi was een zoon van Merari. Merari was een zoon van Levi.

De mensen die van Aäron afstammen

33De Levieten die geen zangers waren, kregen allerlei andere taken in de tempel. 34Aäron en zijn nakomelingen kregen de allerheiligste taken. Zij moesten de offers brengen op de altaren in de tempel. Ze moesten ook het offer brengen waarmee de fouten van de Israëlieten goedgemaakt werden. Ze deden alles precies zoals Mozes, de dienaar van God, het gezegd had.

35Nu volgen de namen van de nakomelingen van Aäron. De zoon van Aäron was Eleazar. De zoon van Eleazar was Pinechas. De zoon van Pinechas was Abisua. 36De zoon van Abisua was Bukki. De zoon van Bukki was Uzzi. De zoon van Uzzi was Zerachja. 37De zoon van Zerachja was Merajot. De zoon van Merajot was Amarja. De zoon van Amarja was Achitub. 38De zoon van Achitub was Sadok. De zoon van Sadok was Achimaäs.

De steden voor de Levieten

De steden worden verdeeld

39-45De Levieten lootten om te beslissen in welk gebied elke familie mocht gaan wonen.

Eerst werd er geloot voor de Levieten die afstamden van Aäron, de kleinzoon van Kehat. Zij kregen in totaal dertien steden. In het gebied Juda kregen zij de stad Hebron. Ook kregen ze rond die stad stukken land voor hun vee. Maar de dorpen en akkers om Hebron heen werden gegeven aan Kaleb, de zoon van Jefunne.

De nakomelingen van Aäron kregen behalve de vluchtstad Hebron ook de vluchtsteden Libna, Jattir, Estemoa, Chilez, Debir, Asan en Bet-Semes, en de stukken land eromheen. In het gebied Benjamin kregen ze Geba, Alemet en Anatot, en de stukken land eromheen.

46Toen werd er weer geloot. Nu voor de Levieten die afstamden van Kehat, maar niet van Aäron. Zij kregen tien steden. Die steden lagen in het gebied Manasse.

47Daarna werd er geloot voor de Levieten die afstamden van Gerson. Zij kregen dertien steden. Die steden lagen in de gebieden Issachar, Aser en Naftali, en in het gebied Manasse in Basan.

48Ten slotte werd er geloot voor de Levieten die afstamden van Merari. Zij kregen twaalf steden. Die steden lagen in de gebieden Ruben, Gad en Zebulon.

49De Israëlieten gaven dus een deel van hun steden met het land eromheen aan de Levieten. 50Het waren steden uit de gebieden Juda, Simeon en Benjamin. Er was geloot om te beslissen welke familie in welke stad mocht wonen.

De steden voor de familie van Kehat

51-55Nu volgen de namen van de steden voor de nakomelingen van Kehat die niet afstamden van Aäron. Zij kregen steden in de gebieden Efraïm en Manasse.

In het bergland van Efraïm kregen ze de vluchtstad Sichem. Ook kregen ze de steden Gezer, Jokmeam, Bet-Choron, Ajjalon en Gat-Rimmon, en de stukken land eromheen. In het gebied Manasse kregen ze de steden Aner en Bileam, en de stukken land eromheen.

Dat waren de steden voor de nakomelingen van Kehat die niet afstamden van Aäron.

De steden voor de familie van Gerson

56-61De nakomelingen van Gerson kregen steden in de gebieden Manasse, Issachar, Aser en Naftali.

In het gebied Manasse kregen ze de stad Golan in de streek Basan, en de stad Astarot, en de stukken land eromheen. In het gebied Issachar kregen ze de steden Kedes, Daberat, Ramot en Anem, en de stukken land eromheen. In het gebied Aser kregen ze de steden Masal, Abdon, Chukok en Rechob, en de stukken land eromheen. In het gebied Naftali kregen ze de stad Kedes in de streek Galilea, en de steden Chammon en Kirjataïm, en de stukken land eromheen.

De steden voor de familie van Merari

62-66De nakomelingen van Merari kregen steden in de gebieden Zebulon, Ruben en Gad.

In het gebied Zebulon kregen ze de steden Rimmono en Tabor, en de stukken land eromheen. In het gebied Ruben, aan de overkant van de Jordaan, kregen ze de stad Beser, en de stukken land eromheen. Beser ligt ten oosten van Jericho, in de woestijn. Verder kregen ze in het gebied Ruben de steden Jahas, Kedemot en Mefaät, en de stukken land eromheen. In het gebied Gad kregen ze de stad Ramot in de streek Gilead, en ook de steden Machanaïm, Chesbon en Jazer, en de stukken land eromheen.

7

De stammen ten westen van de Jordaan

De mensen die van Issachar afstammen

71De vier zonen van Issachar waren: Tola, Pua, Jasub en Simron. 2In hun familielijsten staat wie de leiders van hun families waren, en hoeveel soldaten er uit elke familie kwamen.

De zonen van Tola waren: Uzzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Semuel. Het waren dappere soldaten, en ze waren de leiders van hun familie. Toen David koning was, waren er 22.600 mannen in de familie van Tola.

3De zoon van Uzzi was Jizrachja. De zonen van Jizrachja waren: Michaël, Obadja, Joël en Jissia. Jizrachja en zijn zonen waren de vijf leiders van hun familie. 4Ze hadden samen heel veel vrouwen en kinderen. Daarom kwamen er wel 36.000 soldaten uit de familie van Uzzi.

5Ook uit de andere families van Issachar kwamen veel dappere soldaten, in totaal 87.000.

De mensen die van Benjamin afstammen

6De drie zonen van Benjamin waren: Bela, Becher en Jediaël. 7In hun familielijsten staat wie de leiders van hun families waren, en hoeveel soldaten er uit elke familie kwamen.

De vijf zonen van Bela waren: Esbon, Uzzi, Uzziël, Jerimot en Iri. Het waren dappere soldaten, en ze waren de leiders van hun familie. Er kwamen 22.034 mannen uit de familie van Bela.

8De zonen van Becher waren: Zemira, Joas, Eliëzer, Eljoënai, Omri, Jeremot, Abia, Anatot en Alemet. 9Ze waren allemaal leiders van hun familie. Er kwamen 20.200 soldaten uit de familie van Becher.

10De zoon van Jediaël was Bilhan. De zonen van Bilhan waren: Jeüs, Benjamin, Ehud, Kenaäna, Zetan, Tarsis en Achisachar. 11Het waren allemaal dappere soldaten, en ze waren de leiders van hun familie. Er kwamen 17.200 soldaten uit de familie van Jediaël.

12De zonen van Ir waren: Suppim en Chuppim. De zoon van Acher was Chusim.

De mensen die van Naftali afstammen

13De zonen van Naftali waren: Jachasiël, Guni, Jeser en Sallum. Het waren kleinzonen van Bilha, de moeder van Naftali.

De mensen die van Manasse afstammen

14Eén van de zonen van Manasse was Asriël. De zoon van Manasse en zijn bijvrouw uit het land Aram was Machir. De zoon van Machir was Gilead. 15Machir koos vrouwen uit voor Chuppim en Suppim. De zus van Machir was Maächa.

Eén van de nakomelingen van Manasse was Selofchad. Selofchad kreeg alleen dochters.

16De zoon van Machir en Maächa was Peres. De broer van Peres was Seres. De zonen van Seres waren: Ulam en Rekem. 17De zoon van Ulam was Bedan.

Dat waren de nakomelingen van Gilead, de zoon van Machir en de kleinzoon van Manasse.

18De zus van Machir was Molechet. Haar zonen waren: Ishod, Abiëzer en Machla.

19De zonen van Semida waren: Achjan, Sechem, Likchi en Aniam.

De mensen die van Efraïm afstammen

20Nu volgen de namen van de nakomelingen van Efraïm. De zoon van Efraïm was Sutelach. De zoon van Sutelach was Bered. De zoon van Bered was Tachat. De zoon van Tachat was Elada. De zoon van Elada was Tachat. 21De zoon van Tachat was Zabad. De zoon van Zabad was Sutelach.

Efraïm had nog twee zonen: Ezer en Elad. Die werden gedood door mannen uit de stad Gat, omdat Ezer en Elad hun vee wilden stelen. 22Efraïm rouwde een lange tijd om zijn twee zonen. Zijn familie kwam naar hem toe om hem te troosten.

23Een tijd later ging Efraïm naar zijn vrouw en sliep met haar. Ze werd zwanger en kreeg weer een zoon. Efraïm noemde die zoon Beria, omdat zijn vrouw zwanger was geworden in een moeilijke tijd.

24De dochter van Beria was Seëra. Van haar stammen de inwoners van Laag-Bet-Choron af, en ook de inwoners van Hoog-Bet-Choron en Uzzen-Seëra.

25De zoon van Beria was Refach. De zoon van Refach was Resef. De zoon van Resef was Telach. De zoon van Telach was Tachan. 26De zoon van Tachan was Ladan. De zoon van Ladan was Ammihud. De zoon van Ammihud was Elisama. 27De zoon van Elisama was Nun. De zoon van Nun was Jozua.

De steden van Efraïm en Manasse

28De nakomelingen van Efraïm woonden in de steden Betel, Naäran in het oosten en Gezer in het westen, en in de dorpen eromheen. Ook woonden ze in het gebied tussen de steden Sichem en Ajja.

29De nakomelingen van Manasse woonden in de steden Bet-San, Taänach, Megiddo en Dor, en in de dorpen eromheen.

Dat waren de gebieden waar de nakomelingen van Efraïm en Manasse woonden. Zij waren de zonen van Jozef en de kleinzonen van Jakob.

De mensen die van Aser afstammen

30De zonen van Aser waren: Jimna, Jiswa, Jiswi en Beria. De dochter van Aser was Serach.

31De zonen van Beria waren: Cheber en Malkiël. Van Malkiël stammen de inwoners van Bir-Zaït af. 32De zonen van Cheber waren: Jaflet, Somer en Chotam. De dochter van Cheber was Sua. 33De zonen van Jaflet waren: Pasach, Bimhal en Aswat.

34De zonen van Semer waren: Achi, Roga, Jechubba en Aram. De broer van Semer was Helem. 35De zonen van Helem waren: Sofach, Jimna, Seles en Amal. 36De zonen van Sofach waren: Suach, Charnefer, Sual, Beri, Jimra, 37Beser, Hod, Samma, Silsa, Jitran en Beëra.

38De zonen van Jeter waren: Jefunne, Pispa en Ara. 39De zonen van Ulla waren: Arach, Channiël en Risja.

40Al die nakomelingen van Aser waren leiders van hun families. Het waren beroemde mannen, dappere soldaten en belangrijke leiders van hun stam. In hun familielijsten worden 26.000 soldaten genoemd.

8

De nakomelingen van Benjamin

De mensen die van Benjamin afstammen

81De vijf zonen van Benjamin waren: Bela, de oudste, en Asbel, Achrach, 2Nocha en Rafa.

3De zonen van Bela waren: Addar, Gera, Abihud, 4Abisua, Naäman, Achoach, 5Gera, Sefufan en Churam.

6-7De zonen van Echud waren: Naäman, Achia en Gera. Ze waren de leiders van de families die in de stad Geba woonden. Die families werden als gevangenen meegenomen naar de stad Manachat. Gera was toen de leider van de familie.

De zonen van Gera waren: Uzza en Achichud.

De mensen die van Sacharaïm afstammen

8-9Sacharaïm woonde in het land Moab. Hij was eerst getrouwd met Chusim en Baära. Maar hij had die vrouwen weggestuurd. Toen trouwde hij met Chodes.

De zonen van Sacharaïm en Chodes waren: Jobab, Sibja, Mesa, Malkam, 10Jeüs, Sochja en Mirma. Ze waren allemaal leiders van hun families.

11De zonen van Sacharaïm en Chusim waren: Abitub en Elpaäl. 12De zonen van Elpaäl waren: Eber, Misam en Semed. Van Semed stammen de inwoners van de steden Ono en Lod af, en ook de inwoners van de dorpen eromheen.

13Beria en Sema waren de leiders van de families in de stad Ajjalon. De inwoners van Ajjalon hebben de inwoners van de stad Gat weggejaagd.

De families in Jeruzalem

14-16De zonen van Beria waren: Achio, Sasak, Jeremot, Zebadja, Arad, Eder, Michaël, Jispa en Jocha.

17-18De zonen van Elpaäl waren: Zebadja, Mesullam, Chizki, Cheber, Jismerai, Jizlia en Jobab.

19-21De zonen van Simi waren: Jakim, Zichri, Zabdi, Eliënai, Silletai, Eliël, Adaja, Beraja en Simrat.

22-25De zonen van Sasak waren: Jispan, Eber, Eliël, Abdon, Zichri, Chanan, Chananja, Elam, Antotia, Jifdeja en Peniël.

26-27De zonen van Jerocham waren: Samserai, Secharja, Atalja, Jaäresja, Elia en Zichri.

28Zij worden allemaal in de familielijsten genoemd als leiders van de families in Jeruzalem.

De familie van Saul

29In Gibeon woonde Jeïël. Van hem stammen alle inwoners van Gibeon af. Jeïël was getrouwd met Maächa. 30-31De zonen van Jeïël waren: Abdon, de oudste, en Sur, Kis, Baäl, Nadab, Gedor, Achio en Zecher.

32De zoon van Miklot was Sima. Miklot en Sima gingen bij hun familie in Jeruzalem wonen.

33De zoon van Ner was Kis. De zoon van Kis was Saul. De zonen van Saul waren: Jonatan, Malkisua, Abinadab en Esbaäl. 34De zoon van Jonatan was Meribbaäl. De zoon van Meribbaäl was Micha. 35De zonen van Micha waren: Piton, Melech, Tarea en Achaz.

36De zoon van Achaz was Jehoadda. De zonen van Jehoadda waren: Alemet, Azmawet en Zimri. De zoon van Zimri was Mosa. 37De zoon van Mosa was Bina. De zoon van Bina was Rafa. De zoon van Rafa was Elasa. De zoon van Elasa was Asel. 38De zes zonen van Asel waren: Azrikam, Bocheru, Jismaël, Searja, Obadja en Chanan.

39De broer van Asel was Esek. De zonen van Esek waren: Ulam, de oudste, en Jeüs en Elifelet. 40De zonen van Ulam waren dappere soldaten, met pijl en boog. Ze kregen 150 zonen en kleinzonen.

Zij waren allemaal nakomelingen van Benjamin.