Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

Andere nakomelingen van Juda

41Andere nakomelingen van Juda waren: Peres, Chesron, Karmi, Chur en Sobal.

De mensen die van Chur afstammen

2-4Nu volgen de namen van de nakomelingen van Chur. De zoon van Chur was Sobal. De zoon van Sobal was Reaja. De zoon van Reaja was Jachat. De zonen van Jachat waren: Achumai en Lahad. Van hen stammen de inwoners van Sora af.

Ook dit zijn nakomelingen van Chur: Jizreël, Jisma en Jidbas, en hun zus Hasselelponi. Van hun vader stammen de inwoners van Etam af.

Andere nakomelingen van Chur zijn: Penuel en Ezer. Van Penuel stammen de inwoners van Gedor af. Van Ezer stammen de inwoners van Chusa af.

Dat waren de nakomelingen van Chur, de oudste zoon van Kaleb en Efrat. Van Chur stammen de inwoners van Betlehem af.

De mensen die van Aschur afstammen

5Aschur had twee vrouwen: Chela en Naära. Van Aschur stammen de inwoners van Tekoa af.

6De zonen van Aschur en Naära waren: Achuzzam en Chefer. Van Aschur en Naära stammen ook de families van Temen en Achastar af. 7De zonen van Aschur en Chela waren: Seret, Jesochar en Etnan.

Andere mensen die van Juda afstammen

8Nu volgen de namen van andere nakomelingen van Juda.

De zonen van Kos waren: Anub en Hassobeba. De families van Acharchel, de zoon van Harum, stammen ook van Kos af.

9Jabes was belangrijker dan zijn broers. Zijn moeder had hem Jabes genoemd omdat ze veel pijn had bij zijn geboorte. 10Jabes vroeg in een gebed aan de God van Israël: ‘Wilt u mij rijk en gelukkig maken? Wilt u zorgen dat ik veel land krijg? En wilt u mij beschermen tegen ellende en pijn?’ God deed wat Jabes hem vroeg.

11Kelub, de broer van Sucha, had een zoon: Mechir. De zoon van Mechir was Eston. 12De zonen van Eston waren: Bet-Rafa, Paseach en Techinna. Die mannen woonden in Recha. Van Techinna stammen de inwoners van de stad Nachas af.

13De zonen van Kenaz waren: Otniël en Seraja. De zoon van Otniël was Chatat. 14De zoon van Meonotai was Ofra. De zoon van Seraja was Joab. Van Joab stammen de inwoners van Gai-Charasim af. Daar wonen allerlei vakmensen.

15De zoon van Jefunne was Kaleb. De zonen van Kaleb waren: Iru, Ela en Naäm. De zoon van Ela was Kenaz. 16De zonen van Jehallelel waren: Zif, Zifa, Tireja en Asarel.

17-18De zonen van Ezra waren: Jeter, Mered, Efer en Jalon. Mered trouwde met Bitja, een dochter van de farao. Bitja werd zwanger en kreeg drie kinderen: Mirjam, Sammai en Jisbach. Van Jisbach stammen de inwoners van Estemoa af.

Ezra trouwde ook met een vrouw uit Juda. Haar zonen waren: Jered, Cheber en Jekutiël. Van Jered stammen de inwoners van Gedor af. Van Cheber stammen de inwoners van Socho af. En van Jekutiël stammen de inwoners van Zanoach af.

19Hodia was getrouwd met de zus van Nacham. Van hen stammen de Garmieten af, die in Keïla wonen. Ook de Maächatieten stammen van hen af. Zij wonen in Estemoa.

20De zonen van Simon waren: Amnon, Rinna, Ben-Chanan en Tilon. De zonen van Jisi waren: Zochet en Ben-Zochet.

21De nakomelingen van Sela, de zoon van Juda, waren: Er en Lada. Van Er stammen de inwoners van Lecha af. Van Lada stammen de inwoners van Maresa af.

Ook de families die in Bet-Asbea wonen en linnen maken, stammen af van Sela. 22-23Verder stammen de inwoners van Kozeba van Sela af, en ook Jokim, Joas en Saraf. In oude boeken staat geschreven dat Joas en Saraf trouwden met vrouwen uit Moab. En dat ze daar ook gingen wonen. Ze woonden in Netaïm en Gedera, en ze waren pottenbakkers in dienst van de koning. Later kwamen ze weer terug naar Betlehem.

De nakomelingen van Simeon

De mensen die van Simeon afstammen

24De zonen van Simeon waren: Nemuel, Jamin, Jarib, Zerach en Saül. 25De zoon van Saül was Sallum. De zoon van Sallum was Mibsam. De zoon van Mibsam was Misma.

26Nu volgen de namen van de nakomelingen van Misma. De zoon van Misma was Chammuel. De zoon van Chammuel was Zakkur. De zoon van Zakkur was Simi. 27Simi had zestien zonen en zes dochters. De broers van Simi hadden niet veel kinderen.

In totaal had Simeon minder nakomelingen dan Juda. 28De nakomelingen van Simeon woonden in de steden Berseba, Molada, Chasar-Sual, 29Bilha, Esem, Tolad, 30Betuel, Chorma, Siklag, 31-38Bet-Hammarkabot, Chasar-Susim, Bet-Biri en Saäraïm, en in de dorpen eromheen. Ze woonden daar totdat David koning werd. Ze woonden ook nog in vijf andere steden en in de dorpen eromheen, in het gebied dat liep tot aan Baäl. Die steden waren: Etam, Aïn, Rimmon, Tochen en Asan.

In de familielijsten staan de namen van de leiders van de families: Mesobab, Jamlech, Josa, Joël en Jehu. Josa was een zoon van Amasja. Jehu was een zoon van Josibja. Josibja was een zoon van Seraja. Seraja was een zoon van Asiël. Verder staan in de familielijsten de namen van de volgende leiders: Eljoënai, Jaäkoba, Jesochaja, Asaja, Adiël, Jesimiël, Benaja en Ziza. Ziza was een zoon van Sifi. Sifi was een zoon van Allon. Allon was een zoon van Jedaja. Jedaja was een zoon van Simri. Simri was een zoon van Semaja.

De nakomelingen van Simeon zoeken land

De families van de nakomelingen van Simeon waren erg groot geworden. 39Ze zochten nieuwe stukken grond voor hun schapen en geiten. Daarom gingen ze naar de plaats Gedor. Vanuit Gedor gingen ze naar de oostkant van het dal. 40Daar vonden ze een groot gebied met vruchtbaar land, goed land voor hun schapen en geiten. De mensen die al in dat gebied woonden, waren nakomelingen van Cham. Ze leefden er rustig en in vrede.

41Maar de nakomelingen van Simeon veroverden dat gebied. Dat gebeurde in de tijd dat Hizkia koning was van Juda. Ze vernielden de tenten van de bewoners en ze maakten hun waterbronnen kapot. Ze jaagden de nakomelingen van Cham allemaal weg uit hun gebied. Toen gingen ze er zelf wonen, want het was goed land voor hun schapen en geiten. De nakomelingen van Cham zijn daar nooit meer teruggekomen.

42Vijfhonderd andere nakomelingen van Simeon gingen naar de Seïr-bergen. Hun leiders waren de zonen van Jisi: Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël. 43In de Seïr-bergen doodden ze de Amalekieten die daar nog woonden. Daarna gingen ze er zelf wonen, en ze wonen er nog steeds.

5

De stammen ten oosten van de Jordaan

De mensen die van Ruben afstammen

51-3Ruben was de oudste zoon van Jakob. Maar hij kreeg niet het belangrijkste deel van de erfenis. Want hij had geslapen met een vrouw van zijn vader. Juda, een broer van Ruben, was sterker dan al zijn broers. En één van zijn nakomelingen is koning geworden. Toch kreeg Juda niet het belangrijkste deel van de erfenis. Nee, het belangrijkste deel van de erfenis ging naar de zonen van hun broer Jozef.

De zonen van Ruben, de oudste zoon van Jakob, waren: Chanoch, Pallu, Chesron en Karmi.

4Nu volgen de namen van de mensen die van Joël afstammen. De zoon van Joël was Semaja. De zoon van Semaja was Gog. De zoon van Gog was Simi. 5De zoon van Simi was Micha. De zoon van Micha was Reaja. De zoon van Reaja was Baäl. 6De zoon van Baäl was Beëra. Beëra was de leider van de stam Ruben. Hij werd door koning Tiglatpileser van Assyrië gevangengenomen en naar Assyrië gebracht.

7In de familielijsten staan de volgende familieleden van Beëra: Jeïël, de belangrijkste, en Zecharja 8en Bela. Bela was een zoon van Azaz. Azaz was een zoon van Sema. Sema was een zoon van Joël. Bela woonde in het gebied tussen Aroër, Nebo en Baäl-Meon.

9In het gebied Gilead was niet genoeg land voor alle kuddes van de stam Ruben. Daarom gingen de mensen ook verder naar het oosten wonen. Ze woonden in het gebied tot aan de rand van de woestijn langs de rivier de Eufraat. 10In de tijd van koning Saul vielen mannen van de stam Ruben de Hagrieten aan. Ze versloegen de Hagrieten, en ze gingen in de tenten van de Hagrieten wonen. Toen hadden ze het hele gebied aan de oostkant van Gilead in hun bezit.

De mensen die van Gad afstammen

11De nakomelingen van Gad woonden in Basan, in het gebied tot aan de stad Salka. Dat gebied grensde aan het gebied van de stam Ruben.

12De belangrijkste leider van de stam Gad was Joël. Zijn helper was Safam. Andere leiders in Basan waren: Janai en Safat.

13Bij de stam Gad hoorden ook nog de volgende zeven families: Michaël, Mesullam, Seba, Jorai, Jakan, Zia en Eber. 14Dat waren nakomelingen van Abichaïl. Abichaïl was een zoon van Churi. Churi was een zoon van Jaroach. Jaroach was een zoon van Gilead. Gilead was een zoon van Michaël. Michaël was een zoon van Jesisai. Jesisai was een zoon van Jachdo. Jachdo was een zoon van Buz.

15De leider van die zeven families was Achi. Achi was een zoon van Abdiël. Abdiël was een zoon van Guni. 16Die families woonden in de dorpen van Gilead en Basan, en op de velden van het gebied Saron, helemaal tot aan de grens.

17Toen Jotam koning van Juda was, en Jerobeam koning van Israël, lieten al die families hun namen in de familielijsten schrijven.

De strijd tegen de Hagrieten

18De stammen Ruben en Gad, en de helft van de stam Manasse hadden samen een leger van 44.760 soldaten met schilden, zwaarden en bogen. 19Daarmee vielen ze de Hagritische stammen Jetur, Nafis en Nodab aan.

20Terwijl ze aan het vechten waren, vroegen ze God om hulp. En omdat ze op God vertrouwden, luisterde hij. Hij hielp hen in de strijd. De Hagrieten en de mensen die met hen meevochten, werden verslagen.

21De mannen van Ruben, Gad en Manasse namen vee van de Hagrieten mee: 50.000 kamelen, 250.000 schapen en geiten, en tweeduizend ezels. En ze namen honderdduizend mensen gevangen. 22Er werden heel veel Hagrieten gedood in het gevecht. Want God zelf had tegen hen gevochten.

De stammen Ruben, Gad en de helft van de stam Manasse bleven wonen in het land dat ze veroverd hadden. Ze bleven daar totdat ze als gevangenen meegenomen werden naar Assyrië.

De mensen die van Manasse afstammen

23De helft van de nakomelingen van Manasse woonde ten oosten van de Jordaan. Hun aantal werd steeds groter. Ze woonden in het gebied tussen Basan en de bergen Baäl-Hermon en Senir, in het bergland van Hermon.

24Dit waren de leiders van hun stam: Efer, Jisi, Eliël, Azriël, Jirmeja, Hodawja en Jachdiël. Het waren dappere soldaten, en leiders voor wie de mensen respect hadden.

De stammen worden gevangengenomen

25-26De stammen Ruben, Gad en de helft van de stam Manasse werden ontrouw aan de God van hun voorouders. Ze begonnen de afgoden te vereren van de volken die God uit hun land weggejaagd had. Daarom zorgde de God van Israël ervoor dat koning Pul van Assyrië de stammen gevangennam en meenam naar Assyrië. Koning Pul wordt ook wel Tiglatpileser genoemd.

De koning bracht de stammen naar de steden Chalach, Chabor, Hara, en naar de rivier bij de stad Gozan. Daar wonen die stammen nog steeds.

De nakomelingen van Levi

27De zonen van Levi waren: Gerson, Kehat en Merari.

De mensen die van Kehat afstammen

28De zonen van Kehat waren: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. 29De zonen van Amram waren: Aäron en Mozes. En Amram had ook een dochter: Mirjam.

De zonen van Aäron waren: Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. 30De zoon van Eleazar was Pinechas. De zoon van Pinechas was Abisua. 31De zoon van Abisua was Bukki. De zoon van Bukki was Uzzi. 32De zoon van Uzzi was Zerachja. De zoon van Zerachja was Merajot. 33De zoon van Merajot was Amarja. De zoon van Amarja was Achitub. 34De zoon van Achitub was Sadok. De zoon van Sadok was Achimaäs. 35De zoon van Achimaäs was Azarja. De zoon van Azarja was Jochanan.

36De zoon van Jochanan was Azarja. Azarja was de eerste priester in de tempel die Salomo in Jeruzalem gebouwd had. 37De zoon van Azarja was Amarja. De zoon van Amarja was Achitub. 38De zoon van Achitub was Sadok. De zoon van Sadok was Sallum. 39De zoon van Sallum was Chilkia. De zoon van Chilkia was Azarja. 40De zoon van Azarja was Seraja. De zoon van Seraja was Josadak.

41Toen de Heer ervoor zorgde dat Nebukadnessar de mensen uit Juda en Jeruzalem gevangennam en meenam naar Babylonië, was Josadak één van die mensen.

6

De families uit de stam Levi

61De zonen van Levi waren: Gerson, Kehat en Merari. 2De zonen van Gerson waren: Libni en Simi. 3De zonen van Kehat waren: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. 4De zonen van Merari waren: Machli en Musi. Van elke zoon van Levi stamde een familie af.

5Nu volgen de namen van de nakomelingen van Gerson. De zoon van Gerson was Libni. De zoon van Libni was Jachat. De zoon van Jachat was Zimma. 6De zoon van Zimma was Joach. De zoon van Joach was Iddo. De zoon van Iddo was Zerach. De zoon van Zerach was Jeaterai.

7Nu volgen de namen van de nakomelingen van Kehat. De zoon van Kehat was Amminadab. De zoon van Amminadab was Korach. De zoon van Korach was Assir. 8De zoon van Assir was Elkana. De zoon van Elkana was Ebjasaf. De zoon van Ebjasaf was Assir. 9De zoon van Assir was Tachat. De zoon van Tachat was Uriël. De zoon van Uriël was Uzzia. De zoon van Uzzia was Saül. 10De zonen van Elkana waren: Amasai, Achimot en 11Elkana. De zoon van Elkana was Sofai. De zoon van Sofai was Nachat. 12De zoon van Nachat was Eliab. De zoon van Eliab was Jerocham. De zoon van Jerocham was Elkana. 13De zonen van Samuel waren: Wasni, de oudste, en Abia.

14Nu volgen de namen van de nakomelingen van Merari. De zoon van Merari was Machli. De zoon van Machli was Libni. De zoon van Libni was Simi. De zoon van Simi was Uzza. 15De zoon van Uzza was Sima. De zoon van Sima was Chaggia. De zoon van Chaggia was Asaja.

De zangers uit de stam Levi

16-18Toen koning David de heilige kist naar Jeruzalem gebracht had, koos hij zangers uit om de Heer te danken. De zangers moesten voor de Heer zingen bij de heilige tent. En later, toen Salomo de tempel gebouwd had, moesten ze voor de Heer zingen in de tempel. De zangers moesten altijd op dezelfde plaats staan. Dat was de regel. En als er een zanger stierf, dan volgde zijn zoon hem op.

Nu volgen de namen van de zangers die David uitgekozen heeft. Heman was de belangrijkste zanger. Hij kwam uit de familie van Kehat. Heman was een zoon van Joël. Joël was een zoon van Samuel. 19Samuel was een zoon van Elkana. Elkana was een zoon van Jerocham. Jerocham was een zoon van Eliël. Eliël was een zoon van Toach. 20Toach was een zoon van Suf. Suf was een zoon van Elkana. Elkana was een zoon van Machat. Machat was een zoon van Amasai. 21Amasai was een zoon van Elkana. Elkana was een zoon van Joël. Joël was een zoon van Azarja. Azarja was een zoon van Sefanja. 22Sefanja was een zoon van Tachat. Tachat was een zoon van Assir. Assir was een zoon van Ebjasaf. Ebjasaf was een zoon van Korach. 23Korach was een zoon van Jishar. Jishar was een zoon van Kehat. Kehat was een zoon van Levi. Levi was een zoon van Jakob.

24Rechts van Heman stond Asaf. Asaf hoorde bij dezelfde stam als Heman. Asaf was een zoon van Berechja. Berechja was een zoon van Sima. 25Sima was een zoon van Michaël. Michaël was een zoon van Baäseja. Baäseja was een zoon van Malkia. 26Malkia was een zoon van Etni. Etni was een zoon van Zerach. Zerach was een zoon van Adaja. 27Adaja was een zoon van Etan. Etan was een zoon van Zimma. Zimma was een zoon van Simi. 28Simi was een zoon van Jachat. Jachat was een zoon van Gerson. Gerson was een zoon van Levi.

29Links van Heman stonden de nakomelingen van Merari. Ze hoorden bij dezelfde stam als Heman en Asaf. Etan was een zoon van Kisi. Kisi was een zoon van Abdi. Abdi was een zoon van Malluch. 30Malluch was een zoon van Chasabja. Chasabja was een zoon van Amasja. Amasja was een zoon van Chilkia. 31Chilkia was een zoon van Amsi. Amsi was een zoon van Bani. Bani was een zoon van Semer. 32Semer was een zoon van Machli. Machli was een zoon van Musi. Musi was een zoon van Merari. Merari was een zoon van Levi.

De mensen die van Aäron afstammen

33De Levieten die geen zangers waren, kregen allerlei andere taken in de tempel. 34Aäron en zijn nakomelingen kregen de allerheiligste taken. Zij moesten de offers brengen op de altaren in de tempel. Ze moesten ook het offer brengen waarmee de fouten van de Israëlieten goedgemaakt werden. Ze deden alles precies zoals Mozes, de dienaar van God, het gezegd had.

35Nu volgen de namen van de nakomelingen van Aäron. De zoon van Aäron was Eleazar. De zoon van Eleazar was Pinechas. De zoon van Pinechas was Abisua. 36De zoon van Abisua was Bukki. De zoon van Bukki was Uzzi. De zoon van Uzzi was Zerachja. 37De zoon van Zerachja was Merajot. De zoon van Merajot was Amarja. De zoon van Amarja was Achitub. 38De zoon van Achitub was Sadok. De zoon van Sadok was Achimaäs.

De steden voor de Levieten

De steden worden verdeeld

39-45De Levieten lootten om te beslissen in welk gebied elke familie mocht gaan wonen.

Eerst werd er geloot voor de Levieten die afstamden van Aäron, de kleinzoon van Kehat. Zij kregen in totaal dertien steden. In het gebied Juda kregen zij de stad Hebron. Ook kregen ze rond die stad stukken land voor hun vee. Maar de dorpen en akkers om Hebron heen werden gegeven aan Kaleb, de zoon van Jefunne.

De nakomelingen van Aäron kregen behalve de vluchtstad Hebron ook de vluchtsteden Libna, Jattir, Estemoa, Chilez, Debir, Asan en Bet-Semes, en de stukken land eromheen. In het gebied Benjamin kregen ze Geba, Alemet en Anatot, en de stukken land eromheen.

46Toen werd er weer geloot. Nu voor de Levieten die afstamden van Kehat, maar niet van Aäron. Zij kregen tien steden. Die steden lagen in het gebied Manasse.

47Daarna werd er geloot voor de Levieten die afstamden van Gerson. Zij kregen dertien steden. Die steden lagen in de gebieden Issachar, Aser en Naftali, en in het gebied Manasse in Basan.

48Ten slotte werd er geloot voor de Levieten die afstamden van Merari. Zij kregen twaalf steden. Die steden lagen in de gebieden Ruben, Gad en Zebulon.

49De Israëlieten gaven dus een deel van hun steden met het land eromheen aan de Levieten. 50Het waren steden uit de gebieden Juda, Simeon en Benjamin. Er was geloot om te beslissen welke familie in welke stad mocht wonen.

De steden voor de familie van Kehat

51-55Nu volgen de namen van de steden voor de nakomelingen van Kehat die niet afstamden van Aäron. Zij kregen steden in de gebieden Efraïm en Manasse.

In het bergland van Efraïm kregen ze de vluchtstad Sichem. Ook kregen ze de steden Gezer, Jokmeam, Bet-Choron, Ajjalon en Gat-Rimmon, en de stukken land eromheen. In het gebied Manasse kregen ze de steden Aner en Bileam, en de stukken land eromheen.

Dat waren de steden voor de nakomelingen van Kehat die niet afstamden van Aäron.

De steden voor de familie van Gerson

56-61De nakomelingen van Gerson kregen steden in de gebieden Manasse, Issachar, Aser en Naftali.

In het gebied Manasse kregen ze de stad Golan in de streek Basan, en de stad Astarot, en de stukken land eromheen. In het gebied Issachar kregen ze de steden Kedes, Daberat, Ramot en Anem, en de stukken land eromheen. In het gebied Aser kregen ze de steden Masal, Abdon, Chukok en Rechob, en de stukken land eromheen. In het gebied Naftali kregen ze de stad Kedes in de streek Galilea, en de steden Chammon en Kirjataïm, en de stukken land eromheen.

De steden voor de familie van Merari

62-66De nakomelingen van Merari kregen steden in de gebieden Zebulon, Ruben en Gad.

In het gebied Zebulon kregen ze de steden Rimmono en Tabor, en de stukken land eromheen. In het gebied Ruben, aan de overkant van de Jordaan, kregen ze de stad Beser, en de stukken land eromheen. Beser ligt ten oosten van Jericho, in de woestijn. Verder kregen ze in het gebied Ruben de steden Jahas, Kedemot en Mefaät, en de stukken land eromheen. In het gebied Gad kregen ze de stad Ramot in de streek Gilead, en ook de steden Machanaïm, Chesbon en Jazer, en de stukken land eromheen.