Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

De nakomelingen van Juda

21De zonen van Jakob waren: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issachar en Zebulon, 2Dan, Jozef en Benjamin, Naftali, Gad en Aser.

De mensen die van Juda afstammen

3-4De zonen van Juda waren: Er, Onan en Sela. Hun moeder was Batsua, uit Kanaän. De oudste zoon heette dus Er, en de vrouw van Er was Tamar. Maar Er deed niet wat de Heer wilde. Daarom zorgde de Heer ervoor dat hij stierf.

Daarna kreeg Juda nog twee zonen bij Tamar: Peres en Zerach. In totaal had Juda dus vijf zonen.

5De zonen van Peres waren: Chesron en Chamul. 6Zerach had vijf zonen: Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Dara. 7De zoon van Karmi was Achar. Achar nam dingen voor zichzelf mee die voor de Heer bestemd waren. Daardoor bracht hij het volk veel ellende. 8De zoon van Etan was Azarja. 9De zonen van Chesron waren: Jerachmeël, Ram en Kaleb.

De mensen die van Ram afstammen

10De zoon van Ram was Amminadab. De zoon van Amminadab was Nachson. Nachson werd de leider van de stam Juda. 11De zoon van Nachson was Salma. De zoon van Salma was Boaz. 12De zoon van Boaz was Obed. De zoon van Obed was Isaï.

13Isaï had zeven zonen: Eliab, de oudste, en Abinadab, Sima, 14Netanel, Raddai, 15Osem en David. 16De dochters van Isaï waren: Seruja en Abigaïl. Seruja had drie zonen: Absai, Joab en Asaël. 17De zoon van Abigaïl was Amasa. De vader van Amasa was Jeter, een nakomeling van Ismaël.

18Kaleb, de zoon van Chesron, kreeg bij zijn vrouw Azuba en bij Jeriot de volgende zonen: Jeser, Sobab en Ardon. 19Toen Azuba stierf, trouwde Kaleb met Efrat. De zoon van Kaleb en Efrat was Chur. 20De zoon van Chur was Uri. De zoon van Uri was Besaleël.

21Toen Chesron zestig jaar oud was, trouwde hij met de dochter van Machir. Hun zoon was Segub. De nakomelingen van Machir wonen in het gebied Gilead.

22De zoon van Segub was Jaïr. Jaïr had 23 dorpen in bezit, 23die de Dorpen van Jaïr genoemd werden. Die werden veroverd door de legers van Gesur en Aram. Zij veroverden tegelijk nog andere dorpen, zoals Kenat en de dorpen daaromheen. In totaal werden er zestig dorpen veroverd. In al die dorpen in Gilead woonden nakomelingen van Machir.

24Na de dood van Chesron sliep Kaleb met Efrat. Chesrons vrouw Abia kreeg een zoon, Aschur. Van Aschur stammen de inwoners van Tekoa af.

De mensen die van Jerachmeël afstammen

25Jerachmeël was de oudste zoon van Chesron. De zonen van Jerachmeël waren: Ram, de oudste, en Buna, Oren, Osem en Achia. 26-27De zonen van Ram waren: Maäs, Jamin en Eker. Jerachmeël had nog een vrouw, Atara. De zoon van Jerachmeël en Atara was Onam. 28De zonen van Onam waren: Sammai en Jada.

De zonen van Sammai waren: Nadab en Abisur. 29De zonen van Abisur en zijn vrouw Abihaïl waren: Achban en Molid. 30De zonen van Nadab waren: Seled en Appaïm. Seled kreeg geen kinderen. 31De zoon van Appaïm was Jisi. De zoon van Jisi was Sesan. De zoon van Sesan was Achlai.

32De zonen van Jada, de broer van Sammai, waren: Jeter en Jonatan. Jeter kreeg geen kinderen. 33De zonen van Jonatan waren: Pelet en Zaza.

Dat waren allemaal nakomelingen van Jerachmeël.

34-35Sesan had geen zonen, alleen dochters. Hij liet één van zijn dochters trouwen met zijn Egyptische knecht Jarcha. De zoon van die dochter en Jarcha was Attai. 36De zoon van Attai was Natan. De zoon van Natan was Zabad. 37De zoon van Zabad was Eflal. De zoon van Eflal was Obed. 38De zoon van Obed was Jehu. De zoon van Jehu was Azarja. 39De zoon van Azarja was Cheles. De zoon van Cheles was Elasa. 40De zoon van Elasa was Sisemai. De zoon van Sisemai was Sallum. 41De zoon van Sallum was Jekamja. De zoon van Jekamja was Elisama.

De mensen die van Kaleb afstammen

42Kaleb, de broer van Jerachmeël, had twee zonen. De oudste zoon was Mesa. Van Mesa stammen de inwoners van Zif af. De andere zoon was Maresa. Van Maresa stammen de inwoners van Hebron af. 43De volgende mensen kwamen uit Hebron: Korach, Tappuach, Rekem en Sema. 44De zoon van Sema was Racham. Van Racham stammen de inwoners van Jorkoam af. De zoon van Rekem was Sammai. 45De zoon van Sammai was Maon. Van Maon stammen de inwoners van Bet-Sur af.

46De zonen van Kaleb en zijn bijvrouw Efa waren: Charan, Mosa en Gazez. De zoon van Charan was Gazez. 47De zonen van Jodai waren: Regem, Jotam, Gesan, Pelet, Efa en Saäf.

48De zonen van Kaleb en zijn bijvrouw Maächa waren: Seber, Tirchana, 49Saäf en Sewa. Van Saäf stammen de inwoners van Madmanna af. Van Sewa stammen de inwoners van Machbena en de inwoners van Gibea af. De dochter van Kaleb was Achsa.

50-55Nu volgen de namen van nog meer nakomelingen van Kaleb. De oudste zoon van Kaleb en zijn vrouw Efrat was Chur. De zonen van Chur waren: Sobal, Salma en Charef.

Van Sobal stammen de inwoners van Kirjat-Jearim af. En ook de inwoners van Haroë en de helft van de inwoners van Menuchot. De volgende families kwamen uit Kirjat-Jearim: de families Jeter, Put, Suma en Misra. Van de familie Misra stammen de inwoners van Sora en Estaol af.

Van Salma stammen de inwoners van Betlehem af. Verder de inwoners van Netofa en Atrot-Bet-Joab, de helft van de inwoners van Manachat en de Sorieten. Andere nakomelingen van Salma zijn de schrijvers uit de stad Jabes: de families Tira, Sima en Sucha. Ten slotte stammen van Salma nog de Kenieten uit Chammat af. Ook de Rechabieten komen uit Chammat.

Van Charef stammen de inwoners van Bet-Gader af.

3

De nakomelingen van David

De zonen die David kreeg in Hebron

31Nu volgen de namen van de zonen die David kreeg toen hij in Hebron woonde. De oudste zoon was Amnon. Zijn moeder was Achinoam uit Jizreël. De tweede zoon was Daniël. Zijn moeder was Abigaïl uit Karmel. 2De derde zoon was Absalom. Zijn moeder was Maächa en zijn grootvader was koning Talmai van Gesur. De vierde zoon was Adonia. Zijn moeder was Chaggit. 3De vijfde zoon was Sefatja. Zijn moeder was Abital. De zesde zoon was Jitream. Zijn moeder was Davids vrouw Egla.

4David kreeg dus zes zonen toen hij in Hebron woonde. Daar was hij zeven jaar en zes maanden koning.

De zonen die David kreeg in Jeruzalem

David regeerde 33 jaar vanuit Jeruzalem. 5Daar kregen hij en zijn vrouw Batsua, de dochter van Ammiël, vier zonen: Sima, Sobab, Natan en Salomo.

6-9David kreeg ook nog negen zonen van andere vrouwen. Die zonen waren: Jibchar, Elisama, Elifelet, Noga, Nefeg, Jafia, Elisama, Eljada en Elifelet. Verder kreeg David nog zonen bij zijn bijvrouwen. De dochter van David was Tamar.

De mensen die van Salomo afstammen

10De zoon van Salomo was Rechabeam. De zoon van Rechabeam was Abia. De zoon van Abia was Asa. De zoon van Asa was Josafat. 11De zoon van Josafat was Joram. De zoon van Joram was Achazja. De zoon van Achazja was Joas. 12De zoon van Joas was Amasja. De zoon van Amasja was Azarja. De zoon van Azarja was Jotam. 13De zoon van Jotam was Achaz. De zoon van Achaz was Hizkia. De zoon van Hizkia was Manasse. 14De zoon van Manasse was Amon. De zoon van Amon was Josia.

De mensen die van Josia afstammen

15De zonen van Josia waren: Jochanan, de oudste, en Jojakim, Sedekia en Sallum. 16De zonen van Jojakim waren: Jechonja en Sidkia. 17De zoon van Jechonja was Assir. De zonen van Assir waren: Sealtiël, 18Malkiram, Pedaja, Senassar, Jekamja, Hosama en Nedabja. 19De zonen van Pedaja waren: Zerubbabel en Simi. De zonen van Zerubbabel waren: Mesullam en Chananja. De dochter van Zerubbabel was Selomit. 20Zerubbabel had nog vijf zonen: Chasuba, Ohel, Berechja, Chasadja en Jusab-Chesed.

21De zonen van Chananja waren: Pelatja en Jesaja. De zoon van Jesaja was Refaja. De zoon van Refaja was Arnan. De zoon van Arnan was Obadja. De zoon van Obadja was Sechanja. 22De zoon van Sechanja was Semaja. Semaja had vijf zonen: Chattus, Jigal, Bariach, Nearja en Safat. 23Nearja had drie zonen: Eljoënai, Chizkia en Azrikam. 24Eljoënai had zeven zonen: Hodawja, Eljasib, Pelaja, Akkub, Jochanan, Delaja en Anani.

4

Andere nakomelingen van Juda

41Andere nakomelingen van Juda waren: Peres, Chesron, Karmi, Chur en Sobal.

De mensen die van Chur afstammen

2-4Nu volgen de namen van de nakomelingen van Chur. De zoon van Chur was Sobal. De zoon van Sobal was Reaja. De zoon van Reaja was Jachat. De zonen van Jachat waren: Achumai en Lahad. Van hen stammen de inwoners van Sora af.

Ook dit zijn nakomelingen van Chur: Jizreël, Jisma en Jidbas, en hun zus Hasselelponi. Van hun vader stammen de inwoners van Etam af.

Andere nakomelingen van Chur zijn: Penuel en Ezer. Van Penuel stammen de inwoners van Gedor af. Van Ezer stammen de inwoners van Chusa af.

Dat waren de nakomelingen van Chur, de oudste zoon van Kaleb en Efrat. Van Chur stammen de inwoners van Betlehem af.

De mensen die van Aschur afstammen

5Aschur had twee vrouwen: Chela en Naära. Van Aschur stammen de inwoners van Tekoa af.

6De zonen van Aschur en Naära waren: Achuzzam en Chefer. Van Aschur en Naära stammen ook de families van Temen en Achastar af. 7De zonen van Aschur en Chela waren: Seret, Jesochar en Etnan.

Andere mensen die van Juda afstammen

8Nu volgen de namen van andere nakomelingen van Juda.

De zonen van Kos waren: Anub en Hassobeba. De families van Acharchel, de zoon van Harum, stammen ook van Kos af.

9Jabes was belangrijker dan zijn broers. Zijn moeder had hem Jabes genoemd omdat ze veel pijn had bij zijn geboorte. 10Jabes vroeg in een gebed aan de God van Israël: ‘Wilt u mij rijk en gelukkig maken? Wilt u zorgen dat ik veel land krijg? En wilt u mij beschermen tegen ellende en pijn?’ God deed wat Jabes hem vroeg.

11Kelub, de broer van Sucha, had een zoon: Mechir. De zoon van Mechir was Eston. 12De zonen van Eston waren: Bet-Rafa, Paseach en Techinna. Die mannen woonden in Recha. Van Techinna stammen de inwoners van de stad Nachas af.

13De zonen van Kenaz waren: Otniël en Seraja. De zoon van Otniël was Chatat. 14De zoon van Meonotai was Ofra. De zoon van Seraja was Joab. Van Joab stammen de inwoners van Gai-Charasim af. Daar wonen allerlei vakmensen.

15De zoon van Jefunne was Kaleb. De zonen van Kaleb waren: Iru, Ela en Naäm. De zoon van Ela was Kenaz. 16De zonen van Jehallelel waren: Zif, Zifa, Tireja en Asarel.

17-18De zonen van Ezra waren: Jeter, Mered, Efer en Jalon. Mered trouwde met Bitja, een dochter van de farao. Bitja werd zwanger en kreeg drie kinderen: Mirjam, Sammai en Jisbach. Van Jisbach stammen de inwoners van Estemoa af.

Ezra trouwde ook met een vrouw uit Juda. Haar zonen waren: Jered, Cheber en Jekutiël. Van Jered stammen de inwoners van Gedor af. Van Cheber stammen de inwoners van Socho af. En van Jekutiël stammen de inwoners van Zanoach af.

19Hodia was getrouwd met de zus van Nacham. Van hen stammen de Garmieten af, die in Keïla wonen. Ook de Maächatieten stammen van hen af. Zij wonen in Estemoa.

20De zonen van Simon waren: Amnon, Rinna, Ben-Chanan en Tilon. De zonen van Jisi waren: Zochet en Ben-Zochet.

21De nakomelingen van Sela, de zoon van Juda, waren: Er en Lada. Van Er stammen de inwoners van Lecha af. Van Lada stammen de inwoners van Maresa af.

Ook de families die in Bet-Asbea wonen en linnen maken, stammen af van Sela. 22-23Verder stammen de inwoners van Kozeba van Sela af, en ook Jokim, Joas en Saraf. In oude boeken staat geschreven dat Joas en Saraf trouwden met vrouwen uit Moab. En dat ze daar ook gingen wonen. Ze woonden in Netaïm en Gedera, en ze waren pottenbakkers in dienst van de koning. Later kwamen ze weer terug naar Betlehem.

De nakomelingen van Simeon

De mensen die van Simeon afstammen

24De zonen van Simeon waren: Nemuel, Jamin, Jarib, Zerach en Saül. 25De zoon van Saül was Sallum. De zoon van Sallum was Mibsam. De zoon van Mibsam was Misma.

26Nu volgen de namen van de nakomelingen van Misma. De zoon van Misma was Chammuel. De zoon van Chammuel was Zakkur. De zoon van Zakkur was Simi. 27Simi had zestien zonen en zes dochters. De broers van Simi hadden niet veel kinderen.

In totaal had Simeon minder nakomelingen dan Juda. 28De nakomelingen van Simeon woonden in de steden Berseba, Molada, Chasar-Sual, 29Bilha, Esem, Tolad, 30Betuel, Chorma, Siklag, 31-38Bet-Hammarkabot, Chasar-Susim, Bet-Biri en Saäraïm, en in de dorpen eromheen. Ze woonden daar totdat David koning werd. Ze woonden ook nog in vijf andere steden en in de dorpen eromheen, in het gebied dat liep tot aan Baäl. Die steden waren: Etam, Aïn, Rimmon, Tochen en Asan.

In de familielijsten staan de namen van de leiders van de families: Mesobab, Jamlech, Josa, Joël en Jehu. Josa was een zoon van Amasja. Jehu was een zoon van Josibja. Josibja was een zoon van Seraja. Seraja was een zoon van Asiël. Verder staan in de familielijsten de namen van de volgende leiders: Eljoënai, Jaäkoba, Jesochaja, Asaja, Adiël, Jesimiël, Benaja en Ziza. Ziza was een zoon van Sifi. Sifi was een zoon van Allon. Allon was een zoon van Jedaja. Jedaja was een zoon van Simri. Simri was een zoon van Semaja.

De nakomelingen van Simeon zoeken land

De families van de nakomelingen van Simeon waren erg groot geworden. 39Ze zochten nieuwe stukken grond voor hun schapen en geiten. Daarom gingen ze naar de plaats Gedor. Vanuit Gedor gingen ze naar de oostkant van het dal. 40Daar vonden ze een groot gebied met vruchtbaar land, goed land voor hun schapen en geiten. De mensen die al in dat gebied woonden, waren nakomelingen van Cham. Ze leefden er rustig en in vrede.

41Maar de nakomelingen van Simeon veroverden dat gebied. Dat gebeurde in de tijd dat Hizkia koning was van Juda. Ze vernielden de tenten van de bewoners en ze maakten hun waterbronnen kapot. Ze jaagden de nakomelingen van Cham allemaal weg uit hun gebied. Toen gingen ze er zelf wonen, want het was goed land voor hun schapen en geiten. De nakomelingen van Cham zijn daar nooit meer teruggekomen.

42Vijfhonderd andere nakomelingen van Simeon gingen naar de Seïr-bergen. Hun leiders waren de zonen van Jisi: Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël. 43In de Seïr-bergen doodden ze de Amalekieten die daar nog woonden. Daarna gingen ze er zelf wonen, en ze wonen er nog steeds.