Bijbel in Gewone Taal (BGT)
28

Salomo wordt koning na David

David mag geen tempel bouwen

281Op een dag riep koning David alle leiders bij zich: de leiders van de stammen, de legerleiders en de hoogste ambtenaren. Iedereen in Israël die een belangrijke taak had, moest naar Jeruzalem komen.

2Toen iedereen bij elkaar was, ging David staan en zei: ‘Luister, mijn volk! Ik wilde graag zelf een tempel bouwen, een plaats voor onze God in Jeruzalem. Een plaats waar de heilige kist van de Heer voor altijd kan staan. Ik was zelfs al begonnen met de voorbereidingen. 3Maar toen zei God tegen mij: ‘Jij mag geen tempel voor mij bouwen. Want je hebt oorlogen gevoerd en mensen gedood.’’

Salomo zal de tempel bouwen

4David zei verder: ‘De Heer, de God van Israël, heeft mij en mijn nakomelingen uitgekozen om voor altijd koning van Israël te zijn. Eerst heeft hij Juda uitgekozen als de belangrijkste stam. Binnen die stam heeft hij de familie van mijn vader uitgekozen als de belangrijkste familie. En binnen die familie heeft hij mij uitgekozen om koning van Israël te zijn. 5De Heer heeft mij veel zonen gegeven. En uit al die zonen koos hij mijn zoon Salomo uit om de volgende koning van Israël te zijn.

6De Heer zei tegen mij: ‘Jouw zoon Salomo zal voor mij een tempel bouwen, met pleinen erbij. Hij zal voor mij een zoon zijn, en ik zal voor hem een vader zijn. 7Salomo heeft zich altijd precies gehouden aan mijn wetten en regels. Als hij dat blijft doen, zal ik ervoor zorgen dat er altijd één van zijn nakomelingen koning van Israël is.’

8Nu vraag ik jullie om een belofte te doen. Ik vraag dat waar alle Israëlieten bij zijn, en terwijl God het hoort. Beloof de Heer, jullie God, dat jullie je precies zullen houden aan zijn wetten. Dan zal dit goede land voor altijd van jullie en jullie nakomelingen zijn.

Salomo moet de Heer dienen

9En jij, mijn zoon Salomo, luister naar de God van je vader. Dien de Heer met je hele hart en met je hele ziel. Want hij weet wat mensen denken en willen. Als je de Heer zoekt, zal hij zorgen dat je hem vindt. Maar als je hem in de steek laat, dan zal hij jou ook in de steek laten, voor altijd. 10Bedenk dat de Heer wil dat jij zijn tempel bouwt. Wees niet bang, en ga aan het werk!’

De bouwtekening van de tempel

11Toen gaf David aan zijn zoon Salomo de tekeningen van de tempel. Hij liet zien waar alle ruimtes van de tempel moesten komen: de hal, de schatkamers, de zalen beneden en boven, en de allerheiligste zaal. 12David liet ook zien waar de tempelpleinen met de gebouwen eromheen moesten komen. En de schatkamers met de heilige voorwerpen en de geschenken voor de Heer.

13Verder vertelde David aan Salomo hoe de priesters en de Levieten in verschillende groepen in de tempel moesten werken. En hij vertelde wat hun taken waren. Ten slotte vertelde hij welke voorwerpen gebruikt moesten worden voor de dienst van de Heer.

De voorwerpen van goud en zilver

14David vertelde precies hoeveel goud en hoeveel zilver er voor de voorwerpen in de tempel gebruikt moest worden. Die voorwerpen waren: 15de verschillende gouden en zilveren kandelaars, en de lampen die daarbij hoorden, 16de gouden tafels voor het offerbrood en de zilveren tafels, 17de gouden vorken, schalen en kannen, en de kleine schaaltjes van zilver en goud. 18Ook vertelde David hoeveel zuiver goud Salomo moest gebruiken voor het wierookaltaar, en voor de wagen met de beelden van engelen die met hun vleugels de heilige kist bedekten.

19David zei: ‘De Heer heeft mij precies laten weten hoe alles gemaakt moet worden. Ik heb het voor je opgeschreven.’

Salomo krijgt hulp bij de tempelbouw

20Toen zei David tegen Salomo: ‘Mijn zoon, wees sterk en dapper, en ga aan het werk. Wees niet bang of zwak, want de Heer, mijn God, zal je helpen. Hij zal je steunen totdat al het werk aan de tempel klaar is. Hij zal je niet in de steek laten. 21De priesters en de Levieten zullen je helpen bij de dienst in de tempel. Vakmensen zullen je helpen bij het werk. En de leiders en het volk zullen alles doen wat je zegt.’