Bijbel in Gewone Taal (BGT)
24

De priesters worden in groepen verdeeld

241Ook de priesters, de nakomelingen van Aäron, werden in groepen verdeeld.

De zonen van Aäron waren: Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. 2Nadab en Abihu hadden geen zonen, en ze stierven eerder dan hun vader Aäron. Dus alleen Eleazar en Itamar werden priester.

3David verdeelde de priesters in groepen die om de beurt dienst moesten doen. Hij werd daarbij geholpen door Sadok en Achimelech. Sadok was een nakomeling van Eleazar, en Achimelech was een nakomeling van Itamar. 4De familie van Eleazar was groter dan de familie van Itamar. Daarom werd de familie van Eleazar verdeeld in zestien groepen, en de familie van Itamar in acht groepen.

De priesters loten om hun dienst

5Er werd geloot om te beslissen in welke volgorde de priesters dienst hadden. Tussen de twee families werd geen verschil gemaakt, want in beide families waren de priesters geschikt voor hun taak. 6Maar de familie van Eleazar was twee keer zo groot als de familie van Itamar. Daarom mochten er steeds twee priesters uit de familie van Eleazar het lot werpen, en één priester uit de familie van Itamar.

De schrijver Semaja, de zoon van de Leviet Netanel, schreef de namen op. Koning David en zijn raadgevers waren erbij, en ook de priesters Sadok en Achimelech, de zoon van Abjatar. En verder nog de leiders van de priesterfamilies en van de Levieten.

7De priesters hadden dienst in deze volgorde: eerst Jojarib, daarna Jedaja, 8Charim, Seorim, 9Malkia, Miamin, 10Hakkos, Abia, 11Jesua, Sechanja, 12Eljasib, Jakim, 13Chuppa, Jesebab, 14Bilga, Immer, 15Chezir, Happisses, 16Petachja, Jechezkel, 17Jachin, Gamul, 18Delaja, en als laatste Maäzja.

19In die volgorde moesten de priesters dienstdoen in de tempel. Daar moesten ze de Heer dienen volgens de regels van hun voorvader Aäron. Hij had die regels gemaakt in opdracht van de Heer, de God van Israël.

De andere Levieten loten ook

20Nu volgen de namen van de Levieten die geen priester waren: Subaël, de zoon van Amram, en zijn zoon Jechdejahu. 21Rechabja en zijn zoon Jissia, de leider van de familie. 22Selomot, de nakomeling van Jishar, en zijn zoon Jachat. 23Jeria, Amarja, Jachaziël en Jekamam, de zonen van Chebron. 24Micha, de zoon van Uzziël, en zijn zoon Samir. 25Jissia, de broer van Micha, en zijn zoon Zecharja. 26Machli en Musi, de zonen van Merari. 27Soham, Zakkur en Ibri, de zonen van Jaäziahu, een andere zoon van Merari. 28Elazar, de zoon van Machli, die zelf geen zonen had. 29Kis en zijn zoon Jerachmeël. 30En ten slotte Machli, Eder en Jerimot, de zonen van Musi.

Dat waren de families van de Levieten die geen priester waren. 31Ook zij moesten loten om te beslissen wanneer ze dienst hadden in de tempel. Net als de Levieten die priester waren. Niet alleen de families van de belangrijkste Levieten moesten meeloten, ook de andere families. Ook nu was koning David erbij, samen met Sadok en Achimelech, en met de leiders van de priesterfamilies en van de Levieten.

25

De taken van de zangers

251De Levieten die afstamden van Asaf, Heman en Jedutun hoefden van David en de leiders geen werk te doen in de tempel. Het was hun taak om te zingen voor de Heer, om hem te danken. Daarbij moesten ze muziek maken met harpen en andere instrumenten.

Nu volgen de namen van die zangers en muzikanten.

2De zonen van Asaf waren: Zakkur, Josef, Netanja en Asarela. Asaf was hun leider. De koning liet hem liederen zingen om de Heer te danken.

3De zonen van Jedutun waren: Gedalja, Seri, Jesaja, Chasabja en Mattitja. Jedutun was hun leider. Hij speelde op de harp en zong voor de Heer, om hem te eren en te danken.

4De zonen van Heman waren: Bukkiahu, Mattanja, Uzziël, Sebuel, Jerimot, Chananja, Chanani, Eliata, Giddalti, Romamti-Ezer, Josbekasa, Malloti, Hotir en Machaziot. 5God had Heman veertien zonen en drie dochters gegeven. Heman was de profeet van koning David. Hij legde de woorden van God uit.

6Als Asaf, Jedutun en Heman in de tempel zongen voor de Heer, maakten hun zonen daarbij muziek op harpen en andere instrumenten. Dat was een opdracht van de koning.

De zangers loten om hun dienst

7Er waren ook andere Levieten die geleerd hadden om te zingen voor de Heer. In totaal waren er 288 zangers. 8Er werd geloot om te beslissen wanneer iemand dienst had in de tempel. Het maakte niet uit hoe oud hij was, en hoeveel ervaring hij had. 9-31De zangers werden per familie in groepen verdeeld. Er waren 24 groepen van twaalf zangers. Iedere groep kreeg de naam van de leider van de familie.

De groepen hadden in deze volgorde dienst: eerst Josef, de zoon van Asaf, en daarna Gedalja, Zakkur, Jisri, Netanja, Bukkiahu, Jesarela, Jesaja, Mattanja, Simi, Azarel, Chasabja, Subaël, Mattitja, Jeremot, Chananja, Josbekasa, Chanani, Malloti, Eliata, Hotir, Giddalti, Machaziot, en als laatste Romamti-Ezer.

26

De bewakers van de tempelpoorten

261Ook de bewakers van de tempelpoorten werden in groepen verdeeld.

De eerste groep was de familie van Meselemja, de zoon van Kore, uit de familie van Asaf. Die familie stamde af van Korach. 2De zonen van Meselemja waren: Zecharja, de oudste, en Jediaël, Zebadja, Jatniël, 3Elam, Jochanan en Eljoënai. 4-9Meselemja had achttien dappere zonen en broers.

De tweede groep was de familie van Obed-Edom. God had Obed-Edom veel kinderen gegeven. De zonen van Obed-Edom waren: Semaja, de oudste, en Jozabad, Joach, Sachar, Netanel, Ammiël, Issachar en Peülletai. De zonen van Semaja waren: Otni, Refaël, Obed en Elzabad. Ze waren allemaal leiders van hun familie. De mensen hadden respect voor hen, want het waren dappere soldaten. Ook Elihu en Semachjahu, familieleden van Obed-Edom, waren dappere mannen. Alle 62 nakomelingen van Obed-Edom waren dapper en goed in hun werk.

10-11De derde groep was de familie van Chosa, een nakomeling van Merari. Hij had dertien zonen en broers. De zonen van Chosa waren: Simri, de belangrijkste, en Chilkia, Tebaljahu en Zecharja. Chosa koos Simri uit als leider van de familie, ook al was hij niet de oudste zoon.

De bewakers loten om hun dienst

12De bewakers van de tempelpoorten waren dus in groepen verdeeld. Net als de andere Levieten hadden ze om de beurt dienst bij de tempel. Elke groep werd geleid door een leider van de familie. 13Er werd geloot om te beslissen welke leider bij welke poort dienst had. Daarbij maakte het niet uit hoe oud een leider was.

14Meselemja moest de oostelijke poort bewaken, en zijn zoon Zecharja de noordelijke poort. Zecharja was een wijze raadgever. 15Obed-Edom moest de zuidelijke poort bewaken. Zijn zonen bewaakten de gebouwen waarin de voorraden bewaard werden. 16-17Suppim en Chosa moesten de westelijke poort bewaken, en ook de Sallechet-poort, aan het eind van de straat die omhooggaat.

Elke dag waren de diensten op dezelfde manier verdeeld. Er stonden zes bewakers aan de oostkant, vier aan de noordkant en vier aan de zuidkant. Verder stonden er twee bewakers bij elk van de gebouwen waarin de voorraden bewaard werden. 18En er stonden zes bewakers aan de westkant: vier bij de straat en twee bij de zuilenhal.

19Dat waren de groepen die de tempelpoorten moesten bewaken. Het waren nakomelingen van Korach en van Merari.

De bewakers van de schatten in de tempel

20Verder waren er nog Levieten met andere taken.

Achia moest de schatten in de tempel bewaken, 21-22samen met Zetam en Joël, de zonen van Jechiël. Jechiël, uit de familie van Ladan, was een nakomeling van Gerson. Alle leiders van de familie van Ladan stamden van Jechiël af.

23Nu volgen de taken van de nakomelingen van Amram, Jishar, Chebron en Uzziël.

24Sebuel had de leiding over alle bewakers van de schatten in de tempel. Hij was een nakomeling van Gersom, de zoon van Mozes.

25-28Selomit en zijn familieleden bewaakten de schatkamers waarin de geschenken voor de Heer bewaard werden. Daar lagen geschenken die uit oorlogen meegenomen waren door koning David, de legerleiders en de leiders van de families. Die geschenken waren bedoeld voor de tempel. Er lagen ook geschenken van de profeet Samuel, van koning Saul, de zoon van Kis, van Abner, de zoon van Ner, van Joab, de zoon van Seruja, en van veel andere belangrijke mensen.

Selomit was familie van Sebuel. Hij was een zoon van Zichri. Zichri was een zoon van Joram. Joram was een zoon van Jesaja. Jesaja was een zoon van Rechabja. Rechabja was een zoon van Eliëzer.

De rechters en bestuurders

29Kenanja en zijn zonen waren ambtenaren en rechters in steden buiten Jeruzalem. Ze waren nakomelingen van Jishar.

30Chasabja en zijn familieleden, 1700 belangrijke mannen, moesten het gebied ten westen van de Jordaan besturen. Dat deden ze in dienst van de Heer en in dienst van de koning. Chasabja en zijn familieleden waren nakomelingen van Chebron.

31-32Jeria, de leider van de familie van Chebron, had 2700 familieleden. Dat waren belangrijke mannen, en leiders van hun families. Zij moesten het gebied ten oosten van de Jordaan besturen. Dat deden ze in dienst van de Heer en in dienst van de koning.

Toen David veertig jaar koning was, liet hij onderzoek doen naar de nakomelingen van Chebron. Hij ontdekte dat er dappere soldaten van die familie woonden in Jazer, in het gebied Gilead.