Wat is een aalmoes nog waard?

In de NBV21 geven we geen aalmoezen meer, maar ‘giften uit barmhartigheid’. Een begrijpelijker term, die toch nog de nodige vragen oproept. Wat heeft ‘barmhartigheid’ ons in deze tijd te zeggen? Vandaag deel twee in deze serie: Wat is een ‘aalmoes’ nog waard?

Door Petra Schipper

December, winter, Sinterklaas, Kerst– de ideale periode voor allerlei liefdadigheidsacties. De Warmste Week, kerstmaaltijden voor daklozen, adventscampagnes in kerken en op scholen, kraampjes van goede-doelen-verenigingen op kerst- en wintermarkten, crowdfundings … In deze sfeervolle tijden willen we nog wel ’s met onze hand over ons hart strijken en met een paar euro’s denken aan de ‘minderbedeelde medemens’ of de ‘kwetsbare medeburger’. We zijn de slechtste niet. Velen van ons hebben de behoefte om te helpen, dat is ook maar weer gebleken bij de dramatische overstromingen eerder dit jaar.

Strijkstokken en doekjes voor het bloeden

In nuchterder tijden klinkt er dan weer veel wantrouwen naar goede-doelen-organisaties, over ‘aan de strijkstok blijven hangen’ en ‘niet terechtkomen waar het moet’. Terechte punten van kritiek voor helaas wel degelijk bestaande misstanden hier en daar.

Wat zijn onze aalmoezen dan nog waard? Om nog maar te zwijgen van wat kleingeld in de handen van een bedelaar aan een treinstation, want ‘wie garandeert mij dat die er geen drank van koopt?’

Aalmoes is een oud woord met inmiddels een negatieve lading. Onze onmacht klinkt erin door. Ons terechte verzet tegen doekjes voor het bloeden en druppels op gloeiende platen ook. Maar niéts meer wegschenken is toch ook niet de oplossing?

De ander liefhebben

Geven om en aan mensen in armoede is een universele opdracht in vele godsdiensten. In de Bijbel is er veel rond te doen, het is zelfs niets minder dan een toetssteen voor werkelijk geloof. ‘Als een broeder of zuster nauwelijks kleren heeft en elke dag eten tekortkomt, en een van u zegt dan: “Het ga je goed! Kleed je warm en eet smakelijk!” zonder de ander te voorzien van de eerste levensbehoeften – wat heeft dat voor zin?’ (Jakobus 2:15-16) Als je God liefhebt, kun je je hart en handen niet gesloten houden voor je naaste. Want je hebt God lief in de persoon van je naaste, en je wordt zelf naaste door lief te hebben wie op je weg komt. Geen kleine opgave. Of beter gezegd: het is een fundamenteel gegeven in ons bestaan. We zijn mens door medemens te zijn, door medemensen te ontmoeten. Dat basisgegeven, dat grote woord liefhebben, wordt tegelijk onvermijdelijk concreet in praktische hulp. Zieken en gevangenen bezoeken, naakten kleden, hongerigen voeden, afstaan van wat je hebt, durven afwijken van je godsdienstige principes wanneer die mens op je pad nood heeft. En daar niet prat op gaan, geen eigenbelang zoeken en al helemaal niet je verheffen. Want je hebt de ander lief die ‘is zoals jij’. Zelfs als die je vijand is. God laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

Aalmoezen armzalig?

Toch aalmoezen dus? Maar wat zijn dat eigenlijk, hoe is het bedoeld? Het woord aalmoes komt van eleimon, het oude Griekse woord voor ‘medelijden’, ‘barmhartigheid’. Een aalmoezenier (een rooms-katholieke en ook wel protestantse functie) is oorspronkelijk iemand die de bedeling van aalmoezen beheert, een diaken/penningmeester dus. Iets goeds, nietwaar? Maar hoe vermijden wij mensen van de 21ste eeuw dan de negatieve lading die er ook aan kleeft? Als ik het woord aalmoes hoor, denk ik aan dat kleingeld dat uit de hoogte in de handen van een bedelaar belandt en dat meer een armzalige manier is om mijn onmacht af te kopen dan werkelijke hulp voor die mens. Of aan die gift die ik dan toch maar stort voor een goed doel, zonder me daar verder veel mee bezig te houden. Waar zit dan mijn barmhartigheid?

Gelijkwaardig en verbonden

Barmhartigheid is in de Bijbel bijna synoniem met rechtvaardigheid (en vice versa!). In het jodendom, vanuit wat wij het Eerste of Oude Testament noemen, heet de plicht om te geven tsedaka: letterlijk rechtvaardigheid. Niet meer dan billijk dus. Systemische herverdeling van rijkdom, door drastische maatregelen zoals jubeljaar en kwijtschelding van schulden. Besef dat elk bezit verantwoordelijkheid met zich meebrengt, en dat elke mens in armoede ons herinnert aan ons mens-zijn. Dat raakt ons tot op het bot, daar zijn we helemaal in betrokken. Niet uit schuldgevoel, maar uit verbondenheid als gelijkwaardige schepselen van God. Ik mag die dakloze op mijn weg dankbaar zijn dat hij alleen al door daar te zijn een appel doet op mijn menselijkheid. Dat hij van mijn armzalige onmachtige aalmoesachtige euro en glimlach een aalmoes-teken van barmhartigheid maakt door mijn hart te raken. Elke keer? Gaat het altijd goed? Geen idee. Laten we doen wat onze hand vindt om te doen, ieder naar eigen vermogen en in blijdschap.

Petra Schipper
Protestants diaconaal predikant in Antwerpen

Dit bericht is geplaatst op woensdag 15 december 2021