VU-symposium over vertaalkritiek: Een debat over het debat

M.C. Berends

De tijd was er rijp voor: een jaar nadat de eerste proeve van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) onder de titel Werk in uitvoering verscheen, zijn alle commentaren erop geïnventariseerd en kon een eerste reactie gegeven worden.

Op 19 november 1999 organiseerde de Leerstoel Bijbelvertalen aan de Vrije Universiteit samen met het project Nieuwe Bijbelvertaling een symposium onder de titel Vertaalkritiek tussen ideologie en wetenschap.

Zo’n 170 mensen kwamen naar de bijeenkomst in Amsterdam. Prof.dr. L.J. de Vries, hoogleraar bijbelvertalen aan de VU, kondigde het symposium aan met: wij gaan debatteren over het debat.

Wat voor reacties heeft de NBV opgeroepen in de pers en bij individuele brievenschrijvers? Moeten alle reacties even zwaar gewogen worden? Prof.dr. A.B.M. Naaijkens hield een voordracht over Kritiek vanuit vertaalwetenschappelijk perspectief. Vertalingen roepen altijd kritiek op, stelde hij, omdat vertalingen altijd gebaseerd zijn op een interpretatie van de brontekst. Hij behandelde patronen die men kan onderscheiden binnen deze vertaalkritiek. Naaijkens is coördinator van de specialisatie Vertalen van de Rijksuniversiteit Utrecht en bijzonder hoogleraar Theorie en praktijk van het literair vertalen aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

Daarna sprak prof.dr. H.J. de Jonge over Kritiek vanuit theologisch perspectief. Ook hij meent dat veel critici geen rekening houden met de vertaalregels die aan het project NBV ten grondslag liggen. Hun kritiek vloeit veelal voort uit vooronderstellingen over wat de bijbel volgens hen is of zou moeten zijn. De Jonge is hoogleraar Nieuwe Testament en vroegchristelijke letterkunde aan de Universiteit Leiden. Hij heeft overigens geen directe band met de NBV, in tegenstelling tot Naaijkens die lid is van de begeleidingscommissie van de NBV. Een weerslag van beide voordrachten wordt in dit nummer van Met Andere Woorden afgedrukt.

Na afloop van de lezingen vond een forumdiscussie plaats. In het forum zaten behalve bovengenoemde sprekers prof.dr. P.C. Beentjes, vice-voorzitter van de begeleidingscommissie van de NBV, mw. drs. J.H.A. Brinkhof, theologe, en mw. dr. J.E. de Vries, bijbelwetenschapper en pastor. Verschillende vragen uit de zaal werden besproken. Bijvoorbeeld: ‘Waarom kennen literaire vertalingen het begrip “concordantie” niet en bijbelvertalingen wel?’ Beentjes : ‘Men ziet graag een eenheid in de canon en in Gods openbaring. De boeken zijn weliswaar in verschillende tijden en plaatsen ontstaan, maar door middel van het gebruik van concordantie willen sommigen benadrukken dat de bijbel van kaft tot kaft Gods woord is.’

‘De NBV is in zulk gewoon Nederlands geschreven. Kan het niet wat mooier? Beentjes: ‘Een boek als Handelingen is een voortkabbelend verhaal, zonder veel magie. In het Nederlands is het taalgebruik in zo’n geval gelijkwaardig.’

Natuurlijk kwam ook de vertaling van de Godsnaam ter sprake. De Vries: ‘We weten niet wat de Hebreeuwse Godsnaam betekent. Vertalen met “Heer” is dus even goed een speculatie als vertalen met “Eeuwige” enzovoort. De pas later toegevoegde lezing leidt traditioneel tot “Heer”, maar moeten wij een dergelijke late optie, die men tóen geschikt achtte, zomaar overnemen?’ Beentjes en De Jonge geven aan dat “Heer” – als daarvoor gekozen zou worden – een verlegenheidsoplossing zou zijn, maar wel een die dicht bij de brontekst staat en oude getuigen heeft.


Mw. M.C. Berends was tot voor kort werkzaam bij het Nederlands Bijbelgenootschap en is freelance journalist.


Bronvermelding

M.C. Berends, ‘VU-symposium over vertaalkritiek. Een debat over het debat’ in: Met Andere Woorden 19/1 (2000), 2-4.