Vluchtelingen in de Bijbel: Israël

Ontheemd zijn als basis van mens-zijn buiten de tuin. Zo begon het bij Adam en Eva. Ook voor het volk Israël is dit een terugkerende ervaring. Door de tijd heen treft de ontheemding steeds weer nieuwe groepen en nieuwe generaties.

Twee gebeurtenissen torenen daarbij hoog boven alle andere uit: de uittocht uit Egypte en de ballingschap in Babylonië. Als twee pijlers staan ze aan de randen van de bijbelse geschiedenis. Ze werpen hun schaduw – of hun licht – op alles wat Israël ervoor, erna en in de tussentijd meemaakt.
 
Om hun rol voor de bijbelse geschiedschrijving goed te begrijpen, moeten we bij de meest recente gebeurtenis beginnen: de ballingschap, die begint wanneer de Babyloniërs in 586 voor Christus Jeruzalem, de tempel en grote delen van Juda met de grond gelijk maken. Duizenden inwoners worden weggeleid naar Babylonië, om daar het land van de Babylonische koning te bewerken.
 
Het is een bijzondere groep die in Babylonië bij elkaar zit. Niet omdat zij weggerukt zijn uit hun thuisland – dat overkwam en overkomt wel meer volken. Maar omdat het hen lukt om iets van hun eigenheid vast te houden. Priesters zoals Ezechiël horen hierbij, en profeten die in de voetstappen van Jesaja straf en vergeving verkondigen. ‘Hoe heeft het zo ver kunnen komen?’, vragen ze zich af. ‘Hoe moeten we ons gedragen, hier, in dat vreemde land?’ En vooral: ‘Komen we ooit nog thuis?’
 
De uittocht uit Egypte wordt het paradigma waaraan deze generatie zich vasthoudt. Ze weten: het is niet de eerste keer dat we in een vreemd land zitten. Ze vestigen hun hoop op de God die hun ontheemde voorouders naar een land leidde dat voor altijd van hen zou zijn. De oude beelden krijgen nieuwe betekenis, zodat een profeet aan de rivieren van Babel over de God van Israël kan zeggen:
 
Hij voert zijn volk door de woestijn,
ze zullen geen dorst lijden;
hij laat water voor hen stromen uit de rots,
hij klieft een rots en het water gutst eruit.
(Jesaja 48:21, Nieuwe Bijbelvertaling)
 
Een halve eeuw later keren de ballingen druppelsgewijs terug om Jeruzalem te herbouwen. Ze willen weer in het land wonen dat God aan hun voorouders had beloofd, op een plek die ze ‘thuis’ kunnen noemen. Maar ballingschap zit hen in het bloed. En het zit in de verhalen die ze aan hun kinderen vertellen. Het is in deze tijd dat veel teksten van het Oude Testament hun definitieve vorm krijgen. Vanuit het perspectief van de ballingschap worden oude beloftes opnieuw tegen het licht gehouden. Geen onvoorwaardelijke toezeggingen meer. In plaats daarvan klinkt steeds weer ‘als’ en als vervolg daarop ‘dan’: ‘als jullie je aan mijn geboden houden, dan mogen jullie in het land blijven wonen’ (Deuteronomium 30:15-20, Jozua 24:13-24; Psalm 89).

Israëls grote helden – Abraham, Jakob, Mozes, David – delen de ervaring van het vluchten, het vreemdeling-zijn. Het zijn deze mannen (en hun vrouwen) waarmee Israël zich identificeert. Het zijn geen onverstoorbare halfgoden, zoals wij onze helden graag zien. Het zijn echte mensen, die net als ieder ander ervaren dat je niets in het leven voor altijd kunt vasthouden.
 
De ervaring van nooit definitief kunnen wortelen zit zo diep dat Israël haar als geloofsbelijdenis aan zichzelf oplegt: ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër.’ Die woorden moet iedere Israëliet bij het altaar uitspreken, op het moment dat de oogst is binnengehaald (Deuteronomium 26:5). Genieten van alles dat het land te bieden heeft, gaat altijd gepaard met het besef dat je misschien morgen alles al weer moet achterlaten.

Deze blog is onderdeel van een serie blogs over vluchtelingen in de Bijbel. Lees hier de blog over Adam en EvaHagar en Jakob.

Anne-Mareike Schol-Wetter is oudtestamenticus. Als hoofd Bijbelgebruik is zij onder andere betrokken bij debijbel.nl, het kinderblad Alef en de ontwikkeling van nieuwe uitgaven.

Dit bericht is geplaatst op zondag 29 juli 2018