Veertig dagen wildernis

Door Jo Jan Vandenheede

Forty days and forty nights
you were fasting in the wild;
forty days and forty nights
tempted and yet undefiled.

(G.H. Smyttan, 1856)

Na 40 dagen en nachten verschijnt Jezus uit de wildernis. Verzocht, verleid, maar niet bedrogen. Zondeloze overwinnaar.

Hooggespannen verwachtingen

Maar ook een God-mens komt niet onbeschadigd, ongehavend uit zo’n ervaring. Want zo’n ervaring breekt je, lichamelijk, mentaal en spiritueel. Het breekt je zodat God je opnieuw kan opbouwen, terug in elkaar kan zetten, beter, sterker, perfecter misschien.

Dat is althans de verwachting van mensen wanneer ze zich aan zo’n intense vasten of boetedoening onderwerpen. Of is het de valse hoop die we onszelf voorspiegelen, onder het mom van heiligheid en deugd?

Wat is de reden, de échte reden, om in de wildernis te gaan? Laat ons een kat een kat noemen, als we onszelf of anderen dit opleggen, moet er wel een verdraaid goede reden voor zijn! Want wat gebeurt er als de opbouw, het terug, en beter, in elkaar zetten, op zich laat wachten of helemaal niet gebeurt?

Wie of wat willen we in de wildernis tegenkomen? Weten we waar we aan beginnen of wat we van anderen eisen? Wie sturen we de wildernis in en waarom?

Mijn wil, uw wil

Sta me toe je mee te nemen in het volgende stukje literatuur, enkele momentopnames:

Ik lag in een kleine grot, uit de bijtende wind, en ik trok mijn gewaad dicht om me heen. De dorst was weg. De honger was weg.

Ik keek naar buiten, buiten de grot, naar de sterren.

En schitterend in hun densiteit waren de momenten van pijn, van verlies, van angst, van plotse spijt, van verdriet, van ongemakkelijke en getormenteerde verwondering.

Pijn, zoals de sterren zelf, op elk moment met een eigen oneindig kleine vorm en grootte. Al deze herinneringen trokken zich rond mij samen, als een groot kledingstuk dat zich rond me wikkelde, rond en over en onder tot het mij zoals mijn huid volledig omhulde.

Ik huilde hardop. Ik wil. O Vader in de hemel, ik strek handen van vlees en bloed naar U uit. Ik verlang naar U in uw volmaaktheid met dit onvolmaakte hart. Ik strek naar U uit wat voor mijn eigen ogen aan het vergaan is en ik staar naar uw sterren vanuit de gevangenis van dit lichaam, maar dit is niet mijn gevangenis, dit is mijn Wil. Dit is uw Wil.

De ochtend kwam.
En de ochtend kwam opnieuw en opnieuw.
Ik lag in een hoopje en het zand waaide over me.
En de stem van de Heer was niet in de wind; en zij was niet in het zand; en zij was niet in de zon; en zij was niet in de sterren.
Ze was in mij.

Veertig dagen en veertig nachten.

Uit: A. Rice, Christ the Lord: The Road to Cana. Eigen vertaling

Wie of wat komen we in de wildernis tegen en wat gebeurt er daarna? Als de honger en dorst weg zijn, wat dan? In het verhaal hierboven beseft Jezus wie Hij is en geeft Hij eindelijk luidop toe aan dat besef. Dan komt de satan Hem verleiden, en de satan stelt Rice voor als zijn spiegelbeeld, een exacte kopie.

We zijn met andere woorden onze eigen grootste tegenstander. En die van anderen. De verwachtingen zijn gespannen. De teleurstelling is groot. Gedoemd om te mislukken en dat is niet heilig of vroom of goed.

Vasten

Vasten draait niet om wat we in die periode weglaten of uit ons leven bannen: de chocolade, de drank, de TV, etc. De veertigdagentijd gaat niet om wat we in die periode willen bereiken: meer in of over de Bijbel lezen, meer bidden, meer aan goede doelen geven, enzovoort. Hoe betekenisvol die symbolische daden voor het individu ook kunnen zijn.

Maar het doel van de wildernis moet grootser, de ambitie moet groter durven zijn. De wildernis is waar God wacht, waar ons ego wacht en waar onze medemens wacht, want die is ook in de wildernis, een eigen wildernis. De wildernis is heel individueel maar ook heel gemeenschappelijk. Zelfs de heremieten uit de Vroege Kerk hebben dat zo ervaren, want als eentje de afzondering introk, volgde algauw een reeks anderen.

Mens-zijn

Covid is onze wildernis gebleken; theologen en predikanten zullen hier nog jaren op kunnen teren, zich over kunnen verlekkeren.

Mijn vrees – en ik durf het bijna met zekerheid te voorspellen – is dat op het einde van deze virale rit, deze epidemiologische achtbaan, we twee groepen mensen zullen herkennen: een groep die erdoor gekomen is, die er zich doorgeworsteld heeft; en een groep die is achtergebleven, alle inspanningen ten spijt, meer nog, een groep die we hebben achtergelaten. Financieel, structureel, mentaal, digitaal en ga zo maar door.

De wildernis door naar de opstanding. Daar draait het uiteindelijk om, niet om de zelfkastijding en de hemelse bonuspunten, maar om het mens-zijn. Het grootste probleem, vond Luther, is dat we God niet God laten zijn. Vandaar dat het eerste gebod met de andere geboden vooraan in de Catechismus staat. God moet God zijn en de mens moet dus mens zijn, en zichzelf in volledige mensheid ontmoeten, herkennen en erkennen. Zichzelf, en de ander ook.

Forty days and forty nights
you were fasting in the wild;
forty days and forty nights
tempted and yet undefiled.

Burning heat throughout the day,
bitter cold when light had fled;
prowling beasts around your way,
stones your pillow, earth your bed.

Shall not we your trials share,
learn your discipline of will;
and with you by fast and prayer
wrestle with the powers of hell?

So if Satan, pressing hard,
soul and body would destroy:
Christ who conquered, be our guard;
give to us the victor’s joy.

Saviour, may we hear your voice
keep us constant at your side;
and with you we shall rejoice
at the eternal Eastertide.

(G.H. Smyttan, 1856)

Jo Jan Vandenheede is luthers predikant en theoloog, en secretaris van Centraal Comité van de Anglicaanse Eredienst in België.

Dit bericht is geplaatst op woensdag 17 februari 2021