Ontwikkeling van Bijbelvertaalwerk

J.J. Capelleveen in gesprek met dr. Charles R. Taber

Met Andere Woorden 3/1

In 1969 publiceerden dr. Eugene A. Nida en Charles R. Taber hun boek: ‘The: Theory and Practice of Translation’. Het geeft een praktische uiteenzetting over de toen geheel nieuwe dynamisch-equivalente vertaalmethode. Het werd het verplichte studieboek voor bijbelvertalers. 

Nida ging voort met het publiceren van boeken over bijbelvertalen. Van Taber werd weinig meer gehoord. Hij ontwikkelde zich in een andere richting, als missioloog. 

Nu heeft hij een sabbatsjaar. Amerikaanse hoogleraren krijgen op gezette tijden een jaar studieverlof voor een specifiek onderzoek, of om in de praktijk bepaalde ideeën te testen. Op verzoek van de Wereldbond van Bijbelgenootschappen gebruikt Taber dat studieverlof om Krijn van der Jagt in Kameroen werk uit handen te nemen, en tegelijkertijd een onderzoek te doen naar de plaats van de bijbel in het Afrikaanse kerkelijke leven. 

Van der Jagt werkt nu al weer drie jaar in dat land. Hij is verantwoordelijk voor de vertaalprojecten die door de bijbelgenootschappen wetenschappelijk begeleid worden in Kameroen, Tsjaad en Gabon. Dat zijn er 29. Voor een optimale begeleiding zouden dat er eigenlijk niet meer dan tien, of hooguit vijftien moeten zijn. 

Er is evenwel een groot tekort aan mensen die zowel theologisch als taalkundig voldoende geschoold zijn. Daarom was het voor Krijn van der Jagt een uitkomst dat Taber hem wilde komen helpen, al was het maar voor één jaar. 

Van oudsher werd het vertalen van de bijbel gedaan door blanken. Vaak waren dat zendelingen. Maar in de gebieden waar de Nederlandse zendingen actief waren geschiedde het werk door taalkundigen die op kosten van het Nederlands Bijbelgenootschap waren opgeleid en door dat NBG waren uitgezonden. 

Deze taalkundigen vestigden zich in een bepaald gebied, leerden de taal, ontwierpen een grammatica, stelden een woordenboek samen en vertaalden uiteindelijk de bijbel. Ze zagen dat als hun levenstaak en de meesten zijn dan ook tot hun dood op hun post gebleven. 

Zo’n taalkundige kwam in de jaren veertig ook in dienst van het Amerikaans Bijbelgenootschap: dr. Eugene Nida. Hij ontwikkelde zich niet alleen als een begaafd vertaler, maar groeide ook uit tot een vraagbaak voor andere vertalers. In hun werk stuitten zij op allerlei problemen. Ze vroegen dan vaak advies aan Nida. Het gevolg was dat hij zich in de jaren vijftig steeds meer ging verdiepen in allerlei vertaalproblemen. 

Maar juist in die periode voltrokken zich tal van ontwikkelingen. In Latijns-Amerika groeide een behoefte aan een eigentijdse Spaanse bijbelvertaling die gelezen kon worden door mensen met maar weinig schoolopleiding. 

In Afrika en Azië ontstonden zelfstandige staten die Engels als nationale taal kozen. Maar al snel bleek dat alle Engelse bijbelvertalingen voer die mensen te moeilijk waren. Er moest een veel eenvoudiger vertaling komen voor die jonge staten waar Engels de tweede taal was voor velen. 

Nida was bij beide vertaalprojecten nauw betrokken.  

Maar tegelijkertijd kwam aan hogescholen en universiteiten de taalkunde in een stroomversnelling. 

Nida volgde die ontwikkelingen met interesse en ging steeds meer de groeiende taalkundige inzichten overbrengen naar de praktijk van het bijbelvertalen. 

Vooral in het begin van de jaren zestig verscheen het ene boek na het andere waarin deze inzichten verder werden uitgewerkt. Tegelijkertijd konden heel veel van die inzichten in de praktijk getoetst worden bij de Spaanse en Engelse vertaalprojecten. Taber vertelde mij dat zij fungeerden als laboratoria. 

Allang ging het er daarbij niet meer om de bijbel te vertalen in de dagelijkse omgangstaal van de mensen, maar ook om het toepassen van de nieuwste taalkundige inzichten die bezig waren wortel te schieten. 

In 1966 verscheen zowel het nieuwe testament in de Spaanse als in de Engelse omgangstaal. In dat jaar kwamen ook bijbelvertalers, zowel theologen als taalkundigen, bijeen voor een evaluatie van hun werk en voor een discussie over de tot dan toe ontwikkelde vertaalmethode. Een vrucht daarvan was het boek van Nida en Taber ‘The Theory and Practice of Translation’. 

Tot ongeveer dat moment was Charles Taber nauw betrokken bij het vertaalwerk van de bijbelgenootschappen en bij het helpen ontwikkelen van de nieuwe vertaalmethode. Maar een andere taak wachtte hem. Hij ging missiologie doceren. 

Nu, bijna twintig: jaar later is hij opnieuw betrokken bij het vertaalwerk en ik vroeg hem hoe hij nu aankijkt tegen die methode en vooral tegen de ontwikkelingen die zich ondertussen hebben voltrokken. 

Want tussen toen en nu is er nogal wat gebeurd. Het nieuwe testament in de Spaanse omgangstaal trok in de kortst mogelijke tijd in Latijns Amerika de aandacht van rooms-katholieken. Zij hadden zich altijd fel gekeerd tegen de oude protestantse Spaanse vertaling. Priesters verboden hun parochianen die vertaling te lezen. Maar bisschoppen begonnen hun kerkleden op te roepen deze nieuwe vertaling wel te lezen en ze vroegen de bijbelgenootschappen of ze betrokken konden worden bij de soortgelijke vertaling van het oude testament. 

Het Engelse ‘Good News for Modern Man’ werd wel aardig verkocht in Afrika en Azië, maar de meeste christenen daar gaven toch een voorkeur aan de bijbel in hun stamtalen. De echte grote verkoop van dat nieuwe testament vond tot verbazing van iedereen plaats in Amerika en al spoedig ook in Groot Brittannië, Australië en Nieuw-Zeeland. 

De met hoge verwachtingen uitgegeven New English Bible slaagde er niet in een groot publiek te trekken. Maar Collins verkocht ‘Good News for Modern Man’ bij de tienduizenden. En de Good News Bible die tegen het einde van de jaren zeventig werd uitgegeven slaat nu in Groot Brittannië alle andere vertalingen wat jaarlijkse verkoop betreft. 

Inmiddels veranderde in Amerika de kerkelijke situatie totaal, vertelde Taber me. Ken Taylor publiceerde daar de ‘Living Bible’. Een uitgave die gekenmerkt wordt door een idiomatisch gebruik van het Engels, gecombineerd met het typische ‘jargon’ van de evangelische christenen in Amerika. 

De uitgever slaagde erin Billy Graham te interesseren voor deze bijbel. Het gevolg was dat de ‘evangelicals’ voor een belangrijk deel overstapten van de King James Version naar deze Living Bible. Tegelijkertijd groeide er in de Verenigde Staten een sterke polarisatie tussen ‘evangelisch’ en ‘oecumenisch gezinden’. 

Daar kwam bij dat die ‘evangelisch gezinden’ die toch de ‘Living Bible’ te parafraserend vonden een nieuwe vertaling maakten die door de New York Bible Society (een vooral door conservatieve ‘evangelicals’ gesteunde organisatie) uitgegeven werd onder de naam ‘New International Version’. 

Aangezien Amerikaanse evangelicals volgens dr. Taber geneigd zijn wat meer aandacht te schenken aan wie de bijbel vertaalt dan hoe de bijbel vertaald is, veroverde deze vertaling zich een geheel eigen plaats naast de ‘Living Bible’ onder evangelicals. 

Het gevolg was dat de ‘Good News Bible’ in de Verenigde Staten veel minder de aandacht trok dan het nieuwe testament in omgangstaal, ‘Good News for Modern Man’. 

In Engeland, Australië en Nieuw-Zeeland waar deze polarisatie niet plaats vond werd de ‘Good News Bible’ de best verkochte vertaling. 

Tegelijkertijd, zegt Taber, ontwikkelde zich ook de dynamisch-equivalente vertaalmethode verder. Opmerkelijk is daarbij dat die benaming al niet meer precies aangeeft wat de kern is. Daarom wordt door taalkundigen nu liever gesproken over de ‘functioneel-equivalente vertaalmethode ‘. 

Volgens Taber trekken in het bijzonder vier ontwikkelingen de aandacht: 

  1. Er is in de afgelopen jaren erg veel aandacht geschonken aan de structuur van de tekst. Wat is het voor een tekst? Een verhalende? Een liturgische? Een apologetische? Een poëtische? 
  2. Er is met vrucht gebruik gemaakt van de resultaten van de bijbelstudies van de laatste tien jaar. In de eerste jaren was er vaak een polarisatie tussen de taalkundig en de theologisch opgeleide bijbelvertalers. Of beter: de vertaalconsulenten, want het eigenlijke vertaalwerk wordt nu door de autochtonen in hun moedertaal gedaan. De theologen verweten de taalkundigen dat ze te vrij met de tekst omgingen. Omgekeerd verweten de taalkundigen de theologen dat ze te conservatief waren en te weinig oog hadden voor de taalkundige consequenties van hun werk. Er is nu meer een ‘geven en nemen’, een luisteren naar elkaar. 
  3. In de derde plaats is er nu sprake van een Europese beïnvloeding. Toen Duitsers en Nederlanders volgens deze vertaalmethode gingen werken hadden ze al snel een eigen inbreng. Ze hadden meer oog voor de aard van de tekst. Ze behoefden niet te werken voor een publiek dat die taal als tweede taal sprak, of voor een groep die maar beperkt onderwijs genoten had. Daardoor konden ze streven naar een hogere literaire kwaliteit. Hun vertaling leest beter, is minder vlak, minder stokkerig dan de ‘Good News Bible’. 
  4. De jongste ontwikkeling is evenwel de allerbelangrijkste, volgens Taber. Wie de vertalingen van de laatste twintig jaar bestudeert beseft al gauw dat ze sterk door de taalkunde beïnvloed zijn. Meer en meer blijkt dat ze sterke punten hebben, maar dat er ook zwakke elementen in aan te wijzen zijn. 
    Vertaaldeskundigen zijn nu van mening dat de linguistische theorie theologisch verwerkt moet worden in een omvattende theologie van vertalen. 

Tijdens mijn trektocht langs negen vertaalprojecten in Kameroen bleek me al snel dat ook dr. Krijn van der Jagt daarvan diep overtuigd is. Voortbordurend op de uitspraak van Taber over die ‘theologie van vertalen’ zei hij: 

De hermeneutiek en de leer van de communicatie zullen een belangrijke plaats binnen die theologie van het vertalen moeten innemen.

De methodiek van het vertalen zal theologisch verdiept moeten worden. Het woord is nu aan de theologen onder de vertaalkundigen. Vertalers die geleerd hebben met de functioneel-equivalente vertaalmethode te werken weten, hoe ze de zogenaamde ‘cognitieve’ betekenis van de ene taal in een andere moeten overdragen. Maar ze hebben nog niet goed geleerd, hoe ze de symbolische, figuurlijke en emotionele betekenis moeten vertalen. De linguistische vertaaltheorie heeft aanvulling nodig vanuit de bijbelse theologie.  

In mei van dit jaar komen alle vertaalconsulenten van de bijbelgenootschappen in Stuttgart bijeen voor hun driejaarlijks overleg. Als belangrijkste onderwerp staat daar op hun agenda de theologie van het vertalen. 

Lees meer artikelen uit Met Andere Woorden jaargang 3

Bronvermelding

J.J. Capelleveen, ‘Ontwikkeling in het Bijbelvertaalwerk’ in: Met Andere Woorden 3/1 (1984), 12-15.