Mogen we dieren eten? 

Zullen we wel of niet vegetarisch gaan eten? Of zelfs veganistisch worden? Die vraag is geleidelijk steeds hoger op de agenda gekomen. Volgens de Partij voor de Dieren worden er per jaar zo’n 600 miljoen dieren in ons land geslacht. Dat alleen al voelt voor veel mensen  ongemakkelijk. Ook voor dierwelzijn is er steeds meer aandacht. Dierenrechtenactivisten laten zich daarbij vooral inspireren door liberale en niet-religieuze ideeën. Maar ook de Bijbel neemt de bescherming van dieren serieus: het hoort bij de opdracht van de mens.

Dieren eten in de Bijbel

Allereerst ga ik in op de vraag wat de Bijbel zegt over het eten van vlees. In het slotgedeelte van Genesis 1 – meteen aan het begin van de Bijbel – wordt een lijst van voedselbronnen gegeven waarin opvallend genoeg de dieren ontbreken. Adam en Eva waren dus vegetariërs. Genesis 1 drukt daarmee uit dat het kwaad, in de zin van geweld en doden, in den beginne niet door God gewild is. Genesis 1 sluit af met de woorden dat God alles wat Hij gemaakt heeft, zeer goed vond. De wereld van Genesis 1 is Gods ideaal en daarom kan men zich afvragen of de consumptie van vlees wel past in de bedoeling die God had met de schepping. Pas na de zondeval mogen ook de dieren als voedsel voor de mens dienen en daaruit maak ik voorzichtig op dat vegetarisme een first best oplossing is voor de voedselvoorziening van de mens en de consumptie van vlees, hoewel door God toegestaan, second best. Bovendien laat de Bijbel een toekomstperspectief zien waarin de vrede tussen mens en dier zal worden hersteld. Zie bijvoorbeeld Jesaja 11:6-9. Dieren zullen elkaar niet meer opeten en zelfs de kwetsbaarste dieren zullen veilig zijn. Dat niemand meer kwaad zal doen, wijst er ook op dat mensen geen dieren meer zullen doden voor hun levensonderhoud. Het is moeilijk om aan zo’n ideaal toekomstbeeld ons handelen van vandaag te verbinden, maar de mens is wel gehouden om het leven van dieren zoveel mogelijk te respecteren vanwege de grote waarde die God aan de dieren toekent. In concrete situaties zal er altijd een gewetensvolle afweging moeten worden gemaakt als de belangen van mensen op gespannen voet staan met die van dieren.

Hoe diervriendelijk is de Bijbel?

In het vervolg van dit artikel ga ik na hoe de Bijbel de relatie tussen mens en dier tekent. Veel gedachten van moderne filosofen over dieren zijn in de kern al in de Bijbel aanwezig. Toch zetten moderne filosofen zich vaak af tegen religieuze argumenten, zoals de gedachte dat de mens boven de (andere) dieren staat. Volgens die gedachte geldt in het christendom de mens als kroon van de schepping en zijn de dieren geschapen voor menselijk gebruik. Terwijl volgens veel filosofen het verschil tussen mens en dier veel kleiner is. Ik begin bij Genesis 1, het kernhoofdstuk dat funderend is voor de visie van de Bijbel op mensen en dieren. Dan ga ik na wat Jezus zegt over de waarde van mensen en dieren. Tot slot vergelijk ik de bijbelse visie met twee andere standpunten: het antropocentrische of mensgerichte standpunt, dat de mens centraal plaatst en stelt dat dieren enkel geschapen zijn voor het welzijn van mensen, en de moderne opvatting die beweert dat er geen principieel verschil is tussen mensen en dieren.

Op dezelfde dag geschapen

Al in het eerste bijbelhoofdstuk, Genesis 1 nemen de dieren een prominente plaats in. Voordat melding wordt gemaakt van de schepping van de mens, lezen wij over de schepping van zeedieren, vogels en landdieren in allerlei soorten en maten. Elke keer eindigt de tekst met de conclusie: ‘En God zag dat het goed was’. Dat laat zien dat het door God geschapen dierenrijk in al zijn diversiteit van grote waarde is in de ogen van God. God verheugt zich in de schoonheid van het dierenleven dat hij gemaakt heeft en wil dat het zich vermenigvuldigt. Hieruit volgt een eerste belangrijke conclusie, namelijk dat volgens de Bijbel dieren er niet enkel zijn om het leven van mensen te veraangenamen, maar ook doel op zichzelf zijn voor God.

De mens wordt met de landdieren op de zesde dag geschapen (Genesis 1:26-30). In dit tekstgedeelte vallen drie zaken op. Allereerst is er een duidelijke parallel tussen mens en dier, want tegen beide wordt gezegd dat zij vruchtbaar en talrijk moeten zijn en de aarde bevolken. Voor beide is plaats op de door God geschapen aarde en aan beide wijst God hun eigen voedselbronnen toe. Beide zijn tot eer van God geschapen en worden opgeroepen om God te loven voor de schepping (Psalm 148) en ook in de eindtijd delen dieren in de lofprijzing van God en Christus (Openbaring 5:13).
In de tweede plaats valt op dat de mens ook duidelijk onderscheiden wordt van de dieren. Dit blijkt uit het feit dat de mens naar het evenbeeld van God geschapen wordt. Van de dieren wordt dit in de voorgaande teksten niet gezegd. De mens bezit dus volgens de Bijbel eigenschappen waardoor hij en zij meer op God lijken dan de dieren. Een voorbeeld hiervan is het denkvermogen waar de mens wel maar het dier niet over beschikt (Psalm 73:22). Daardoor draagt de mens wel een morele verantwoordelijkheid en het dier niet.
Een derde aspect is dat de mens de heerschappij over de dieren ontvangt. Dat is tegelijkertijd een aspect van het beeld dragen van God: de zorg voor de schepping. Voor heerschappij wordt in Genesis 1 het Hebreeuwse woord radah gebruikt. Dit wordt ook wel vertaald met ‘onderwerpen’. Dit roept associaties op met krachtdadigheid en geweld. Maar bij dit vers moeten we de achtergrond van het Oude Testament betrekken. Het gaat waarschijnlijk om het temmen en houden van huisdieren en het beheersen van de wildstand. Dat de mens heerst, betekent dat hij (namens God) orde moet scheppen en handhaven. Het gaat om regulerend optreden met het oog op het welzijn van mens en dier.

God ziet elke mus

Dat de mens meer waarde toekomt dan de dieren, maar dieren daarnaast ook in zichzelf waarde hebben, blijkt ook uit andere delen van de Bijbel. Dit kunnen wij bijvoorbeeld opmaken uit het woord van Jezus in Matteüs 12:12: ‘En is een mens niet veel meer waard dan een schaap?’ (Zie ook Lucas 14:5 en 13:15-16.) De aanleiding voor deze uitspraak is dat Jezus mensen op de sabbat geneest en daarmee werk verricht en dus het gebod van de rustdag overtreedt. Jezus antwoordt dan met het voorbeeld van het redden van een schaap dat op de sabbat in een kuil valt. Uit medelijden met het schaap moet het weer uit de kuil getrokken worden, ook al is het niet in levensgevaar. Zelfs Jezus’ toehoorders zullen moeten toegeven dat de plicht om het schaap uit zijn ongelukkige situatie te redden boven het sabbatsgebod gaat, laat staan dat een mens (met een verschrompelde hand) genezen mag worden op de sabbat.
Ook in Matteüs 10:29-31 (Lucas 12:6-8) vergelijkt Jezus de waarde van de mens met die van dieren: ‘Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets. Maar er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil’. Deze tekst heeft als context de handel in mussen op de markt als voedsel voor de armen. De spits van deze tekst is dat de vrienden van Jezus niet bang hoeven te zijn omdat Gods zorg zich nog veel meer over hen uitstrekt dan over de dieren. Toch spreekt de tekst ook in opvallend sterke bewoordingen van de zorg van God voor de kleine mus. Ook al is de mus in de ogen van mensen maar weinig waard, elke mus is voor God zo belangrijk dat die nooit aan zijn aandacht ontsnapt.
Jezus sluit dus in zijn prediking aan bij de overtuiging dat God alles geschapen heeft en als Heer van hemel en aarde zorg draagt voor heel zijn schepping (zie ook Matteüs 6:26). Dit is in lijn met de Psalmen (147:9; 104; 145:15-16; zie ook Job 38:39-41). In Lucas 12:6 wordt dit nog sterker verwoord als er staat: ‘Toch wordt er niet één (mus) door God vergeten.’ Elk beestje mag er zijn en wordt door God gezien.
Hoewel wij uit de bovenstaande uitspraken van Jezus een zekere superioriteit van de mens boven het dier kunnen afleiden, is het dus tegelijk belangrijk om te zien dat de beelden die Jezus gebruikt de hoge waarde van dieren onderstrepen. Jezus benadrukt de zorg van God voor de mens door in positieve zin over zijn zorg voor dieren te spreken. De liefde van God voor de mus gaat zover dat de mus ook welkom is in Gods huis, de tempel (Psalm 84:4). Als zij er hun nest bouwen, worden ze niet weggejaagd door de Levieten. In alle rust mogen zij er hun jongen geboren laten worden.

Conclusies

Uit het voorgaande kunnen wij twee belangrijke conclusies trekken. Allereerst maakt de Bijbel duidelijk dat het dierenleven in zichzelf waarde heeft. Dieren zijn niet enkel geschapen als middelen om in de behoeften van mensen te voorzien. God zelf verheugt zich in de dieren en zorgt voor voldoende voedselbronnen zodat de dieren zich kunnen vermenigvuldigen. Omdat God de mens als rentmeester aanstelt over zijn schepping, betekent dit dus ook dat de mens de dieren als schepselen van God moet respecteren en zorg dient te dragen voor hun behoud, naar de aard waarmee God hen geschapen heeft. Overal waar dieren gebruikt worden in het productieproces, moet de mens hier rekenschap van geven. In plaats van een antropocentrische of mensgerichte visie, die de mens centraal stelt en waarbij het dier enkel het welzijn van de mens dient, biedt de Bijbel een theocentrische of Godgerichte visie, die God centraal stelt en waarbij mens én dier tot lof van God geschapen zijn en als Gods schepselen van wezenlijke waarde zijn. Hiermee wordt tegelijkertijd ook het contrast met moderne filosofen duidelijk. Het is niet zo dat dieren waarde hebben omdat ze plezier kunnen hebben of lijden ervaren, zoals filosofen als Peter Singer stellen. Dat zou bijvoorbeeld betekenen dat de onderdelen van de geschapen werkelijkheid die geen pijn kunnen lijden geen waarde zouden hebben. Dat is een miskenning van de Schepper die deze wereld geschapen heeft en daarin een plaats heeft ingeruimd voor bomen, planten, dieren en mensen. De Bijbel biedt daarmee een in mijn ogen vaster fundament voor de omgang met dieren dan de moderne dierethiek. 
Ook op een ander punt vind ik de bijbelse visie op de verhouding tussen mensen en dieren overtuigender dan die van moderne filosofen. Uit het scheppingsverhaal blijkt namelijk ook een principieel onderscheid tussen mensen en dieren, waarbij de mens de macht krijgt om over de dieren te heersen. De mens kan daarom niet slechts als een dier onder alle andere dieren worden beschouwd. In onze hedendaagse werkelijkheid is de heerschappij van de mens over het dier zo ontegenzeggelijk, dat het miskennen daarvan eerder schade doet dan het erkennen van die heerschappij. Want die erkenning bevestigt juist dat de mens ook grote verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn van de dieren. Dat legt grenzen op aan het exploiteren van dieren. Het is belangrijk om te beseffen dat vanuit bijbels perspectief de mens niet alleen boven de natuur geplaatst is, maar ook in de natuur in gemeenschap met andere schepselen. Daarom zouden we bij de invulling van de relatie tussen mens en dier ook moeten denken aan wederkerigheid, wederzijdse afhankelijkheid, vriendelijkheid en broederschap.

Prof. dr. Johan Graafland is theoloog en econoom en hoogleraar Economie, Onderneming en Ethiek aan Tilburg University.  

Dit is een licht geredigeerde versie van een artikel dat eerder verschenen in de uitgave ‘Maak je bijbel groen’, ISBN 9789089121318, © 2018 Nederlands Bijbelgenootschap

Dit bericht is geplaatst op vrijdag 15 maart 2019