Keken de inwoners van Bet-Semes in of naar de ark (1 Samuel 6:19)?

Mirjam van der Vorm-Croughs

Met Andere Woorden 41/online

Als kind ging ik naar een basisschool waar veel aandacht werd besteed aan Bijbelonderwijs. Lastige verhalen, die naar huidige maatstaven waarschijnlijk als kind-onvriendelijk zouden worden bestempeld, werden daarbij niet geschuwd. Eén van die vertellingen is me in het bijzonder bijgebleven. Eng maar ook een beetje spannend vond ik het: het verhaal over de inwoners van Bet-Semes die door God gestraft worden omdat ze in de ark van het verbond hebben gekeken. Zeventig mensen moeten hun nieuwsgierigheid bekopen met de dood. De verschrikkelijkheid van die straf vervulde me destijds – en nu nog steeds – met huiver en verwarring. Bovendien bekroop me het ongemakkelijke gevoel dat ik mezelf schuldig maakte aan eenzelfde nieuwsgierigheid. Want wat zou er toch in die ark te zien zijn geweest?

Van kijken in naar kijken naar de ark in Bijbelvertalingen

Wie net als ik met dit spannende element in het verhaal is opgegroeid, zal na het lezen van 1 Samuel 6:19 in de NBV21 voor een onverwachte verrassing komen te staan. Want, in tegenstelling tot in bijvoorbeeld de Statenvertaling, kijkt de bevolking van de Judese priesterstad in de NBV21 (en eerder al de NBG-vertaling 1951, de Willibrordvertaling, de Groot Nieuws Bijbel en de Nieuwe Bijbelvertaling) niet meer in de ark maar naar de ark.

ID: block_63861bee35a53
NBV21, 1 Samuel 6:19

19Maar de bevolking van Bet-Semes werd gestraft, omdat ze naar de ark van de HEER hadden gekeken. Er stierven in die stad zeventig inwoners. En het volk treurde, want de HEER had hen zwaar getroffen.

Hoe valt die verschuiving te verklaren? En is de zware straf op deze manier nog wel verdedigbaar? Van het gluren ín de ark kun je vanuit de Bijbelse gedachtewereld nog beredeneren dat het onbeschaamd en schokkend is. Maar de ark van de HEER alleen maar gadeslaan, waarom zou daar de doodstraf op volgen?

De woorden rāʾâ bǝ in de Hebreeuwse Bijbel

Aan de wortel van de uiteenlopende vertalingen liggen de woorden rāʾâ bǝ in de Hebreeuwse grondtekst. Het werkwoord rāʾâ betekent ‘zien’, of soms: ‘kijken’. Het voorzetsel betekent meestal ‘in’. Niet vreemd dus dat rāʾâ bǝ in 1 Samuel 6:19 vaak is uitgelegd als ‘kijken in’. De inwoners van Bet-Semes hebben de deksel opgetild en gekeken wat er in de ark zat. Dat hierop de doodstraf stond, is plausibel vanuit het oogpunt van andere teksten in de Bijbel, zoals Numeri 4:20. Daar wordt gezegd dat de nakomelingen van Kehat het heilige deel van de ontmoetingstent pertinent niet in mogen gaan. Wanneer ze dat toch doen en ook maar een glimp opvangen van de heilige voorwerpen, die normaal niet zichtbaar zijn, zullen ze sterven. Door het openen van de ark is een cultisch taboe doorbroken, en dat gold als een zware overtreding. De uitleg van rāʾâ bǝ als ‘kijken in’ kun je al terugvinden in de Septuaginta, en was gebruikelijk onder de rabbijnen. Zij werden hierin gevolgd door bijvoorbeeld de Statenvertalers en ook door sommige moderne bijbelwetenschappers.

ID: block_63861adc35a50

Vgl. Rachelle Gilmour, Divine Violence in the Book of Samuel, Oxford 2021, 162.

ID: block_63861af935a51

Vgl. bijv. H.W. Hertzberg, I and II Samuel: A Commentary, Louisville 1965, 60-61; David Toshio Tsumura, The First Book of Samuel, Grand Rapids / Cambridge 2007, 226.

ID: block_63861b2f35a52

Bijv. Dominique Barthélemy, Critique textuelle de l’ancien Testament 1: Josué, Juges, Ruth, Samuel, Rois, Chroniques, Esdras, Néhémie, Esther, Fribourg/Göttingen 1982, 156.

Maar er is een probleem met deze uitleg: rāʾâ bǝ betekent in de Hebreeuwse Bijbel verder nooit ‘kijken in’. Elders betekent het meestal: ‘iets zien’ of ‘iets aanzien’, waarbij vaak een bepaalde emotie wordt verondersteld: iets aanzien met bijvoorbeeld verdriet (Gen. 21:16; 44:34; Ex. 2:11; Num. 11:15; Est. 8:6; Jes. 33:15), medelijden (Ps. 64:9; 106:44), vreugde (Job 3:9; 20:17; Ps. 27:13; 106:5; 128:5; Pred. 2:1; Jes 52:8; Micha 7:9), ontzag (2 Kron. 7:3) of leedvermaak (Ps. 22:17; 112:8; 118:7; Micha 7:10). Verder heeft rāʾâ bǝ een aantal keer de betekenis ‘kijken naar’: in Prediker 11:4; Hooglied 3:11; 6:11; Ezechiël 21:26 en Habakuk 1:5.

De vertaling ‘kijken in de ark’ is onwaarschijnlijk

Terug naar 1 Samuel 6:19. Omdat er in de Hebreeuwse Bijbel geen parallellen zijn voor rāʾâ bǝ in de betekenis van ‘kijken in’ is die duiding ook voor deze tekst onwaarschijnlijk. Bovendien is vers 19 een terugblik op de verzen 13-15, waar verteld wordt over de reactie van de Bet-Semesieten op de komst van de ark. En daar wordt helemaal niets gezegd over het kijken in de ark. Wel wordt daar meegedeeld dat de inwoners de ark zagen en vervolgens heel blij waren.

Het is dus beter de woorden rāʾâ bǝ in vers 19 op een andere manier te vertalen, die ondersteund wordt door de betekenissen die elders in de Hebreeuwse Bijbel worden gevonden. ‘Kijken naar’ ligt het meest voor de hand. Maar als de bewoners van de stad alleen maar naar de ark keken, roept dat de vraag op waarom ze werden gestraft voor iets waar ze niets aan konden doen. De ark werd immers openlijk vervoerd, en het was onvermijdelijk dat de voorbijgangers een blik op de wagen zouden werpen.

ID: block_63861c6935a54

Vgl. bijv. C.F. Keil en F. Delitzsch, Biblical Commentary on the Books of Samuel, Edinburgh 1866, 68-69; Lyle Eslinger, Kingship of God in Crisis. A Close Reading of 1 Samuel 1-12, Decatur 1985, 219-220; J.P. Fokkelman, Narrative Art and Poetry in the Books of Samuel. A Full Interpretation Based on Stylistic and Structural Analyses, dl. 4: Vow and Desire, Assen 1993, 289.

Deden de inwoners van Bet-Semes iets verkeerd?

Een antwoord dat probeert tegemoet te komen aan dit schurende facet van de tekst, is dat de mensen op een bepaalde manier naar de ark hebben gekeken, met een bepaalde houding die door God niet werd getolereerd: met te veel vrijmoedigheid, waardoor ze te dichtbij waren gekomen. Maar de vraag is of je zo niet nog steeds te veel in de tekst legt om de straf te kunnen verklaren. Het verhaal zelf zegt eenvoudig dat de inwoners van Bet-Semes erg blij waren om de ark weer te zien, niet dat dit ongepast was. Ze concluderen zelf dat de aanwezigheid van de HEER risico’s met zich meebrengt, niet dat ze iets verkeerd hebben gedaan (vers 20).

Gods steun is geen automatisme

Misschien moeten we het antwoord niet zozeer zoeken in het gedrag van de inwoners van Bet-Semes, maar in het thema van de omringende hoofdstukken. In 1 Samuel 4 denken de Israëlieten dat ze met de ark van God een overwinning in de oorlog kunnen afdwingen. Maar het loopt helemaal verkeerd af: de Israëlieten worden door de Filistijnen verslagen en de ark wordt buit gemaakt. God laat zich niet voor een karretje spannen. Ook nu de ark terug is, betekent dat niet automatisch dat God weer aan de kant van Israël staat.

ID: block_63861ce535a55

Zie ook Gilmour, Divine Violence, 151-190.

In dat licht valt 1 Samuel 6 te verklaren. De les is dat Israël niet moet denken dat de ark van hén is, hun eigen bezit. De ark kan niet als een instrument behandeld worden. Want zo wordt vergeten waarvoor de ark staat: de aanwezigheid van de heilige God zelf, over wie je niet zomaar kunt beschikken. Sterker nog: een mens kan de aanwezigheid van de HEER niet eens verdragen, zoals de Bet-Semesieten vertwijfeld uitroepen in vers 20. De dood van zeventig stadsgenoten had hen daar op een bikkelharde wijze bij stil gezet.

Conclusie

De straf voor de inwoners van Bet-Semes heeft Bijbellezers al eeuwen voor raadsels gesteld. De traditionele uitleg, dat de Bet-Semesieten zich schuldig maakten aan het ‘kijken in de ark’, is taalkundig niet goed te verdedigen. Het Hebreeuws wijst op ‘kijken naar’. Maar daarmee blijft het raadsel bestaan, de tekst schuurt.

Een mogelijk antwoord ligt in het thema van Gods aanwezigheid: kun je Gods zegen afdwingen door de ark binnen te halen? Daarmee stelt het verhaal ook een kritische vraag aan óns: zijn er manieren waarop wij God te veel proberen in te kaderen in onze eigen ideeën?


Dr. Mirjam van der Vorm-Croughs is Specialist Vertalen en Exegese Oude Testament bij het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap.


Suggestie voor voorgangers

Op theologie.nl staat een preekschets over 1 Samuel 6:20 van Peter Schormans uit Postille (2012).

Bronvermelding

Mirjam van der Vorm-Croughs, ‘Keken de inwoners van Bet-Semes in of naar de ark (1 Samuel 6:19)?’ in: Met Andere Woorden 41/online (november/ december 2022), debijbel.nl/bericht/keken-de-inwoners-van-bet-semes-in-of-naar-de-ark-1-samuel-619.

Geciteerde literatuur

  • Dominique Barthélemy, Critique textuelle de l’ancien Testament 1: Josué, Juges, Ruth, Samuel, Rois, Chroniques, Esdras, Néhémie, Esther, Fribourg/Göttingen 1982.
  • Lyle Eslinger, Kingship of God in Crisis. A Close Reading of 1 Samuel 1-12, Decatur 1985.
  • J.P. Fokkelman, Narrative Art and Poetry in the Books of Samuel. A Full Interpretation Based on Stylistic and Structural Analyses 4: Vow and Desire, Assen 1993.
  • Rachelle Gilmour, Divine Violence in the Book of Samuel, Oxford 2021.
  • H.W. Hertzberg, I and II Samuel: A Commentary, Louisville 1965.
  • C.F. Keil en F. Delitzsch, Biblical Commentary on the Books of Samuel, Edinburgh 1866.
  • David Toshio Tsumura, The First Book of Samuel, Grand Rapids / Cambridge 2007.

Deze blog is geplaatst op 3 december 2022.