Hoe vertaal je een geslachtsregister in gewone taal?

Mart Jan Luteijn en Robin ten Hoopen

Veel lezers weten niet goed wat ze aan moeten met de geslachtsregisters in de Bijbel. Ze slaan die meestal over. Ook worden deze lijsten maar zelden bepreekt. Toch voegen ze iets toe aan het verhaal. Hoe komt dat tot uiting in de vertaling van de Bijbel in Gewone Taal?

Samenvatting
Geslachtsregisters in de Bijbel zijn veel meer dan een lijst met namen. Ze vervullen een functie in het geheel van de tekst, bevatten inzichten en vertellen een eigen verhaal. Bijbelvertalers proberen – idealiter – deze boodschap weer te geven in hun vertaling. In dit artikel bespreken we enkele genealogieën uit het boek Genesis. We gaan na wat de boodschap is van deze genealogieën en hoe deze boodschap is weergegeven in de Bijbel in Gewone Taal. In Genesis 5 en 10 blijkt dat goed gelukt, in Genesis 46 is verbetering mogelijk.

Geslachtsregisters vervullen vaak een brugfunctie in een tekst. Ze verbinden verschillende verhalen met elkaar (zo is het in Genesis 5 en 11) of leggen een verbinding tussen verleden en het heden (zo is het in Matteüs 1). Geslachtsregisters zijn geschreven in een bondige stijl. Ze hanteren een strak patroon met veel herhaling. Binnen dit patroon zijn het de uitzonderingen, de uitweidingen of afwijkingen, die de aandacht vragen. De nadrukkelijke aanwezigheid van vijf vrouwen in Matteüs 1 is daar een voorbeeld van, terwijl in die tekst tegelijk de nadruk valt op personages als Abraham en David. Juist in die subtiele afwijkingen of uitzonderingen zit vaak een boodschap.

ID: block_5f3170c6eecef

Peter-Ben Smit, ‘Exegetische schets bij de stamboom van Jezus’ in: Met Andere Woorden 36/2 (november 2017), 52.

ID: block_5f317191eecf0

Smit, 54-56.

In Genesis vinden we vijf lange (meer dan twintig verzen) en vijf korte geslachtsregisters (minder dan tien verzen). De lange genealogieën staan in Genesis 5, 10, 11:10-26; 36 en 46:8-27, de kortere in 4:17-26; 22:20-24; 25:1-4; 25:12-18 en 35:22b-26. Veel van deze lijsten bevatten de zogenoemde toledotformule. Deze formule zet in met de combinatie ‘dit zijn de nakomelingen/geslachten van …’ Zij functioneert als structuurprincipe in het boek Genesis en introduceert meestal de hoofdpersoon van de volgende passage. In dit artikel bespreken we drie voorbeelden van een lange genealogie: Genesis 5, Genesis 10 en Genesis 46. In alle gevallen kijken we eerst naar de tekststructuur van het Hebreeuws en daarna naar de weergave in de Bijbel in Gewone Taal (BGT).

ID: block_5f317275eecf1

Zie voor een uitgebreidere behandeling van deze geslachtsregisters: Robin B. ten Hoopen & Mart Jan Luteijn, ‘Reading Between the Lines. An Analysis of the Text Division in the Genealogies of the Book of Genesis in Three Dutch Translations’ in: G. Bady & M.C.A. Korpel (eds.), Les délimitations éditoriales des Écritures des bibles anciennes aux lectures modernes, Pericope 11, Leuven (verschijnt 2020).

ID: block_5f3172d9eecf2

In Genesis 2:4, 11:27 en 37:2 introduceert zij echter niet zozeer de nieuwe hoofdpersoon. In Genesis 11:27 en 37:2 zijn het Terach en Jakob die geïntroduceerd worden met de toledotformule terwijl de hoofdrol in de daaropvolgende passages wordt gespeeld door Abraham en Jozef. Genesis 2:4 vervult een brugfunctie tussen het eerste en het tweede scheppingsverhaal.

ID: block_5f31731beecf3
BGT, Genesis 4:17-26

17Later kreeg de vrouw van Kaïn een zoon, Henoch. Kaïn was in die tijd een stad aan het bouwen. Hij noemde die stad ook Henoch, net zoals zijn zoon heette.

18Henoch kreeg een zoon, Irad. Dat was de vader van Mechujaël, en die was de vader van Metusaël, en die was weer de vader van Lamech.

19Lamech had twee vrouwen. De ene heette Ada, de andere heette Silla. 20-21Ada kreeg twee zonen: Jabal en Jubal. Jabal was de eerste mens die rondtrok met zijn kudde. Jubal was de eerste mens die op de harp en de fluit speelde. 22Silla kreeg een zoon, Tubal-Kaïn. Hij werd de eerste smid: hij maakte dingen van ijzer en brons. Silla kreeg ook een dochter, Naäma.

23Op een keer zei Lamech tegen zijn vrouwen: ‘Luister goed, Ada en Silla! Als iemand mij aanvalt, dan sla ik hem dood. 24Iemand die Kaïn wil doden, wordt zeven keer gestraft. Maar iemand die mij wil doden, wordt 77 keer gestraft!’

25Adam en Eva kregen nog een zoon. Eva noemde hem Set. Ze zei: ‘Kaïn heeft mijn zoon Abel gedood. Maar God heeft me een ander kind gegeven.’

26Later kreeg Set ook een zoon. Die werd Enos genoemd. Vanaf die tijd gaven de mensen God de naam ‘Heer’.

ID: block_5f317353eecf4
BGT, Genesis 22:20-24

20Korte tijd later hoorde Abraham dat Milka intussen ook kinderen gekregen had. Milka was de vrouw van Abrahams broer Nachor. Ze kreeg acht zonen: 21Us, Buz, Kemuel, die de vader was van Aram, 22Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en Betuel, 23die de vader was van Rebekka. Dat waren dus de zonen van Milka en Nachor, de broer van Abraham.

24Nachor had nog een vrouw. Zij heette Reüma. Ze kreeg vier kinderen: Tebach, Gacham, Tachas en Maächa.

ID: block_5f31737eeecf5
BGT, Genesis 25:1-4

1Na de dood van Sara vond Abraham een andere vrouw. Zij heette Ketura. 2Ze kreeg zes zonen: Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach.

3De zonen van Joksan waren: Seba en Dedan. Van Dedan stammen de Assurieten af, de Letusieten en de Leümieten. 4De zonen van Midjan waren: Efa, Efer, Chanoch, Abida en Eldaä. Dat waren dus allemaal nakomelingen van Ketura.

ID: block_5f3173a1eecf6
BGT, Genesis 25:12-18

12-13Ismaël was de zoon van Abraham en Hagar, de Egyptische slavin van Sara. Nu volgen de namen van de zonen van Ismaël. De oudste zoon was Nebajot. De andere zonen waren: Kedar, Adbeël, Mibsam, 14Misma, Duma, Massa, 15Chadad, Tema, Jetur, Nafis en Kedema. 16Zo heetten de zonen van Ismaël. Het waren er twaalf. Ze waren allemaal leiders van een stam. Ze hadden allemaal hun eigen dorp en hun eigen tentenkamp.

17Ismaël werd 137 jaar oud. Toen stierf hij. 18De nakomelingen van Ismaël woonden in het gebied tussen Chawila en Sur. Dat is ten oosten van Egypte, in de richting van Assur. Ze woonden in de buurt van de andere nakomelingen van Abraham. Maar ze waren niet met hen bevriend.

ID: block_5f3173cbeecf7
BGT, Genesis 35:22-26

22Daar sliep Ruben een keer met Bilha, één van de vrouwen van zijn vader. Jakob hoorde dat zijn zoon dat gedaan had.

Jakob had twaalf zonen.

23De zonen van Lea waren Ruben, de oudste zoon van Jakob, en verder Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon. 24De zonen van Rachel waren Jozef en Benjamin.

25De zonen van Bilha, de slavin van Rachel, waren Dan en Naftali. 26De zonen van Zilpa, de slavin van Lea, waren Gad en Aser.

Dat waren de zonen die Jakob in Paddan-Aram gekregen had.

Hebreeuwse tekstindeling

Om grip te krijgen op de structuur van de teksten, hebben we allereerst gekeken naar de Hebreeuwse tekstindeling van de tien geslachtsregisters in Genesis. De Masoretische traditie gebruikt voor de indeling van de Hebreeuwse tekst twee tekens, de petoecha (meervoud: petoechot) en de setoema (meervoud: setoemot). Petoechot geven het einde van een regel aan en setoemot een korte onderbreking in een regel. Veelal wordt aangenomen dat deze leestekens in de Masoretische tekst corresponderen met witruimtes in de oudere Hebreeuwse handschriften en dus al een oude traditie van tekstindeling weerspiegelen. Overigens worden de petoechot en setoemot in de Hebreeuwse Bijbel niet altijd consistent ingezet. In de boeken Samuel staat er bijvoorbeeld vaak een petoecha rondom de Godsnaam, maar in andere boeken niet.

ID: block_5f31741aeecf8

Eveline van Staalduine-Sulman, ‘Theologische petuchot en setumot in de boeken Samuël’ in: Alef Beet 22/1 (2012), 16-25.

Ook bij de geslachtsregisters in Genesis is er verschil in hoe deze leestekens functioneren in de teksten. We kunnen de tien geslachtsregisters in twee groepen onderverdelen. Er zijn twee registers (Genesis 5 en 11) met ongeveer hetzelfde grondpatroon: ze gebruiken relatief veel setoemot, en bestaan dus uit korte tekstblokjes. De overige geslachtsregisters hebben een ander grondpatroon en bevatten juist weinig petoechot en setoemot. In beide groepen zijn de teksten dus ingedeeld volgens een herkenbaar patroon, al biedt bijna elke tekst op het gevolgde patroon ook weer bepaalde, kleine variaties.

ID: block_5f31748feecf9

Er wordt vaak aangenomen dat Genesis 5 en 11:10-26 teruggaan op een ouder toledotboek. Zie voor een bespreking van de mogelijke redactiegeschiedenis van Genesis 5: Robin B. ten Hoopen ‘Genesis 5 and the Formation of the Pentateuch. A Redaction Historical Case Study’ in: Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft 129/2 (2017), 177-93.

Tekstindeling van de BGT

De BGT wil een duidelijke tekst bieden en hanteert daartoe ook bepaalde criteria voor perikopen. De perikopen in de BGT zijn kort, doorgaans tussen de twee en de zes zinnen, en bevatten idealiter slechts één hoofdpersoon of één onderwerp. Daarnaast gebruikt de BGT, als enige Nederlandse vertaling, zowel hoofdkoppen als tussenkoppen. De BGT laat zich bij de tekstindeling vaak leiden door de personages in de tekst, maar ook de structuuranalyse van het Hebreeuws heeft een belangrijke rol gespeeld. De BGT heeft nadrukkelijk een eigen vertaalstrategie gekozen: leesbaarheid en begrijpelijkheid staan voorop.

ID: block_5f317564eecfa

Matthijs de Jong, Hoe vertaal je de Bijbel in Gewone Taal? Uitgangspunten, keuzes, dilemma’s, Heerenveen 2014, 60-61.

ID: block_5f3175cfeecfb

De hoofdkoppen zijn geschikt om grotere structuren in een bijbelboek te benadrukken. De BGT heeft er overigens voor gekozen om de eerdergenoemde toledotformule niet consequent als structuurprincipe te zien. In ongeveer de helft van de gevallen komt de hoofdkop overeen met de benaming in de toledotformule (Genesis 5:1, 10:1, 25:19 en 36:1), in de andere helft niet (Genesis 2:4, 6:9, 11:10, 36:9 en 37:2).

In het vervolg bekijken we hoe de principes van de BGT hebben uitgewerkt in de geslachtsregisters van Genesis. Hoe verhoudt dit zich tot de Hebreeuwse tekstindeling en in hoeverre slagen de vertalers erin om de elementen die door de Hebreeuwse leestekens als relevant naar voren worden geschoven ook in de BGT goed over het voetlicht te brengen? We bekijken daarvoor Genesis 5, Genesis 10 en Genesis 46. 

Voorbeeld 1: Genesis 5

BGT, Genesis 5:1-32

1Nu volgt een lijst van Adams kinderen en de mensen die daarna leefden. 2Toen God de mensen maakte, maakte hij ze zo dat ze op hem leken. God maakte ze als man en als vrouw. Hij zegende ze en hij noemde ze ‘mens’.

3Toen Adam 130 jaar oud was, kreeg hij een zoon die precies op hem leek. 4Hij noemde zijn zoon Set. Na de geboorte van Set leefde Adam nog 800 jaar. Hij kreeg nog meer kinderen. 5In totaal leefde Adam 930 jaar. Toen stierf hij.

6Toen Set 105 jaar oud was, kreeg hij Enos. 7Daarna leefde hij nog 807 jaar en kreeg hij nog meer kinderen. 8In totaal leefde hij 912 jaar. Toen stierf hij. 9Toen Enos 90 jaar oud was, kreeg hij Kenan. 10Daarna leefde hij nog 815 jaar en kreeg hij nog meer kinderen. 11In totaal leefde hij 905 jaar. Toen stierf hij. 12Toen Kenan 70 jaar oud was, kreeg hij Mahalalel. 13Daarna leefde hij nog 840 jaar en kreeg hij nog meer kinderen. 14In totaal leefde hij 910 jaar. Toen stierf hij. 15Toen Mahalalel 65 jaar oud was, kreeg hij Jered. 16Daarna leefde hij nog 830 jaar en kreeg hij nog meer kinderen. 17In totaal leefde hij 895 jaar. Toen stierf hij. 18Toen Jered 162 jaar oud was, kreeg hij Henoch. 19Daarna leefde hij nog 800 jaar en kreeg hij nog meer kinderen. 20In totaal leefde hij 962 jaar. Toen stierf hij.

21Toen Henoch 65 jaar oud was, kreeg hij Metuselach. 22Daarna leefde hij nog 300 jaar. Henoch leefde als een vriend van God. Hij kreeg nog meer kinderen. 23In totaal leefde Henoch 365 jaar. 24Toen nam God hem weg. Henoch had geleefd als een vriend van God.

25Toen Metuselach 187 jaar oud was kreeg hij Lamech. 26Daarna leefde hij nog 782 jaar en kreeg hij nog meer kinderen. 27In totaal leefde hij 969 jaar. Toen stierf hij.

28Toen Lamech 182 jaar oud was, kreeg hij een zoon, 29die hij Noach noemde. Lamech zei: ‘We moeten heel hard werken op het land. Want de Heer heeft ervoor gezorgd dat het slecht gaat met de grond. Maar deze zoon zal ons troosten in ons harde leven.’ 30Na de geboorte van Noach leefde Lamech nog 595 jaar. Hij kreeg nog meer kinderen. 31In totaal leefde Lamech 777 jaar. Toen stierf hij.

32Toen Noach 500 jaar oud was, kreeg hij drie zonen: Sem, Cham en Jafet.

In Genesis 5 worden de generaties van Adam tot Noach opgesomd. Hoewel dit hoofdstuk bekendstaat om zijn zeer hoge leeftijden, klinkt in het kernachtige refrein juist een nadruk op sterfelijkheid door. De tekst volgt een strak patroon dat als volgt weergegeven kan worden:

x leefde .. jaar en verwekte y.
x leefde nadat hij y verwekt had .. jaar en verwekte zonen en dochters.

Alle dagen van x waren .. jaren, en hij stierf.

Deze structuur wordt onderbroken bij Adam (5:1-3), Henoch (5:21-24) en Lamech/Noach (5:28-30). Bij de eerste drie wordt er extra informatie toegevoegd over hun leven, terwijl we in het geval van Noach niet één zoon vinden maar drie (vergelijk Terach in Genesis 11:26). In het geval van Henoch wordt verteld dat hij is weggenomen door God. Een frase die erop duidt dat hij geen reguliere dood is gestorven. De eerder genoemde petoechot en setoemot, zoals aangetroffen in de Codex Leningradensis (het Hebreeuwse handschrift waarop de Biblia Hebraica Stuttgartensia is gebaseerd, de meest gangbare editie van de Hebreeuwse Bijbel), ondersteunen deze nadruk. In de Leningradensis staan er accenttekens ter onderscheiding voor en na deze vier personages. Komt de nadruk op deze vier figuren ook terug in de BGT?

ID: block_5f31769feecfd

Zie voor een uitgebreidere bespreking van de opname of teleportatie van Henoch: Robin B. ten Hoopen, ‘Where Are You, Enoch? Why Can’t I Find you? Genesis 5:21–24 Reconsidered’ in: Journal of Hebrew Scriptures 18/4 (2018), 1-23.

De vertalers van de BGT hebben ervoor gekozen om het hoofdstuk in te delen in twee korte alinea’s, één lange alinea (6-20), en afsluitend vier korte. Door deze indeling komt er nadruk te liggen op de vier genoemde personages. In alle gevallen springen zij eruit en maken zij geen deel uit van de lange opsomming. Ter vergelijking: het belang van deze figuren komt in de Nieuwe Bijbelvertaling en de Willibrordvertaling minder duidelijk terug. Deze vertalingen kiezen ervoor om het hoofdpatroon van de tekst te volgen en minder aandacht te geven aan de uitzonderingen.

Wel valt op te merken dat het gevolg van de keuze van de BGT is dat de tekst een – voor de BGT – bijzonder lange alinea bevat. Hiermee wordt het uitgangspunt van de BGT om de tekst te structureren in korte alinea’s niet bereikt. In een vergelijkbaar geslachtsregister, in Genesis 10, krijgt elk geslacht juist wél een eigen regel in de BGT.

Voorbeeld 2: Genesis 10

BGT, Genesis 10:1-32

1Na de grote overstroming kregen Sem, Cham en Jafet, de zonen van Noach, zelf zonen. Nu volgt hoe die zonen heetten en welke volken van hen afstammen.

2De zonen van Jafet waren: Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesech en Tiras.

3De zonen van Gomer waren: Askenaz, Rifat en Togarma. 4De zonen van Jawan waren: Elisa en Tarsis. Ook de bewoners van Cyprus en Rhodos stammen van Jawan af. 5Alle mensen die langs de kust en op de eilanden leven, stammen van Jawan af. Die mensen zijn verdeeld in families en volken. Ze wonen in verschillende landen en hebben verschillende talen.

6De zonen van Cham waren: Kus, Misraïm, Put en Kanaän.

7De zonen van Kus waren: Saba, Chawila, Sabta, Rama en Sabtecha. De zonen van Rama waren: Seba en Dedan. 8Kus had ook nog een zoon die Nimrod heette. Nimrod was de eerste grote veroveraar op aarde. 9Hij was een geweldig goede jager, de beste van allemaal. Daarom wordt er wel eens gezegd van iemand die goed kan jagen: ‘Hij is een heel goede jager, een echte Nimrod.’ 10Nimrod heerste eerst over Babel, Uruk, Akkad en Kalne in Babylonië. 11Later heerste hij ook over Assyrië. Daar bouwde hij de steden Nineve, Rechobot-Ir, Kalach 12en Resen. Resen was een grote stad tussen Nineve en Kalach.

13Van Misraïm stammen veel verschillende volken af: de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten, 14de Patrusieten, de Kretenzers en de Kasluchieten. Van dat laatste volk stammen de Filistijnen af.

15De zonen van Kanaän waren: Sidon, de oudste, en Chet. 16Ook veel volken stammen van Kanaän af: de Jebusieten, de Amorieten, de Girgasieten, 17de Chiwwieten, de Arkieten, de Sinieten, 18de Arwadieten, de Semarieten en de Hamatieten. Later zijn al deze volken in een heel groot gebied gaan wonen. 19De grens van dat gebied liep van Sidon in de richting van Gerar tot aan Gaza. Aan de andere kant liep de grens van het gebied van Sodom, Gomorra, Adma en Seboïm tot aan Lesa.

20Dat zijn de mensen die van Cham afstammen met hun landen en hun talen. Ze zijn verdeeld in families en volken.

21-25Sem, de oudste zoon van Noach, kreeg ook zonen. De zonen van Sem waren: Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram.

De zonen van Aram waren: Us, Chul, Geter en Mas.

De zoon van Arpachsad was Selach en de zoon van Selach was Eber. Alle nakomelingen van Eber stammen dus van Sem af.

Eber kreeg twee zonen. De ene zoon heette Peleg. In zijn tijd gingen de mensen op verschillende plaatsen op de aarde wonen. De andere zoon heette Joktan.

26De zonen van Joktan waren: Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach, 27Hadoram, Uzal, Dikla, 28Obal, Abimaël, Seba, 29Ofir, Chawila en Jobab. Dat waren allemaal zonen van Joktan. 30De grens van hun gebied liep van Mesa tot aan de Sefar-bergen in het oosten.

31Dat zijn de mensen die van Sem afstammen met hun landen en hun talen. Ze zijn verdeeld in families en volken.

32Dat zijn dus alle families die van de zonen van Noach afstammen. Alle volken stammen van hen af. Die volken zijn na de grote overstroming overal op aarde gaan wonen.

Ook het geslachtsregister van de zonen van Noach in Genesis 10 vertelt een eigen verhaal. Dit register heeft eveneens een duidelijk patroon: een inleiding, de nakomelingen van Sem, Cham en Jafet, en een conclusie. En ook hier wijkt de lijst op verschillende punten af van het patroon. De eerste afwijking is de volgorde: in plaats van Sem, Cham en Jafet (vers 1), vinden we in de uitwerking Jafet (1-5), Cham (6-20) en Sem (21-31). Daarnaast zien we dat de nakomelingen van Jafet beperkt blijven tot vijf kleinkinderen, terwijl er bij Cham zeventien volken worden genoemd, en dat de nakomelingen van Sem tot in de zevende generatie een plaats krijgen. Het geslacht van Cham groeit dus in de breedte, dat van Sem in de diepte. De genealogie centreert zich zo rondom Sem. Hij is niet alleen de laatstgenoemde, maar ook de voorvader van Eber (vaak verbonden met de Hebreeën = Israël). Als laatste merken we op dat Nimrod, een kleinkind van Cham, een klein narratief krijgt over zijn eigenschappen (8-12), terwijl ook de Kanaänieten, als nakomelingen van Cham, extra aandacht krijgen (15-19). Deze nadruk wordt naar ons idee bevestigd door de opvallende setoema na vers 14, midden in de lijst van Cham. Hoe komen deze afwijkingen en uitbreidingen in de tekststructuur naar voren in de BGT?

ID: block_5f3177eceed00

Andere afwijkingen van het patroon zijn de vermelding van de Filistijnen in vers 14b, de wijze van introductie van Sem in vers 21 (vgl. Genesis 4:26), de extra informatie bij Peleg in vers 25 en de uitweiding over de woonplaats in vers 30.

De opvallende omkering in volgorde – Sem, Cham, Jafet in vers 1, Jafet, Cham, Sem in vers 2-31 – wordt in de BGT duidelijk gemarkeerd door de tussenkopjes boven vers 2, vers 6 en vers 21. Elke zoon heeft een eigen kopje, terwijl vers 1 en vers 32, als inleiding en afsluiting ook elk een eigen kopje krijgen.

Ook het verschil tussen de ‘breedte’ van Chams nakomelingen en de ‘diepte’ van Sems nakomelingen zie je terug in de BGT. De perikoop met Chams nakomelingen (6-20) bevat enkele lange alinea’s met opsommingen van afstammelingen: dit toont de veelheid van volken die afstammen van Chams zonen. Dat het nageslacht van Sem de diepte ingaat, geeft de BGT passend weer door te werken met korte alinea’s die elkaar opvolgen. Die laten het onderscheid zien tussen de ‘zonen van’ en de ‘zonen van de zonen van’.

De passage over Nimrod (8-12) neemt de BGT samen met het voorgaande (vers 7), waardoor er opnieuw een lange perikoop ontstaat. Deze keuze is consistent met de manier waarop het patroon wordt vertaald.

Over het algemeen valt op dat de BGT de Hebreeuwse tekst op hoofdlijnen nauwkeurig volgt. De nadere indeling gaat terug op de structuuranalyse en de wisseling van hoofdpersonen en is consistent.

Voorbeeld 3: Genesis 46

BGT, Genesis 46:8-27

8Nu volgen de namen van de zonen van Jakob die meegingen naar Egypte.

Ruben, de oudste zoon, 9ging mee, met zijn zonen Chanoch, Pallu, Chesron en Karmi. 10En Simeon ging mee, met zijn zonen Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Sochar en Saül. Saül was de zoon van Simeon en een vrouw uit Kanaän. 11En ook Levi ging mee, met zijn zonen Gerson, Kehat en Merari.

12Verder ging Juda mee. Juda had vijf zonen: Er, Onan, Sela, Peres en Zerach. Maar Er en Onan waren al gestorven in Kanaän. Peres had twee zonen, Chesron en Chamul.

13Ook Issachar ging mee, met zijn zonen Tola, Pua, Job en Simron. 14En Zebulon ging mee, met zijn zonen Sered, Elon en Jachleël.

15Al die zonen van Jakob, en zijn dochter Dina, waren nakomelingen van Jakob en Lea. Ze waren in Paddan-Aram geboren.

In totaal hadden Jakob en Lea 33 kinderen en kleinkinderen.

16Ook Gad ging mee naar Egypte, met zijn zonen Sifjon, Chaggi, Suni, Esbon, Eri, Arodi en Areli. 17En Aser ging mee, met zijn zonen Jimna, Jiswa, Jiswi en Beria, en zijn dochter Serach. Beria had twee zonen, Cheber en Malkiël.

18Gad en Aser waren de kinderen van Jakob en Zilpa. Zilpa was de slavin die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had. In totaal hadden Jakob en Zilpa zestien kinderen en kleinkinderen.

19De zonen van Jakobs vrouw Rachel waren Jozef en Benjamin. 20Jozefs vrouw was Asnat, de dochter van Potifera, de priester van de stad On. Jozef en Asnat kregen in Egypte twee zonen, Manasse en Efraïm. 21De zonen van Benjamin waren Bela, Becher, Asbel, Gera, Naäman, Echi, Ros, Muppim, Chuppim en Ard.

22Jozef en Benjamin waren de kinderen van Jakob en Rachel. In totaal hadden Jakob en Rachel veertien kinderen en kleinkinderen.

23Ook Dan ging mee naar Egypte, met zijn zoon Chusim. 24En Naftali ging mee, met zijn zonen Jachseël, Guni, Jeser en Sillem.

25Dan en Naftali waren de kinderen van Jakob en Bilha, die de slavin van Rachel was. In totaal hadden Jakob en Bilha zeven kinderen en kleinkinderen.

26Alles bij elkaar gingen er 66 nakomelingen van Jakob mee naar Egypte. De vrouwen van zijn zonen zijn niet meegeteld. 27In Egypte was Jozef met twee zonen. Alles bij elkaar telde de familie van Jakob in Egypte zeventig personen, met hemzelf en Jozef erbij.

In Genesis 46 wordt beschreven hoe de familie van Jakob op reis gaat naar Egypte. Het geslachtsregister (8-27) wordt omgeven door respectievelijk een setoema en een petoecha en daarmee duidelijk afgescheiden van de rest van het hoofdstuk. Ook in dit hoofdstuk is er een duidelijk patroon. Dat patroon centreert zich niet rondom de zonen van Jakob, maar rondom zijn vrouwen. De lijst begint bij de eerste vrouw van Jakob, Lea, en haar bijvrouw, Zilpa, en vervolgt met de zus van Lea, Rachel, en haar bijvrouw, Bilha. Het patroon wordt gekenmerkt door een wisselend gebruik van het Hebreeuwse webenee (en de zonen van) en elleh (deze)enwordt op een aantal plaatsen doorbroken. Zo vinden we een bijzin bij een zoon van Simeon, ‘de zoon van een Kanaänitische vrouw’ (10b) en wordt er bij de zonen van Juda vermeld dat er al twee zijn gestorven in Kanaän (12b). Uitgebreide informatie vinden we bij de zonen van Jozef, die in Egypte waren geboren (20a). Kortom, het zijn primair de hoofdfiguren uit de traditie, Juda en Jozef, waarover extra informatie wordt gegeven. Hoe komt dit over in de structuur van de BGT?

De BGT volgt het hierboven geschetste patroon en plaatst de inleidende zinnen, waarin de vrouwen van Jakob worden genoemd, apart. De concluderende zin van iedere sectie bestaat uit twee elementen: de samenvatting van de sectie en een telling van het aantal zonen. In vers 15 staan deze twee elementen apart, maar in vers 18, 22 en 25 niet. Dat is opvallend, want deze concluderende zin is onderdeel van het patroon en geen afwijking daarvan. Daarnaast krijgt Juda een aparte alinea (vers 12), maar is dat bij Jozef (vers 19-20) niet het geval. In dit hoofdstuk heeft de BGT de structuur van de Hebreeuwse tekst op hoofdlijnen gevolgd, maar in de nadere indelingen niet altijd consequent doorgevoerd.

Conclusie en discussie

Geslachtsregisters vertellen een eigen verhaal. In deze brugpassages met hun strakke structuur bevinden zich veelzeggende variaties. Vaak vinden we deze variaties bij figuren die een hoofdrol spelen in de omringende teksten. Een goed voorbeeld daarvan zijn Adam en Noach in Genesis 5 en Jozef in Genesis 46. Soms vinden we variaties bij figuren die een belangrijke rol spelen in de geschiedenis van Israël, zoals Juda (Genesis 46) of de Kanaänieten (Genesis 10). Soms is de reden onduidelijker, bijvoorbeeld bij Henoch (Genesis 5) of Nimrod (Genesis 10). Hier zou het kunnen gaan om figuren die in bepaalde tradities bekendheid genoten (tradities die buiten de Bijbel zijn gebleven) of juist om figuren die zijn gecreëerd op basis van parallellen in het oude Nabije Oosten en zo een knipoog bevatten naar de volken om Israël heen.

Kortom, geslachtsregisters zijn veel meer dan lijsten met namen. Ze vertellen een verhaal, al zijn ze niet als verhaal geschreven. Dat die verhalen weinig aan bod komen is een gemiste kans. Het is duidelijk dat de vertalers van de BGT oog hebben gehad voor dat verhaal. Ze proberen de opvallende aspecten goed uit te lichten. In het geval van Genesis 5 is dat uitstekend gelukt. Ook in Genesis 10 komt de hoofdstructuur van de tekst tot zijn recht. Tevens wordt het verschil tussen breedte (Cham) en diepte (Sem) zichtbaar. In Genesis 46 is het onzes inziens minder goed gelukt om het patroon en de afwijkingen daarop in de vertaling uit te lichten.

Samenvattend: de BGT weet opvallend veel subtiliteiten van de Hebreeuwse tekst een plaats te geven in de vertaling. Tegelijk is er op dit punt ook nog steeds veel te winnen.


M. J. Luteijn BA  is student in de predikantsmaster van de Protestantse Theologische Universiteit en schreef in zijn masterscriptie onder andere over de tekstindeling in Genesis.
R. B. ten Hoopen MA is promovendus (aio) aan de Protestantse Theologische Universiteit, locatie Amsterdam. Hij werkt aan een dissertatie over concepten van onsterfelijkheid in Genesis 2-3 en het Oude Nabije Oosten.


Bronvermelding

Mart Jan Luteijn en Robin ten Hoopen, ‘Hoe vertaal je geslachtsregisters in gewone taal?’ in: Met Andere Woorden 39/1 (juni 2020), 52-59.

Geraadpleegde literatuur

  • Robin B. ten Hoopen, ‘Genesis 5 and the Formation of the Pentateuch. A Redaction Historical Case Study’ in: Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft 129/2 (2017), 177-93.
  • Robin B. ten Hoopen, ‘Where Are You, Enoch? Why Can’t I Find you? Genesis 5:21–24 Reconsidered’ in: Journal of Hebrew Scriptures 18/4 (2018), 1-23.
  • Robin B. ten Hoopen & Mart Jan Luteijn, ‘Reading Between the Lines. An Analysis of the Text Division in the Genealogies of the Book of Genesis in Three Dutch Translations’ in: G. Bady & M.C.A. Korpel (eds.), Les délimitations éditoriales des Écritures des bibles anciennes aux lectures modernes, Pericope 11, Leuven (verschijnt 2020).
  • Arie van der Kooij, ‘“Nimrod a Mighty Hunter Before the Lord!” Assyrian Royal Ideology as Perceived in the Hebrew Bible’ in: Journal for Semitics 21/1 (2012), 1-27.
  • Matthijs de Jong, Hoe vertaal je de Bijbel in Gewone Taal? Uitgangspunten, keuzes, dilemma’s, Heerenveen 2014.
  • Seth Sanders, From Adapa to Enoch: Scribal Culture and Religious Vision in Judea and Babylon, Tübingen 2017.
  • Peter-Ben Smit, ‘Exegetische schets bij de stamboom van Jezus’ in: Met Andere Woorden 36/2 (november 2017), 52.
  • Eveline van Staalduine-Sulman, ‘Theologische petuchot en setumot in de boeken Samuël’ in: Alef Beet 22/1 (2012), 16-25.