Het vertalen van contextuele implicaties als oplossing en als probleem

Dr. Lourens de Vries

Vaak zeg je als taalgebruiker minder dan je eigenlijk bedoelt, maar toch komt de bedoeling uitstekend over. Sterker: als je heel precies en uitgebreid zou zeggen wat je eigenlijk bedoelt, mislukt de communicatie. Hoogleraar bijbelvertalen De Vries verkent de grenzen van dit probleem bij het vertalen.

Contextuele implicaties zijn bedoelingen die een taalgebruiker geheel uit de context van een taaluiting afleidt. Als ik zeg ‘het regende hard en ik ben kletsnat geworden’, dan zal een luisteraar daaruit de bedoeling (contextuele implicatie) afleiden dat ik door de regen zo nat ben geworden. Dat oorzakelijke verband, hoewel bedoeld, wordt nergens uitgedrukt in mijn uiting.

ID: block_6049ee3acc537

Grice heeft het onderscheid meaning (betekenis) en implicature (contextuele implicatie) een definitieve plaats gegeven in de betekenisleer. Comrie (1985) laat helder zien, aan de hand van onder meer de analyse van de betekenissen van werkwoordstijden, hoe moeizaam en tegelijk essentieel dit onderscheid is voor de taalbeschrijving, Gutt (1991) werkt de consequenties van het onderscheid uit voor de vertaalwetenschap.

Er gaapt altijd een kloof tussen de uitgedrukte betekenis van een taaluiting en haar bedoeling. Wat de luisteraar eenvoudig kan afleiden of al weet, hoeft de spreker niet onder woorden te brengen. Sterker nog, de communicatie lijdt eronder als mensen veel meer zeggen dan nodig is: de kern of focus van wat ze willen zeggen sneeuwt onder en de luisteraars gaan ondertussen aan iets anders denken.

Naast deze belangrijke kwantitatieve reden voor de kloof tussen betekenis en bedoeling, zijn er kwalitatieve redenen. Als mijn vrouw zegt, ‘wat een beestenbende, die studeerkamer van je’, dan bedoelt zij een hele reeks dingen, maar als je die contextuele implicaties zou proberen te expliciteren in een reeks beweringen, dan zouden twee zaken aan het licht komen. In de eerste plaats is niet elke implicatie even sterk bedoeld, er zijn sterkere en zwakkere contextuele implicaties. In de tweede plaats weet je van sommige beweringen op het lijstje niet of ze wel bedoeld zijn: de lijst heeft vage grenzen. Hier een mogelijk lijstje:

ID: block_6049ef662ace5

Dit is een bewerking van een voorbeeld van Gutt (1991), die de problematische kanten van het expliciterend vertalen van contextuele implicaties uitvoerig behandelt.

(a) je studeerkamer is onopgeruimd
(b) je studeerkamer is vuil
(c) je studeerkamer stinkt
(d) je studeerkamer is stoffig

Hoort (c) erbij? En (d)? Is (b) niet zwakker geïmpliceerd dan (a)?

Contextuele implicaties in vertalingen

Contextuele implicaties zijn dus moeilijk vast te stellen, zeker bij een zeer oude tekst waarbij we geen goede toegang meer hebben tot de situationele en cultureel-historische context. Maar gesteld dat een vertaler de contextuele implicaties op een rijtje heeft kunnen krijgen, dan doemt een nieuwe reeks problemen op zodra de vertaler die implicaties expliciet formuleert in de vertaling: kwesties van focus, redundantie en van zwak en sterk gecommuniceerde informatie.

Impliciet gecommuniceerde informatie verandert wezenlijk bij explicitatie.

Vergelijk:

(a) het regende hard en ik werd kletsnat
(b) het regende hard en daarom werd ik kletsnat

In (b) is een contextuele implicatie van (a) expliciet geraakt maar (b) is een andere boodschap geworden: de focus ligt veel meer op het oorzakelijke verband. In (b) wordt het causale element veel sterker gecommuniceerd dan in (a). De luisteraar van (b) zal eerst in de context gaan zoeken naar de reden van het toevoegen van ‘daarom’ in (b). Als daar geen speciale reden voor te vinden is, bevat (b) overtollige informatie. Waarom zou de spreker het oorzakelijke verband aangeven als dat volstrekt voor de hand liggend is?

Bij het vertalen worden altijd sommige betekenissen uit de grondtekst omgezet in contextuele implicaties en sommige contextuele implicaties van de grondtekst omgezet in betekenissen in de vertaling. Heel vaak dwingen grammaticale en lexicale verschillen tussen talen tot zulke verschuivingen, soms zijn het vertaalkeuzes die tot dergelijke verschuivingen leiden. Een voorbeeld van door taalstructuur afgedwongen verschuiving in de communicatieve balans tussen betekenis en bedoeling: het Indonesisch kent geen getalsonderscheidingen bij naamwoorden, in tegenstelling tot het Grieks. Dit leidt tot grootschalig omzetten van getalsbetekenissen (enkelvoud, meervoud) van de Griekse tekst in contextueel door Indonesische lezers af te leiden bedoelingen over enkel- of meervoudigheid van de referenten van zelfstandige naamwoorden in de Indonesische tekst.

Betekenen de problemen rond contextuele implicaties nu dat vertalers van de bijbel zoveel mogelijk explicitatie van contextuele implicaties moeten vermijden? Dat ook weer niet: de functie van een bijbelvertaling bepaalt (mede) in welke mate vertalers her sterke en riskante middel van explicitatie moeten inzetten.

In bijbelvertalingen die toegankelijk willen zijn voor een publiek dat weinig affiniteit met de bijbelse wereld heeft, is explicitatie van contextuele implicaties een middel om lezers tegemoet te komen die wellicht niet zelf de juiste implicaties kunnen afleiden of die onjuiste implicaties zouden kunnen afleiden. Voorbeelden hiervan betreffen de vertaling van nieuwtestamentische termen als adelfoi, ‘broeders’, en hoi Ioudaioi, ‘de Joden’.

Waar lezers uit de aanduiding ‘de Joden’ tot algemeen anti-Joodse bedoelingen zouden kunnen besluiten of uit ‘broeders’ tot lezingen die vrouwen uitsluiten, worden contextuele implicaties vaak expliciet gemaakt in dit type vertalingen. ‘De Joden’ wordt dan bijvoorbeeld ‘de Joodse leiders’ en ‘broeders’ wordt ‘broeders en zusters’.

In bijbelvertalingen die ook kerkelijke en liturgische functies willen vervullen moet mijns inziens grote terughoudendheid worden betracht bij explicitatie van contextuele implicaties. Er is een aantal belangrijke redenen voor deze terughoudendheid.

In de eerste plaats het redundantiespook, het doodslaan van de communicatie door onnodig veel te zeggen. In de Nieuwe Bijbelvertaling wordt pathein in Handelingen 1:3 vertaald met ‘lijden en dood’ (‘Na zijn lijden en dood heeft hij hun herhaaldelijk bewezen’). Nu is het zo dat paschô, ‘lijden’, in het taalgebruik van de Handelingen het sterven van Jezus sterk impliceert, en dat zal de reden zijn geweest om in Handelingen 1:3 deze contextuele implicatie expliciet te maken. In de Groot Nieuws Bijbel is de betekenis ‘lijden’ zelfs geheel geïmpliciteerd en de contextuele implicatie van het sterven geëxpliciteerd: ‘Aan hen ook heeft hij zich na zijn dood vele malen laten zien’ De Groot Nieuws Bijbel gaat dus nog veel verder dan de Nieuwe Bijbelvertaling in verschuivingen in de communicatieve balans van betekenis en bedoeling. Naar mijn smaak is de explicitatie van het sterven van Jezus bij de vertaling van paschô redundant voor een kerkelijk publiek: zij kunnen zelf uit het gebruik van het woord ‘lijden’ in de context van dit geschrift de implicatie van Jezus’ sterven afleiden.

In de tweede plaats, explicitatie heeft vaak stilistische gevolgen. Waar compacte zeggingskracht kenmerkend is voor de bron, kan explicitatie leiden tot wijdlopig aandoende formuleringen. Zo expliciteert de Groot Nieuws Bijbel de compacte Paulinische formulering dikatosunê theou, ‘gerechtigheid van God’, in Romeinen 1:17 tot ‘dat de mens in de ogen van God rechtvaardig is’. Gegeven de functie van de Groot Nieuws Bijbel is deze vertaling verdedigbaar, maar voor een bijbelvertaling die ook in de kerk goed wil functioneren is een grotere compactheid op deze plaats wenselijk, en ook mogelijk, doordat predikant en gelovigen in de eredienst tot uitspelling van de contextuele implicaties van Romeinen 1:17 kunnen komen.

In de derde plaats is terughoudendheid gewenst bij het expliciteren van contextuele implicaties vanwege het feit dat heel vaak juist in de balans van uitgedrukte betekenis en geïmpliceerde bedoelingen de verwevenheid van brontekst en historisch-culturele en ideologische veronderstellingen blijkt. Door die balans te verstoren in de vertaling vindt er subtiele maar sterke transculturatie plaats: de verwevenheid tussen tekst en oude wereld maakt plaats voor verwevenheid van vertaling met moderne veronderstellingen en voorstellingen.

De vertaling van adelfoi, ‘broeders’, in Handelingen 1:15 en 1:16 illustreert zowel de problematische vaststelbaarheid van contextuele implicaties van oude teksten als de relatie tussen transculturatie en het expliciteren van contextuele implicaties. In de perikoop van Handelingen 1:15 tot 1:26 gaat het om de vervanging van Judas in een vergadering waarin Petrus een toespraak houdt die uitloopt op de verkiezing, door loting, van Mattias. De perikoop begint met te vertellen dat Petrus het woord neemt temidden van de adelfôn, ‘broeders’, en de vergadering aanspreekt met andres adelfoi, ‘mannenbroeders’. De Groot Nieuws Bijbel, die op andere plaatsen adelfoi wel met ‘broeders en zusters’ vertaalt (bijvoorbeeld in Romeinen 1:13), vertaalt (andres) adelfoi in Handelingen 1:15 en 16 met ‘broeders’; de Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt met ‘leerlingen’ (1:15) en ‘broeders en zusters’ (1:16). Kennelijk is het niet eenduidig uit te maken of in deze context van de apostelvergadering over de vervanging van Judas de zusters al dan niet contextueel geïmpliceerd zijn.

Maar ook als de zusters contextueel geïmpliceerd zouden zijn in Handelingen 1:15 en 1:16 blijft het een legitieme vraag of hier en elders de contextuele implicaties expliciet moeten worden gemaakt, in een vertaling voor een publiek dat vertrouwd is met de bijbelse wereld. In de antropologische linguïstiek is veel bekend geworden over de verwevenheid van pragmatiek en culturele praktijken (Foley 1997). De communicatieve balans van explicatie en implicatie in Handelingen 1:15/16, waarin de broeders expliciet worden aangesproken en de zusters contextueel geïmpliceerd, weerspiegelt de historisch-culturele praktijken van een andere samenleving dan de onze. Door de expliciterende vertaling ‘broeders en zusters’ verschuift de focus van de aanspraak en wordt de vertaling losser gemaakt van de wereld van de bron dan nodig is in een vertaling voor lezers die affiniteit hebben met de bijbelse wereld.

Hetzelfde betoog kan worden gehouden over de vertaling van de nominativus pluralis hoi Ioudaioi, ‘de Joden’. Vertalingen als de Good News Bible vertalen de term als ‘the Jewish authorities’, ‘the people’, ‘the crowd’, al naar gelang de contextuele implicatie. Maar ook hier gaat een samenhang verloren tussen taalgebruikspatroon en historisch-culturele patronen, een samenhang die Ellingworth (1998: 128) zo verwoordt: ‘Apparent anti-Semitism is thereby avoided, but at the cost of losing the generalising overtones of a situation in which church and synagogue were moving relentlessly apart.’

In de vierde plaats is terughoudendheid gewenst in vertalingen die ook in de kerk willen functioneren met het oog op de grotere exegetische ruimte die vertalingen bieden welke zich vooral op het weergeven van de uitgedrukte betekenissen richten en niet (alle) bedoelingen willen uitspellen. Een te grote mate van invullen en uitleggen kan het resultaat zijn van het expliciteren van contextuele implicaties, en dat perkt de exegetische ruimte te veel in voor kerkelijk gebruik.

Een voorbeeld kan dit duidelijk maken. In Marcus 1:1 staat te lezen archê tou euaggeliou Iêsou Christou, ‘begin van het evangelie van Jezus Christus’. Sommige exegeten zullen de adnominale genitivus Iêsou Christou in deze context lezen als ‘(het evangelie) over Jezus Christus’.

Anderen leiden wellicht een andere bedoeling af: het evangelie afkomstig van of verkondigd door Jezus Christus. Als de uitlegger euaggeliou als een genre-aanduiding leest (evangelie als evangelieverhaal), zal hij de genitivus misschien eerder lezen als ‘het evangelie over Jezus Christus’; leest hij het als ‘goede boodschap’, dan kan hij Jezus als de verkondiger van dat goede nieuws opvatten. Weer andere uitleggers leiden wellicht meer dan één contextuele implicatie af: het goede nieuws afkomstig van en het evangelieverhaal over Jezus Christus.

De betekenis van de Griekse adnominale genitivus is een heel algemene: de genitivus drukt een verband of betrekking uit tussen het (voor)naamwoord in de tweede naamval en het hoofdnaamwoord. Een vertaling met het Nederlandse voorzetsel ‘van’ geeft die betekenis goed weer (‘evangelie van Jezus Christus’) en laat de bedoeling open. Een vertaling met ‘over’ (‘evangelie over Jezus Christus’) zou één bepaalde mogelijke bedoeling (contextuele implicatie) door explicitatie naar voren halen en andere uitsluiten.

Adnominale genitivi met veel exegetische ruimte komen zeer veel voor in het Nieuwe Testament. In een standaardbijbelvertaling met (ook) kerkelijke functies zou waar mogelijk veel van die exegetische ruimte behouden moeten blijven.

Conclusie

Afhankelijk van de functie van een bijbelvertaling kan het expliciteren van contextuele implicaties een oplossing zijn (voor het probleem van misverstanden en geringe toegankelijkheid) of een probleem (door overtollige uitleggerigheid, door verschuivingen in focus, door te sterk weergeven van zwakke implicaties en door transculturaties wegens de verwevenheid van taalgebruikspatronen en historische en culturele praktijken).


Prof. dr. LJ. de Vries is namens het NBG hoogleraar bijbelvertalen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.


Bronvermelding

L.J. de Vries, ‘Het vertalen van contextuele implicaties als oplossing en als probleem’ in: Met Andere Woorden 18/3 (1999), 37-43.

Literatuur

  • Comrie, Bernard, Tense. Cambridge (C.U.P.) 1985.
  • Ellingworth, Paul, Translating the language of leadership. Technical Papers for the Bible translator, vol. 49, (1998, January), p. 126-138.
  • Foley, William A, Anthropological Linguistics. Oxford (Blackwell) 1997.
  • Grice, H., Logic and conversation. In: Cole, P. and Morgan, J. (eds), Syntax and Semantics, vol. 3, 41-58, New York (Academic Press) 1975.
  • Gutt, Ernst August, Translation and relevance: cognition and context, Oxford (Blackwell) 1991.