Het klopt niet en toch klopt het

Door Paul Visser

Psalm 91 opent ontroerend mooi:

Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont
en overnacht in de Schaduw van de Ontzagwekkende,
zegt tegen de HEER: Mijn toevlucht, mijn vesting,
mijn God, op U vertrouw ik.

Psalm 91:1-2, NBV

Een tekst, die nogal eens ter bemoediging wordt aangereikt bij ziekte en zorg. Logisch. De dichter ziet de dreiging van rondom en het donker van de nacht en verwijst je naar Hem, de Allerhoogste en Nabije. Een betere Steun kun je niet hebben!

Irritante stelligheid

Opvallend genoeg komt er zelden een tekst voorbij uit het vervolg van de psalm. Logisch. Want lees je verder, dan begint het te kriebelen. Het strookt niet met de werkelijkheid. Erger nog: het klopt gewoonweg niet met God. Althans, niet met dat wat wij hier en nu aan Hem beleven. Gezongen wordt dat Hij je redt van dodelijke pest, je niks te vrezen hebt van rondvliegende pijlen, jij staande blijft terwijl ze bij bosjes om je heen vallen, wij zo door de engelen worden gedragen dat we nooit in een vrije val terechtkomen en dat we leeuwen en slangen moeiteloos vertrappen. Wat moet je ermee? Je weet allemaal dat het zo niet werkt. De stelligheid waarmee dit allemaal wordt beweerd, irriteert. Helemaal als het in ons leven precies andersom gaat dan in dit lied. Als jij wél geveld werd door een akelige kwaal of jouw geliefde plots geraakt werd door een dodelijke pijl. Als jij onderuit ging, maar van engelen die toeschoten en opvingen niks gemerkt hebt.
En wat te denken van die zin: Open je ogen en zie hoe wie kwaad doen worden gestraft (vers 8)? Je broeders en zusters in de verdrukking en tallozen anderen in deze wereld weten wel anders. Wie geregeld journaal kijkt, weet het ook. Negen van de tien keer lijden daders geen centje pijn. Tot op de hoogste niveaus komen ze ermee weg, terwijl slachtoffers het nakijken hebben.
Al met al klemt de vraag: Waar haalt die dichter het vandaan om zwart op wit te beweren dat je met God erbij alle kwaad kunt bezweren? Eerlijk gezegd wist ik lange tijd niet goed raad met dit lied. Ik zag het niet zitten erover te preken, had het gevoel dan recht te moeten praten wat krom is.

Ophemelen

Tot ik – min of meer tot mijn stomme verbazing – ontdekte dat het klopt, zolang je het niet kloppend wilt maken. Wat ik bedoel? Het drong steeds meer tot me door dat de dichter geen theorie doorgeeft over hoe het ons vergaat in dit ondermaanse. Nee, hij zingt een lofzang op de Allerhoogste en op wat hij in de loop van de jaren van Hem heeft ervaren. De eerste zin verklaart het vervolg. Thuis bij God – wonend in Zijn beschutting en overnachtend in Zijn schaduw – is de dichter met Hem vertrouwd geraakt. En nu verhaalt hij wat hij gaandeweg heeft ondervonden. Hoe zijn God hem trouw bleef en hem verrassend opving, kwaad overwon waar hijzelf niet tegenop kon, hem bewaarde op momenten dat het logisch gezien gedaan had moeten zijn, de rollen omkeerde waardoor boze opzet tot mislukken gedoemd bleek.
In dichterlijke vrijheid componeert hij die ervaringen samen tot één geheel om eens breed uit te pakken over God. Taal van liefde is het, die even niets anders wil dan de ander ophemelen. Zoals geliefden kunnen doen bij een verjaardag of jubileum. Eenzijdig? Zeker! Maar wie haalt het in zijn hoofd de spreker op zo’n moment in de rede te vallen omdat het maar het halve verhaal is? Geen mens toch? We applaudisseren. Het vertelde klopt, al weten we echt wel dat daarmee niet alles is gezegd.

Vertrouwd met God

Zo wil, denk ik, dit lied gelezen zijn. De dichter is niet wereldvreemd. Hij weet heel goed wat er te koop is aan dreiging en onrecht. Maar hij is zó eigen met God geworden, dat hij van één ding overtuigd is geraakt: de Allerhoogste en Ontzagwekkende is de Ene die elk kwaad de baas kan. Wat ons ook overkomt, Hij krijgt het eronder. Wie Hem tot toevlucht heeft, trekt uiteindelijk aan het langste eind.
Als vanzelf wordt de psalm daarmee een lied, dat verder kijkt dan hier en nu. Paulus sluit er later naadloos bij aan. Met de Opgestane voor ogen zingt hij: Jezus moet als koning heersen, totdat God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd, tot en met de laatste toe, de dood! (vgl. 1 Kor. 15:20-17) Christus maakt waar wat de psalmdichter al zag gebeuren.
Gelukkig als je zo vertrouwd bent geworden met God, dat je hier niet op afdingt maar ernaar uitkijkt. Terwijl je er intussen nu al hier en daar een teken van ziet.

Dr. Paul J. Visser
Predikant binnen de Protestantse Kerk in Nederland en is verbonden aan de Maranathakerk in Rotterdam-Zuid.

Dit bericht is geplaatst op maandag 23 november 2020