Het boek Hooglied in de NBV21

Archibald van Wieringen en Frank Bosman

Met Andere Woorden 40/2

Bijbelvertalen is een spannende onderneming, bijbelse poëzie vertalen nóg spannender. En dat geldt zeker voor het Hooglied. De wijzigingen in de NBV21 zijn bescheiden en naar onze mening over het algemeen geslaagd.

Hooglied spreekt over de liefde in allerlei over elkaar heen buitelende metaforen, die voortkomen uit een voor ons nu vreemde cultuur van het Oude Nabije Oosten. Deze metaforen gaan over borsten, lippen, oren, neuzen, benen en buiken. Ze noemen bloemen, bomen, planten en druiven, gazellen, duiven en kalfjes. Maar wat de metaforen vooral moeilijk maakt, is het feit dat ze ook ontleend zijn aan de praktijk van het herdersleven of militaire leven van die tijd, meer dan twee millennia geleden.

De lichamelijke erotiek van de metaforen in het Hooglied wordt in de herziene NBV volop recht gedaan, zoals in Hooglied 7:9-10: ‘Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen, / ik wil zijn bladeren grijpen. / Laten jouw borsten / als trossen van de wijnstok zijn, / je adem als de geur van appels, / je tong als zoete wijn / die zo naar mijn liefste stroomt / en hem in zijn slaap op de lippen vloeit.’

De meeste aanpassingen die in de NBV21 in Hooglied zijn aangebracht, zijn beperkt. Kennelijk waren de vertalers tevreden met wat er al lag. Sommige ingrepen in de vertaling zijn minimaal. ‘Vuil maken’ wordt ‘vuilmaken’ (Hooglied 5:3), ‘die druipen’ wordt ‘druipend’ (5:13), ‘naartoe gegaan’ wordt ‘naartoe’ (Hooglied 6:1) en ‘daar buiten’ wordt ‘daarbuiten’ (8:1).

Gezoogd aan mijn moeders borst

Andere aanpassingen zijn iets groter. Zo is ‘dronk jij nog maar (aan mijn moeders borst)’ verbeterd tot ‘gezoogd (aan mijn moeders borst)’ (8:1). Uiteraard wordt in de tekst niet bedoeld dat de aangesproken geliefde nog steeds een zuigeling zou zijn. Ook de aanpassing van ‘dat heb ik van haar geleerd’ naar een modale uitdrukking ‘en jij zou me alles leren’ ( 8:2), waarin nu ook de juiste persoonlijke voornaamwoorden eerste en tweede persoon worden gebruikt, is positief.

Hooglied 8:1-2

NBV

1Was jij maar mijn broertje,
dronk jij nog maar aan mijn moeders borst.
Als ik je dan vond, daar buiten,
dan kuste ik jou,
en niemand zou me verachten.
2Dan nam ik je mee
en bracht je in mijn moeders huis.
Dat heb ik van haar geleerd.

NBV21

1Was jij maar mijn broertje,
gezoogd aan mijn moeders borst.
Als ik je dan vond, daarbuiten,
dan kuste ik jou,
en niemand zou me verachten.
2Dan nam ik je mee
en bracht je in mijn moeders huis,
en jij zou me alles leren.

Een wel van levend water

De aanpassing in Hooglied 4:15 is wat ingewikkelder. De geliefde wordt eerst met een ‘bron’ vergeleken. Een ‘bron’ is een natuurlijke toegang tot drinkwater. De geliefde is vanzelfsprekend mooi en biedt zo een toegang tot de liefde. In het parallelle colon wordt de geliefde vergeleken met een ‘put’. Een put is een door mensenhanden gemaakte toegang tot drinkwater. Maar omdat deze put in het Hooglied ‘een put van levend water’ genoemd wordt – dat wil zeggen: stromend water, dus drinkbaar water – heeft men de vertaling ‘een put met helder water’ veranderd in ‘een wel van levend water’. Hoewel een ‘put’ eigenlijk geen wel is, past de keuze binnen de beeldspraak. En ‘water’ en ‘wel’ allitereren natuurlijk lekker.

Witte schapen

In Hooglied 6:6 hebben de vertalers ervoor gekozen een oudere uitleg te schrappen. ‘Je tanden zijn als witte schapen: / twee aan twee komen ze uit het water’, staat er nu te lezen, zonder het oudere ‘klaar voor de scheerder’. Natuurlijk, het is voor een niet-pastorale lezer wel handig te weten dat schapen soms gewassen werden voordat ze geschoren werden om hun witte kleur beter uit te laten komen, maar dergelijke vormen van uitleggend vertalen horen inderdaad niet thuis in de NBV, hoewel men in plaats van het algemene woord ‘water’ beter voor een andere vertaling had kunnen kiezen, zoals ‘wasplaats’. Deze aanpassing is niet in Hooglied 4:2 doorgevoerd, omdat de brontekst daar een extra woord heeft, dat ‘klaar om geschoren te worden’ betekent.

Gesluierde vrouw

De aanpassing in Hooglied 1:7 verdient de aandacht. Er is voor gekozen om de vrouwelijke geliefde ‘zwaar gesluierd’ langs de kuddes te laten gaan, in plaats van ‘dwalend’. Het woord waar het hier om draait, betekent ‘zij die een sluier om zichzelf slaat’. Een sluier kan allerlei associaties oproepen, bijvoorbeeld rouw. Maar aangezien het om de liefde gaat, zal hier de sluier wel bedoeld zijn als erotisch kledingstuk. Het is een spel van verhulling en onthulling. Een beetje te zien, spannend; een beetje niet te zien, nog uitdagender. Die sluiers waren van kantwerk en vaak half doorzichtig. Als Rebekka in Genesis 24 haar aanstaande echtgenoot Isaak voor het eerst ziet, doet ze een sluier om, niet omdat Isaak haar niet mag zien, maar als begin van het liefdesspel. Het woordje ‘zwaar’ in de herziene vertaling is daarom wellicht wat te zwaar.

Vaandelvrouw

In Hooglied 6:4 en Hooglied 6:10 bezong de mannelijke protagonist zijn geliefde als ‘zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw’. Dat is nu vertaald met ‘een ontzagwekkende verschijning’. Deze vertaling loopt via de etymologie van het Hebreeuwse woord in kwestie van het Akkadische werkwoord dat ‘zien’ betekent, en dat vervolgens geïnterpreteerd wordt als ‘het zichtbare’. Wij zouden er de voorkeur aan geven vast te houden aan ‘banier’, zodat de betekenis zoiets is als ‘beladen met wapenstandaarden’. Voor de gemiddelde lezer is de nieuwe vertaalkeuze vast beter te begrijpen, maar de vertaling ‘vaandelvrouw’ is daarentegen niet alleen zeer creatief, maar behoudt ook de militaire associatie die soms zo kenmerkend is voor de poëzie van Hooglied. Bovendien is aan de nieuwe vertaalkeuze niet meer te zien dat het om een vrouwelijk woord gaat en dat is wel zo aardig om in de vertaling te behouden.

God in de tekst

Hooglied 8:6 is een klassiek interpretatieprobleem binnen de oudtestamentische exegese. De NBV leest: ‘De liefde is een vlammend vuur, / een laaiende vlam’, terwijl de herziening luidt: ‘De liefde is een vlammend vuur, / een vuurgloed van de HEER.’ De Masoreten, die de Hebreeuwse tekst hebben verzorgd, lijken de laatste twee letters gelezen te hebben als ‘Jah’, de verkorte vorm van de Godsnaam ‘JHWH’. Wellicht was er ook behoefte aan om dit theofore element aan te wijzen, omdat dit de enige plek in het Hooglied is. De Griekse Septuaginta geeft dit theofore element niet.

Ga nu vlug, mijn lief!

Ook het slotvers van Hooglied (8:14) stelt vertalers altijd voor uitdagingen. Het Hebreeuwse werkwoord geeft een snelle beweging aan, maar de richting is niet altijd even duidelijk. Zij is aan het woord, hij is het object. De Willibrordvertaling uit 1981 vertaalt ‘Kom snel’, een passend einde van een boek dat lijkt te draaien om twee geliefden die elkaar eindelijk vinden. Eind goed, al goed. Maar de Bijbel in Gewone Taal vertaalt het tegenovergestelde: ‘Ga nu vlug weg.’ Het zelfde doet de NBV: ‘Ga nu van mij weg.’ Dit suggereert dat ze hem wegstuurt! Het lijkt als een stiekeme vrijage, het vieren van een geheime liefde, en zij weet dan ook dat het feest niet te lang kan duren. De oude orde moet worden hersteld. De NBV21 laat de richting van de beweging in het midden en kiest voor ‘Ga nu vlug, mijn lief!’ Er spreekt tederheid uit en besluitvaardigheid.

Naar ons idee speelt de vrouwelijke protagonist in het Hooglied hard to get. Het definitief elkaar beminnen ligt als het ware voorbij de tekst. De bewegingsrichting aan het slot van Hooglied drukt dit spel uit als een open einde. De keuze van de NBV21 kan hierin goed passen.


Prof. dr. A.L.H.M. van Wieringen is hoogleraar Oude Testament aan de Universiteit van Tilburg. Dr. F. Bosman is onderzoeker aan de Universiteit van Tilburg.


Lees meer artikelen uit Met Andere Woorden jaargang 40

Bronvermelding

Archibald van Wieringen en Frank Bosman, ‘Het boek Hooglied in de NBV21’ in: Met Andere Woorden 40/2 (oktober 2021), 52-55.