Hervormingsdag

Door Dick Wursten

Op 31 oktober vieren we Hervormingsdag. Veel kerken staan dan stil bij wat de Reformatie ons gebracht heeft – niet in de laatste plaats een Bijbel in onze eigen taal. Hoe ging bijbellezen eigenlijk in z’n werk, zo’n 500 jaar geleden? Dick Wursten neemt je mee naar Zurich anno 1520.

Samen luisteren, dan kan God spreken

‘Eindelijk spreekt God Nederlands …’ Als slagzin niet te versmaden wanneer je een nieuwe bijbelvertaling aan de man wilt brengen. Luther zei het exact vijfhonderd jaar geleden ook al (maar dan in het Duits) toen hij z’n vertaling van het Nieuwe Testament op de markt bracht. De idee dat de Bijbel in de volkstaal moet worden vertaald, en dat het liefst ieder mens een exemplaar op z’n nachtkastje moet hebben liggen waarin hij of zij dan dagelijks een stukje leest, is misschien wel hèt kenmerk van de protestantse christen.

Ik zal het maar bekennen: ik heb het geprobeerd, echt waar, maar het is me niet gelukt. Zonder en met een leesrooster, met een overdenking met vragen onderaan, via de lectio divina-methode: ik heb het nooit kunnen volhouden. Lang heb ik me daar schuldig over gevoeld, maar tegenwoordig heb ik er vrede mee. Sterker nog: ik ben van mening dat de Bijbel ook niet in de eerste plaats bedoeld is om in je eentje te gaan lezen.

Zwingli’s experiment

De wat vergeten Reformator van Zürich, Huldrych Zwingli (1484-1531) zag dit ook zo. Dat blijkt uit een bijzonder origineel experiment dat hij in de jaren 1520 heeft gedaan. Zwingli was een echte talenman; hij vond de herontdekking van de brontalen van de Bijbel fascinerend. Al snel las hij het Nieuwe Testament in het Grieks (en wat klonk het opeens anders, fris, bevrijdend!). En natuurlijk wou hij ook het Oude Testament in het Hebreeuws horen, maar die taal beheerste hij nog niet voldoende (dit tekort heeft hij snel geremedieerd). Daarvoor deed hij dus een beroep op de eerste generatie geleerden die zich het Hebreeuws hadden eigengemaakt: Konrad Pellikan en Leo Judae. Voor Zwingli was dit geen privé-liefhebberij: hij vond dat alle christenen er recht op hadden de Bijbel in de grondtalen te horen. In die talen schuilt immers een hele wereld die je buiten die talen om niet echt kunt ontdekken. En zonder die wereld te kennen kun je God ook niet echt verstaan. Het Woord is immers wel ‘vlees’ geworden, maar toen Hij (maar u mag ook Zij zeggen) weer ‘Woord’ werd, bleek God Hebreeuws en Grieks te spreken.

Zwingli besefte natuurlijk wel dat hij niet van ieder mens kon verwachten dat die de bijbelse talen onder de knie zou krijgen. Dus zorgde hij dat er snel deelvertalingen van de Bijbel ter beschikking kwamen. Maar dat was voor hem geen eindpunt. Neen, nog steeds moesten de mensen God kunnen horen in zijn (Gods) eigen taal. Ja, ik schrijf bewust ‘horen’. Zwingli was ervan overtuigd dat de Bijbel een ‘voorleesboek’ was; en dat een kerkdienst wezenlijk een bijeenkomst was van leergierige, luisterbereide mensen. Dus organiseerde hij samenkomsten waarin de Bijbel werd voorgelezen en toegelicht vanuit de grondtalen. Prophezei noemde hij deze bijeenkomsten (zie 1 Korintiërs 14:26-33). Ze vonden plaats in het koor van de hoofdkerk van Zürich. En iedereen was welkom. Men begon gewoon bij Genesis 1. Nadat een student een stuk had voorgelezen in de gangbare vertaling (Latijn, Vulgaat) , kreeg Konrad Pelikan het woord en las hetzelfde stuk voor in het Hebreeuws, met toelichting. Filologisch, exegetisch. Dan ontstond er een gesprek tussen de aanwezigen over wat er nu bedoeld zou zijn. Hierbij deed men zelfs af en toe een beroep op een Joodse stadsgenoot, omdat men er niet uitkwam. Ter afronding van dit ‘onderwijs-leergesprek’ rond een bijbelgedeelte legde de leider van de vergadering (meestal Zwingli) een nieuwe tekst op tafel die als vertaling zou kunnen dienen. Daarna werd een van de predikanten aangeduid om een overdenking te houden naar aanleiding van de zopas ont-dekte bijbeltekst. Voordat hij het woord mocht nemen, sprak Zwingli echter nog een gebed uit – elke keer precies hetzelfde. In dat gebed maakt hij de oversteek ( ik parafraseer): ‘God, wij hebben ons best gedaan om U niet in de weg te lopen met te haastig te menen te weten wat U wil zeggen. Nu is het aan U. Spreek ons nu zelf aan, zodat ons leven verandert.’ De Bijbel is een instrument in Gods handen, waarmee Hij – als wij samen luisterend op zoek gaan naar wat er echt staat – ons leven kan en wil beïnvloeden, ten goede.

Samen luisteren

Terug naar de bijbelvertaling: Zwingli vond vertalingen een geweldig hulpmiddel voor de niet-grondtaalkundigen. Zij konden zo ook deelnemen aan de Prophezei. De vertaling diende dus niet om ermee in een hoekje te kruipen en die voor jezelf in stilte te gaan lezen (dat mag, maar daar is de Bijbel niet het meest geschikte boek voor), maar om aan het gesprek te kunnen deelnemen waarin God tot ons wil spreken. Al lezend, uitleggend, luisterend, reagerend, gaan bijbelgetrouwe christenen op zoek naar wat God nu eigenlijk zeggen wil. Dat is elke morgen weer nieuw, net als zijn goedertierenheid, en valt niet samen met de bijbeltekst zelf. Het gebeurt, in het gesprek dat rond de Bijbel ontstaat. Welke bijbelvertaling je dan gebruikt, is niet zo belangrijk, als ze maar door degelijke taalwetenschappers is vertaald. Trouwens: waarom zou je niet eens meerdere vertalingen tegelijk aan het woord laten komen – en waarom ook niet eens in een andere dan je moedertaal? Dan wordt het gesprek al tijdens de leesfase op gang gebracht. Het lezen van de Bijbel is zo bezien een aanzet tot een gesprek onder mensen waarin Gods Woord kan geschieden.

Dick Wursten
Historicus en theoloog, Antwerpen

Dit bericht is geplaatst op zondag 31 oktober 2021