Genesis in de NBV21 en het joodse verstaan van de Tenach

Lody van de Kamp

Met Andere Woorden 40/2

Het vertalen van G’ds Woord is nooit zomaar een vertaling. Het is de ultieme poging van de mens – aardse schepselen als wij zijn – om de boodschap van G’ds Geest vanuit een veel hogere dimensie in menselijke woorden om te zetten. En menselijke woorden zijn van een heel andere orde dan die Geest die al vanaf dag één op deze wereld aanwezig is (Genesis 1:2).

Roe’ach Elohim

Hoe moeilijk het vertalen is, blijkt meteen al uit de problemen die je als bijbelvertaler tegenkomt bij deze eerste openbaring van het G’ddelijke op de aarde die nog geen dag oud is. Hoe beschrijf je in het Nederlands vanuit de Hebreeuwse grondtekst de woorden Roe’ach Elohim? Is het ‘G’ds wind’? Is het zijn ‘adem’? Of heeft de Bijbel het gewoon over aardse wind, die zoals alles in zijn schepping, door G’d aangestuurd wordt?

Het tot stand komen van de herziene versie van de NBV is een bewonderenswaardige klus die veel respect afdwingt. Dit blijkt niet alleen uit wat er deze maand gaat verschijnen, maar ook door alle reacties en commentaren die in groten getale worden aangereikt. Kennelijk genereert deze nieuwe uitgave ook weer heel veel belangstelling.

Maar ik wil het niet alleen bij complimenten laten. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik ook iets van de verschillen te benoemen tussen wat het vertalen van G’ds Woord betekent binnen het christelijk verstaan van de Bijbel en binnen het joods verstaan van de Tenach – zeg maar het Oude Testament. Laat mij een poging wagen om dat verschil zichtbaar te maken in dat ene hierboven geciteerde vers over G’ds Geest in Genesis.

In de herziene NBV wordt met betrekking tot het woord Roe’ach gesproken over ’geest, wind of adem’. Binnen de joodse traditie, in het kader van de Talmoed of de Midrash, zijn veel diepere lagen aan het woord Roe’ach verbonden. En die moeten dus ook altijd in de betekenis worden meegenomen. Vertalen alleen is nooit voldoende. En met de Talmoed en de Midrash hebben we het over de mondelinge overlevering die onlosmakelijk is verbonden met de schriftelijke tekst.

Hoe zit dat met Roe’ach? Wijlen Opperrabbijn Joël Vredenburg koos er in zijn Tenach-vertaling van 1899 voor om te spreken van ‘Geest’. Maar dan wel met de kanttekening dat deze Geest G’ds zweefde boven zijn aarde zoals ‘een vogel die zijn vleugels losjes spreidt ter bescherming van eieren of jongen’. Dus de beschermende G’d.

Vredenburgs tijdgenoot en collega, opperrabbijn Abraham Samson Onderwijzer, haalt in zijn verklarende vertaling op het commentaar van Rasji (rabbijn Shlomo Yitschaki, Troyes, 1040-1115) een citaat aan dat de betekenis van Roe’ach hogerop zoekt. Het gaat over ‘de zetel van G’ds heerlijkheid die in het luchtruim zweeft boven de oppervlakte van het water’. Dus een expliciet nog verhevener duiding dan alleen een beschermende taak. Overigens is het dan weer Vredenburg die niet nalaat om ook nog een meer praktische functie van de Roe’ach aan te reiken. Het is naast die verheven manifestatie ook een middel om met de ‘wind’ het alom aanwezige water op die eerste scheppingsdag te laten drogen.

Vertaling als gebruiksvoorwerp

Deze beschouwing over dat ene woord in Genesis is dus onderdeel van de joodse exegese die op toch wat anders duidt dan sec vertalen. Maar als we zo omgaan met de Bijbel komt er nooit een handzame vertaling. Er ontstaan dan opnieuw meters en meters boekenplank die niet zonder meer op zondag onder de arm mee zijn te nemen naar de kerk of op zaterdag naar de synagoge.

Dus dan komt ook de vraag naar voren wat deze (verbeterde) NBV-editie voor de joodse gemeenschap betekent. Het antwoord hierop vinden we terug in de meest recente Thora-vertaling waar joods-Nederland – naast de Tanach-uitgave met de Hebreeuwse tekst en de daarbij aangepaste NBV-tekst (zie kader aan het eind van dit artikel) – gebruik van maakt. Dat is de in 1970 verschenen ‘gemakkelijke leesbare vertaling in modern Nederlands’ van de hand van dr. Izaäk (Jitschak) Dasberg. De inleiding van dit qua vertaling absolute meesterwerk De Pentateuch in het Nederlands vertaald begint met de zin: ‘Dit boek is een gebruiksvoorwerp.’ Voor de joodse gelovige is de vertaling een gebruiksvoorwerp. Weliswaar heel essentieel en heel waardevol, maar het blijft een ‘gebruiksvoorwerp’ om G’ds woorden en gedachten beter te kunnen verstaan. Met het vertalen is nooit het laatste woord gezegd. Eigenlijk alleen nog maar het eerste woord. Een kort citaat van Dasberg: ‘Hij die een bijbelvers letterlijk, naar zijn uiterlijke vorm vertaalt is een leugenaar.’ Ja, dat is nogal een uitspraak. ‘Het kan zowel gevaarlijk als foutief zijn al vertalende langs de woorden heen te kruipen.’

Toch heeft Dasberg zich, ook al had hij die visie, zich gewaagd aan een eigen vertaling. En terecht, een vertaling is immers een heel belangrijk gebruiksvoorwerp als sleutel om G’ds Geest beter te kunnen verstaan.

De bescheiden blik die ik op een enkele pagina van de herziene versie van de NBV mocht werpen, sterkt mij in de overtuiging dat wat in de NBV21 voor ons ligt, voor iedere gelovige dan wel niet-gelovige geïnteresseerde een heel zinvol ‘gebruiksvoorwerp’ gaat zijn. En wat de joodse gemeenschap betreft? Ook voor haar heeft deze versie, als werktuig bij het vertalen vanuit het Hebreeuws, zeker een duidelijke functie. Maar, nogmaals: alleen als sleutel tot … De onderliggende lagen vanuit de mondelinge overlevering mogen ook met een handzame vertaling op tafel nooit buiten beeld blijven.

‘Ik ben Ezau’

Een willekeurig ander voorbeeld. In Genesis 27 ontneemt Jakob zijn broer Ezau de eerstgeboortezegen. Getooid in de kleren van Ezau en zijn hals en armen bedekt met de behaarde vellen van het bokje staat hij voor zijn vader. ‘Wie ben jij?’ vraagt zijn vader? Jakob antwoordt: ‘Ik ben Ezau, uw eerstgeboren zoon’. Dat is de vertaling vanuit de grondtekst. Maar dat is voor de verstaander van G’ds Thora niet voldoende. Met deze vertaling staat Jakob zijn vader voor te liegen. Hij is immers niet Ezau. Hij is Jakob. Wat zich hier werkelijk afspeelt is dat Jakob zijn vaders vraag wie hij is beantwoordt met: ‘Ik ben het. Maar weet dat Ezau uw eerstgeborene is. Wilt u hem de zegen geven, dan is dat aan u.’ De mondelinge overlevering wil ons duidelijk maken dat Jakob zijn vader niet voor de gek wil houden. Dus wordt deze zin in tweeën gedeeld: ‘Ik ben Jakob. Punt. Ezau is uw eerstgeborene.’

Om dit soort gedachtegangen in exegese te kunnen volgen, moet de bijbellezer wel enigszins bekend zijn met hoe het jodendom omgaat met de mondelinge overlevering. De opstap daarnaartoe is natuurlijk een goed toegankelijke bijbelvertaling. Ik kijk daarom uit naar het verschijnen van deze nieuwe editie, die heel veel mensen daarbij behulpzaam kan zijn.


Lody B. van de Kamp (BEd.) is rabbijn te Amsterdam.


Lees meer artikelen uit Met Andere Woorden jaargang 40

Bronvermelding

Lody B. van de Kamp, ‘Genesis in de NBV21 en het joodse verstaan van de Tenach’ in: Met Andere woorden 40/2 (oktober 2021), 10-15.

Tanachuitgave met de NBV

De NBV was en is een interconfessionele bijbelvertaling voor kerken en voor de joodse gemeenschap. Joodse deskundigen waren nauw betrokken bij de totstandkoming ervan.

In 2007 publiceerden de Stichting Sja’ar en het NBG de Tanach, een uitgave die de Hebreeuwse brontekst parallel met de Nederlandse vertaling bevat. Een bijzonderheid van deze uitgave is de spelling van namen in de vertaling: die volgt de joodse uitspraak. De Godsnaam wordt weergegeven als DE EEUWIGE, zoals in joodse kring gangbaar is.

Het NBG hoopt dat er op termijn ook een Tanach-editie met de NBV21 zal verschijnen.

De Tanach is te vinden in shop.bijbelgenootschap.nl/product/tanach/