Gastvrijheid en broederschap in Ruth

Reinoud Oosting

Het boek Ruth begint met een expliciete verwijzing naar de periode van de rechters. Is deze verwijzing alleen bedoeld om aan te geven in welke tijd dit verhaal speelt? Of wil deze verwijzing ook duidelijk maken dat de bijbelboeken Rechters en Ruth op een bepaalde manier met elkaar samenhangen? Als dit laatste het geval is, zijn er dan elementen in het verhaal van Ruth die daardoor in een ander licht komen te staan?

ID: block_6295d47a5ec7e

Ik draag dit artikel op aan Jaap van Dorp, die zich jarenlang met hart en ziel heeft ingezet voor het bijbelvertaalwerk in Nederland en daarbuiten.

Samenvatting
Dit artikel gaat na welke samenhang er is tussen de bijbelboeken Rechters en Ruth. Het laat zich niet leiden door de volgorde van deze boeken in de Hebreeuwse Bijbel of de Septuaginta, maar richt de aandacht op de taalkundige en literaire gegevens in deze teksten. De formele en inhoudelijke parallellen tussen de twee boeken wijzen erop dat het begin van Ruth aansluit bij het einde van Rechters en gebruikmaakt van informatie die in deze verhalen te vinden is. Tegelijkertijd maken deze verbanden duidelijk dat Ruth een zelfstandig karakter heeft, omdat het een eigen invulling geeft aan de thema’s ‘gastvrijheid’ en ‘broederschap’ uit het boek Rechters.

Volgorde van de bijbelboeken

De meeste uitleggers nemen aan dat er weinig samenhang is tussen de bijbelboeken Rechters en Ruth. In de podcastserie De verborgen geschiedenis van de Bijbel merkt Karel van der Toorn op dat Ruth in de Hebreeuwse Bijbel op een andere plaats staat dan in de oude Griekse vertaling, de Septuaginta, en veel westerse bijbelvertalingen (zie afbeelding 1). In de Hebreeuwse Bijbel maakt Rechters deel uit van de Profeten, maar Ruth valt onder de Geschriften. Van der Toorn meent dat de indeling van de Hebreeuwse Bijbel de oorspronkelijke volgorde van de bijbelboeken weerspiegelt en dat Ruth door de vertalers van de Septuaginta is verplaatst, omdat het begin van Ruth naar de tijd van de rechters verwijst.

ID: block_6295d4d65ec7f

Enkele vertalingen, zoals de Naardense Bijbel, geven de boeken van het Oude Testament standaard weer in de volgorde van de Hebreeuwse Bijbel. Bij de meeste vertalingen gebeurt dit alleen in specifieke edities, zoals de Pocketbijbel van de Willibrordvertaling (1981) en de Tanach (2007), een paralleluitgave van de Hebreeuwse tekst en de Nieuwe Bijbelvertaling.

Afbeelding 1

Sommige uitleggers veronderstellen dat de band tussen Rechters en Ruth veel nauwer is. Zij verwijzen naar de volgorde van de bijbelboeken in de Septuaginta en naar de indeling die Flavius Josefus in Contra Apionem noemt. Josefus merkt op dat de geschiedenis van de Joden is opgetekend in 22 gezaghebbende boeken: 5 boeken van Mozes, 13 boeken van profeten en vier boeken met lofzangen en gedragsregels (zie afbeelding 2). Hieruit leiden deze uitleggers af dat Rechters en Ruth oorspronkelijk bij elkaar hoorden en misschien wel één geheel vormden. Zij zijn daarom van mening dat de indeling van de Septuaginta de oorspronkelijke volgorde van de boeken weerspiegelt en dat Rechters en Ruth in de latere joodse traditie van elkaar zijn gescheiden.

ID: block_62961d9866bd5

Er is geen discussie over de vraag welke boeken Josefus bedoelt, alleen over de vraag in welke volgorde deze boeken stonden.

Afbeelding 2

Twee tradities

Ook Hiëronymus heeft het over 22 heilige boeken in het voorwoord bij zijn vertaling van Samuel en Koningen in het Latijn. Volgens Hiëronymus bestaat de Hebreeuwse canon uit 5 boeken van Mozes, 8 van de Profeten en 9 van de Geschriften. Maar, zo merkt Hiëronymus op, anderen gaan uit van 24 boeken, omdat ze Ruth en Klaagliederen tot de Geschriften rekenen. Dit laatste getal komt overeen met het aantal boeken dat de Babylonische Talmoed in het traktaat Baba Batra noemt. De Talmoed spreekt over 5 boeken van Mozes, 8 van de Profeten en 11 van de Geschriften.

Uit de verschillende getuigenissen uit de oudheid komt dus geen eenduidig beeld naar voren over de volgorde van de bijbelboeken in de Hebreeuwse canon. Volgens Bush kun je daarom niet stellen dat de Septuaginta-vertalers Ruth hebben verplaatst van de Geschriften naar de Profeten. Naar zijn mening is het aannemelijker dat er rond het begin van de jaartelling binnen de joodse gemeenschap van Palestina twee indelingen van de canon zijn ontstaan, waarvan we niet meer uit kunnen maken welk van beide de oudste is. Als we willen nagaan of er samenhang is tussen Rechters en Ruth, kunnen we ons dus niet laten leiden door de volgorde van deze boeken in de Hebreeuwse Bijbel of de Septuaginta, omdat niet vaststaat welke van beide indelingen het oudst is. En zelfs als het ons lukt de oudste indeling van de canon te achterhalen, weten we nog niet of deze indeling de oorspronkelijke verhouding tussen deze boeken weerspiegelt. Het is daarom beter om bij de teksten zelf te beginnen en onze blik te richten op de taalkundige en literaire gegevens in deze boeken.

Israël

Het begin van het boek Ruth verwijst expliciet naar de tijd van de rechters: ‘In de dagen dat de rechters leidinggaven, was er een hongersnood in het land’ (Ruth 1:1). Deze zin is niet alleen inhoudelijk maar ook syntactisch gezien interessant. In het eerste deel van de zin ontbreekt een lijdend voorwerp, maar uit de vertaling ‘leidinggeven’ kunnen we afleiden dat hier een lijdend voorwerp verondersteld is. Anders zou je hier namelijk de vertaling ‘rechtspreken’ verwachten (vgl. bv. 1 Kon. 3:28).

ID: block_629613225a90a
NBV21, 1 Koningen 3:28

28Toen de Israëlieten hoorden welk vonnis de koning had geveld, kregen ze groot ontzag voor hem, want ze begrepen dat hij het recht handhaafde met goddelijke wijsheid.

Het veronderstelde lijdend voorwerp moet hier ‘Israël’ zijn (vgl. 2 Kon. 23:22). Deze informatie kan een lezer niet uit de context afleiden, maar dient hij of zij in te vullen op grond van bestaande kennis. De waarschijnlijkste bron voor deze kennis zijn de verhalen in Rechters. Deze verhalen gebruiken steevast het lijdend voorwerp ‘Israël’ als ze verwijzen naar het leiderschap van een van de rechters (vgl. Recht. 3:10, 4:4, 10:2, 3; 12:7, 8, 9, 11 [2x], 13, 14; 15:20, 16:31). Dit doet vermoeden dat de schrijver van Ruth bekend was met de verhalen in Rechters en hij er ook van uitging dat zijn lezers deze verhalen op de een of ander manier kenden. Hij doet daarom geen moeite om uit te leggen dat er in die tijd geen koning was in Israël. Een lezer moet dus zelf kunnen bedenken dat een weduwe als Naomi niet de hulp van de koning kan inroepen (vgl. 2 Sam. 14:4-5, 2 Kon. 8:3), maar aangewezen is op de zorg van de familie van haar overleden echtgenoot en van de lokale gemeenschap.

ID: block_629613705a90b
NBV21, 2 Koningen 23:22

22Sinds de tijd dat de rechters Israël bestuurden was Pesach namelijk niet meer op die manier gevierd, ook niet in de tijd van de koningen van Israël en Juda.

Betlehem in Juda

In de laatste hoofdstukken van Rechters komt zeven keer de aanduiding ‘Betlehem in Juda’ voor (Recht. 17:7, 8, 9; 19:1, 2, 18 [2x]). Dezelfde uitdrukking komen we ook tweemaal tegen aan het begin van Ruth (Ruth 1:1, 2) en verder alleen in 1 Samuel 17:12. Het feit dat deze specifieke uitdrukking zowel aan het einde van Rechters als aan het begin van Ruth wordt gebruikt, wijst erop dat de schrijver van Ruth bewust aansluit bij de verhalen in het laatste deel van Rechters. Maar hij kiest er niet voor de blik te richten op de broedertwist tussen Benjamin en de andere stammen, maar om in te zoomen op Betlehem in Juda. Het grootste deel van het verhaal speelt zich dan ook af in en rond deze stad. Pas aan het einde van het boek vestigt de schrijver de aandacht weer op het grotere geheel, op Israël.

Gastvrijheid

Behalve formele parallellen zijn er ook inhoudelijke parallellen tussen Rechters en Ruth. In Rechters 19 wordt Betlehem in Juda getekend als een gastvrije stad. Als een Leviet vanuit Efraïm naar Betlehem reist om zijn bijvrouw op te halen, wordt hij met open armen ontvangen door zijn schoonvader. Drie dagen lang verleent zijn schoonvader hem onderdak en voorziet hem van eten en drinken, hoewel hij bij een andere stam hoort. Als de Leviet op de vierde dag wil vertrekken, dringt zijn schoonvader aan: ‘Blijf nog een nacht hier, gun jezelf dat genoegen.’ Pas halverwege de vijfde dag keert de Leviet met zijn vrouw naar huis terug.

De gastvrije ontvangst in Betlehem staat in schril contrast met de ongastvrije houding die de Leviet ontmoet in Gibea in Benjamin, als hij daar met zijn vrouw wil overnachten. Alleen een oude man uit Efraïm is bereid de vreemdeling in zijn huis te ontvangen. Maar terwijl de Leviet en zijn gastheer genoeglijk aan de maaltijd zitten, omsingelen de mannen van Gibea het huis om zich aan deze vreemdeling te vergrijpen. Om dit te voorkomen, grijpt de Leviet zijn bijvrouw en duwt haar naar buiten. De vrouw wordt zo gruwelijk door de mannen van Gibea verkracht dat ze aan haar verwondingen bezwijkt.

Ook in Ruth wordt Betlehem in Juda afgeschilderd als een gastvrije stad. De Betlehemiet Boaz geeft Ruth toestemming aren te rapen op zijn akker en voorziet haar van eten en drinken, hoewel zij niet bij het volk Israël hoort. Ook moedigt hij haar aan zich aan te sluiten bij zijn arbeidsters, totdat de hele oogst is binnengehaald. Tegen zijn knechten zegt hij dat ze haar niet mogen lastigvallen, maar dat ze halmen uit de bundels moeten trekken, zodat zij die op kan rapen. De gastvrije opstelling van Boaz zorgt ervoor dat Naomi en Ruth meer dan genoeg te eten hebben.

De schrijver van Ruth grijpt terug op het positieve beeld van Betlehem in Rechters 19, maar legt daarbij zijn eigen accenten. Hij laat zien dat zelfs een vrouw als Ruth, die afkomstig is uit Moab, in Betlehem gastvrij wordt behandeld en dat weduwen als Naomi en Ruth in Betlehem geen gebrek hoeven te lijden.

Broederschap

Naast ‘gastvrijheid’ is ook ‘broederschap’ een belangrijk thema in de laatste hoofdstukken van Rechters. Het gruwelijke voorval in Gibea leidt tot een broederoorlog tussen Benjamin en de andere stammen. De Israëlieten verslaan hun broeders, de Benjaminieten, en brengen vervolgens iedereen van de stam Benjamin om, met uitzondering van zeshonderd mannen die weten te ontkomen. De volgende dag beseffen de Israëlieten pas wat ze hebben aangericht. Doordat alle vrouwen van Benjamin gedood zijn en de Israëlieten plechtig beloofd hebben dat niemand van hen zijn dochter aan een Benjaminiet tot vrouw zal geven, zijn de overgebleven Benjaminieten niet meer in staat nakomelingen te verwekken en dreigt de stam Benjamin uit te sterven. De Israëlieten krijgen medelijden met hun broeders, de Benjaminieten, en bedenken een plan om de overgebleven Benjaminieten aan een vrouw te helpen, zodat hun grond en bezittingen over kunnen gaan op een volgende generatie ‘en er niet een stam uit Israël zal worden uitgewist’ (Recht. 21:17).

De laatste zin van Rechters 21:17 vertoont overeenkomsten met de formulering aan het eind van Ruth 4:10: ‘en de naam van de overledene niet zal worden afgesneden uit zijn broeders en de poort van zijn woonplaats’. In beide verzen wordt een vergelijkbare syntactische constructie gebruikt: ו (we – ‘en’) + לא (lo – ‘niet’) + imperfectum (nif‘al) + subject + complement met מן (min – ‘uit’) (vgl. ook Deut. 25:6). Daarnaast geven beide teksten uitdrukking aan het thema ‘broederschap’. Rechters 21 handelt over de solidariteit tussen broeders uit verschillende stammen van Israël, terwijl Ruth 4 de solidariteit tussen broeders uit een familieclan in Betlehem beschrijft.

In Ruth komt het thema broederschap expliciet aan de orde in hoofdstuk 4. Daar komen we ook voor het eerst het woord אח (’ach – ‘broeder’) tegen. In vers 3 noemt Boaz tegenover de andere losser Elimelech ‘onze broeder’. Ook uit het vervolg blijkt dat Boaz zich verantwoordelijk voelt voor de nalatenschap van zijn overleden broeders. Hij koopt niet alleen het gehele bezit van Elimelech en zijn zonen, maar neemt ook Ruth, de weduwe van Machlon, tot vrouw. Daarnaast komen we het woord ‘broeder’, zoals we hierboven zagen, tegen in vers 10. Dit vers laat zien wat het belang is van de broederschap binnen de familieclan van Elimelech. Dankzij de solidariteit van zijn broeders leeft de naam van Elimelech voort in de kring van zijn verwanten en in de poort van zijn stad.

In hoofdstuk 4 haakt de schrijver van Ruth aan bij het thema ‘broederschap’ uit de laatste hoofdstukken van Rechters, maar hij geeft er zijn eigen invulling aan. Hij gebruikt in vers 10 niet de naam Israël maar de uitdrukking ‘uit zijn broeders en de poort van zijn woonplaats’. Hiermee verschuift hij het accent van de broederschap binnen Israël naar de broederschap binnen de lokale gemeenschap van Betlehem. Dankzij de compassie van Boaz met zijn overleden broeders vindt Ruth, de Moabitische, in Betlehem een thuis en krijgt Naomi, die berooid naar Betlehem terugkwam, een nakomeling die voor haar kan zorgen. Zodra deze nakomeling ter sprake komt, verlegt de schrijver de aandacht weer naar het grotere geheel, naar Israël. Deze nakomeling is niet alleen de gewenste stamhouder voor de familie van Elimelech, hij blijkt ook de voorvader te zijn van de latere koning David.

Conclusie

De openingsverzen van Ruth maken niet alleen duidelijk dat dit verhaal in dezelfde tijd speelt als de verhalen in Rechters, maar ook dat deze boeken samenhang vertonen. De formele en inhoudelijke verbanden wijzen erop dat de schrijver van Ruth bekend was met de verhalen in Rechters en bewust gebruikmaakt van informatie die in deze verhalen te vinden is. Met zijn typering van Betlehem in Juda als gastvrije stad grijpt hij terug op het positieve beeld van deze stad in Rechters 19. Met zijn schets van de broederschap in Betlehem haakt hij aan bij het verslag van de broederoorlog tussen Benjamin en de andere stammen van Israël in Rechters 20-21. Tegelijkertijd is helder dat de schrijver zijn eigen accent aanbrengt door in te zoomen op Betlehem in Juda. Hij laat zien dat deze stad in de tijd van de rechters een toonbeeld van gastvrijheid en broederschap is. Betlehem is daarom bij uitstek geschikt om een heerser voort te brengen die de stammen van Israël na de broedertwist kan leiden.


Dr. R.H. Oosting is oudtestamenticus en als gastonderzoeker verbonden aan het Eep Talstra Center for Bible and Computer aan de Vrije Universiteit Amsterdam.


Bronvermelding

Reinoud Oosting, ‘Gastvrijheid en broederschap in Ruth’ in: Cor Hoogerwerf, Mirjam van der Vorm-Croughs en Matthijs de Jong (red.), Vertalen is verrassen. Nieuwe vensters op bijbelse teksten, Haarlem/Antwerpen 2022, 97-108.

Literatuur

  • K.A. Auberlen, ‘Die drei Anhänge des Buchs der Richter in ihrer Bedeutung und Zusammengehörigkeit’ in: Theologische Studien und Kritiken 33/3 (1860), 536-568.
  • Babylonian Talmud: Tractate Baba Bathra 14b-15a, https://halakhah.com/bababathra (geraadpleegd: 03-05-2021).
  • Frederic W. Bush, Ruth/Esther, Word Biblical Commentary 9, Dallas 1996, 8.
  • Edward. F. Campbell, Ruth, The Anchor Bible 7, New York 1975, 36.
  • C.J. Goslinga, Het boek der Richteren, tweede deel (hoofdstuk
  • 13-21) en Ruth, Korte Verklaring der Heilige Schrift, Kampen z.j., 118-119.
  • Flavius Josefus, Tegen de Grieken [Contra Apionem]. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes, Amsterdam/Leuven 1999, 113-114.
  • A. van der Kooij, ‘De canonvorming van de Hebreeuwse Bijbel, het Oude Testament. Een overzicht van recente literatuur’ in: Nederlands Theologisch Tijdschrift 49/1 (1995), 42-65.
  • P.J. van Midden, Broederschap en koningschap. Een onderzoek naar de betekenis van Gideon en Abimelek in het boek Richteren, Maastricht 1998, 270.
  • H.G.L. Peels, ‘The Blood “from Abel to Zechariah” (Matthew 23,35; Luke 11,50f.) and the Canon of the Old Testament’ in: Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft 113 (2001), 583-601.
  • K.A.D. Smelik, Ruth,Verklaring van de Hebreeuwse Bijbel, Kampen 2000, 33-34, 129-135.
  • Karel van der Toorn, De verborgen geschiedenis van de Bijbel (podcastserie), aflevering 3: De vroege Profeten, https://anchor.fm/geschiedenis-bijbel (geraadpleegd: 03-05- 2021).
  • Ellen van Wolde, Ruth en Noömi, twee vreemdgangers, Baarn 1993, 76.