Een stil begin

Door Anne-Mareike Schol-Wetter

Stilte. De Bijbel begint ermee. Met een wereld waarop nog niets gebeurt, waarop nog niemand spreekt, geen vogel zingt en geen mobieltje afgaat. Ik stel het me voor als een concertzaal vlak voordat de eerste noot klinkt: één en al afwachting en ingehouden adem.

In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en doods, duisternis lag over de oervloed, en over het water zweefde Gods geest.

Genesis 1:1-2, NBV21

Dan wordt de stilte doorbroken. Niet door lawaaierige bedrijvigheid, maar door een stem die orde brengt en leven schept. Vier scheppingsdagen lang hoor je alleen de stem van God. Er is wel van alles te zien: licht en donker, water en droge grond, planten, hemellichamen. Maar pas vanaf de vijfde dag klinken er bij Gods stem ook de geluiden van andere levende wezens. Vogels fluiten, leeuwen brullen, koeien loeien…

Zwijgen

En de mensen, de man en de vrouw die God naar zijn beeld schept? Die doen er voorlopig nog het zwijgen toe. Druk bezig de prachtige wereld in zich op te nemen waarin ze zijn terechtgekomen. ‘Alles is zeer goed,’ vindt God, en daar hebben ze niets aan toe te voegen. Misschien overpeinzen ze ook wel de opdracht die ze net gekregen hebben: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ (Genesis 1:28, NBV21). Het is nogal een klus die God ze toebedeelt!

Heilige rust

Later zullen ze vormgeven aan die opdracht, met vallen en opstaan. Maar eerst komt nog de zevende dag: een moment van heilige rust. We zijn gewend om die vanuit Gods perspectief te bekijken, als het moment om uit te rusten en vol voldoening terug te kijken op het werk dat achter je ligt. De focus ligt in de tekst inderdaad op God: God zegende de zevende dag en heiligde die, want op die dag rustte Hij van heel zijn scheppingswerk. (Genesis 2:3).

Maar hoe zit het eigenlijk met de eerste mensen? Die zijn op dat moment ook al aanwezig. Maar in tegenstelling tot God hebben zij op dat moment nog geen noemenswaardige daden op hun naam staan. Voor hen is het juist de stilte vóór de storm. In het Engels hebben ze er een treffende uitdrukking voor: the deep breath before the plunge. De diepe ademtocht voordat je in het diepe springt. Of misschien wel de levensadem, die God zelf in de mens blaast (Genesis 2:7). God laat zien dat Hij als geen ander weet wat de mens nodig heeft. Hij geeft hen een moment van bezinning, van stilte en heilige rust voordat het leven begint.

Stil worden. Ademhalen. Terugkijken en vooruitkijken. God zelf leeft ons dat voor, vanaf het allereerste begin. En ik vraag me af waarom ik zijn voorbeeld niet veel vaker volg.

Anne-Mareike Schol-Wetter
Hoofd Bijbelgebruik Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap


Dit bericht is geplaatst op maandag 29 januari 2018