Een ander soort crisis

Door Anne-Mareike Schol-Wetter

Laat ik meteen met de deur in huis vallen: ik ben bezorgd, en zelfs een beetje bang. Niet in de eerste plaats voor het virus dat ons nu al zo lang in z’n greep houdt, hoewel ik de nare, soms ernstige en in een enkel geval zelfs fatale gevolgen daarvan niet wil onderschatten. Het is vooral wat Covid en de bestrijding ervan met ons als samenleving doet.

Hoopvol

In het voorjaar van 2020 was ik, ondanks de onzekerheid en de soms overweldigende uitdagingen van de lockdown, hoopvol gestemd. De wereld leek ineens kleiner, meer met elkaar verbonden, verbroederd zelfs, door het besef dat we allemaal stil waren gezet door hetzelfde microscopisch kleine onderdeel van de schepping. Ik herinner me grid video’s van musici uit allerlei landen die samen ontroerend mooi geestelijke muziek ten gehore brachten, plaatjes van rivieren in India die voor het eerst in decennia weer schoon waren, en de blauwe lucht boven ons huis waar voor de verandering niet elke tien minuten een vliegtuig de rust verstoorde.

Nieuwe crisis

Maar dit jaar voelt het anders. Killer, niet alleen door het weer. Meer verdeeld, niet alleen door de beperking van sociale contacten. Verwarrender, ondanks onze groeiende kennis over het virus. Angstiger, ook al komen de ziekenhuisopnames en sterftecijfers niet in de buurt van maart en april 2020. Het lijkt alsof juist de aangekondigde exit-route uit de crisis – de vaccins – voor een ander soort crisis zorgt. Een crisis die dichter bij de Griekse oorsprong van dit woord ligt: krinomai, wat zoveel betekent als ‘(onder-)scheiden, beslissen, richten en (be-)oordelen.

Waar in 2020 nog sprake was van een groot grijs gebied als het erom ging hoe goed (of slecht) je je aan de maatregelen hield, komt het in 2021 ineens neer op één hoofdvraag: heb je je laten prikken? We moeten onderscheiden, beslissen, en wat vinden we het verleidelijk om vervolgens te oordelen over iemand die op een andere keuze uitkomt dan wijzelf.

Addergebroed?

Nou is er op het eerste gezicht misschien niet zoveel mis met oordelen. Sterker nog, de Bijbel roept ons regelmatig op om een standpunt in te nemen, om letterlijk en figuurlijk onze plek te bepalen en niet weg te kijken als we vinden dat medemensen ernstig de fout in dreigen te gaan. Kijk eens naar bijbelse voorbeelden als Jezus en Paulus: die staan er niet om bekend dat ze gedrag dat volgens hen afkeurenswaardig was met de mantel der liefde bedekten. ‘Addergebroed’ noemt Jezus de farizeeën en sadduceeën waarmee Hij in discussie is (Matteüs 3:7), en Paulus schrikt er niet voor terug zijn tegenstanders als ‘honden’ te betitelen (Filippenzen 2:2). Maar is dat een uitnodiging aan ons om het hen na te doen? Of geeft de Bijbel ons een andere opdracht voor een tijd zoals deze? Op zoek naar een antwoord werd ik door drie bijbelteksten geraakt.

Oordeel niet

‘Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt’ (Matteüs 7:1). Het zijn woorden van Jezus in de Bergrede, volgens Matteüs de kern van Jezus’ lessen voor zijn volgelingen. Mè krínete. Oordeel niet. Een korte zoekactie laat zien dat deze woorden niet op zichzelf staan. Nergens worden de gelovigen opgeroepen om een oordeel uit te spreken over hun medemensen. Jezus waarschuwt juist verschillende keren voor de beperktheid en bedrieglijkheid van het menselijk oordeelsvermogen (Joh 7:24; Johannes 8:15), en Paulus doet het hem na (Romeinen 2:1-2; 14:1-13; 1 Korintiërs 4:5).

Binnenkant en buitenkant

De tweede tekst is Marcus 7:14-23. In vers 15 zegt Jezus: ‘Niets dat van buitenaf in de mens komt kan hem onrein maken, het zijn de dingen die uit de mens naar buiten komen die hem onrein maken.’ Jezus heeft het hier over de vraag wat voor effect het eten van voedsel heeft dat volgens de joodse wetten onrein is, en uiteraard niet over vaccins. Maar zou er toch ook niet een les voor onze tijd in zitten?

God laat blijkbaar niet toe dat iets dat van buiten ons lichaam binnenkomt tussen ons en Hem in gaat staan. De vraag is vooral of wij toelaten dat het tussen ons en andere mensen in gaat staan. Geven we mensen die zich om welke reden dan ook niet laten vaccineren het gevoel dat zij tot een mindere klasse behoren, of dat het hen schort aan naastenliefde? Laten we gevaccineerden merken dat we toch wel teleurgesteld zijn in hun gebrek aan vertrouwen in God?

Paulus sluit een verhandeling over onrein voedsel af met de volgende woorden: ‘Laten we daarom streven naar wat de vrede bevordert en naar wat opbouwend is voor elkaar’ (Romeinen 14:19). En hoewel je vraagtekens kunt zetten bij de vergelijking tussen voedsel en een vaccin, durf ik toch stellig te beweren dat die uitspraak in ieder geval nu net zo van toepassing is als krap 2000 jaar geleden.

Eensgezind

De derde tekst die mij raakte, komt uit Romeinen 12. Paulus schrijft in dit stukje over de manier waarop de christelijke gemeente samen moet leven. ‘Wees blij met wie zich verblijdt, heb verdriet met wie verdriet heeft. Wees eensgezind; wees niet hoogmoedig, maar zet uzelf aan tot bescheidenheid. Ga niet af op uw eigen inzicht.’

Ons inzicht over hoe het virus zich zal ontwikkelen en wat op de lange termijn de bijdrage van de vaccins zal zijn, is beperkt, en dat zet inderdaad aan tot bescheidenheid. Maar misschien is een andere vraag veel belangrijker: zien we met lede ogen aan hoe de afstand tussen individuen en groepen in de samenleving steeds groter wordt? Of stappen we over onze eigen bezwaren heen, en laten we aan de wereld zien dat het mogelijk is om vreugde en verdriet met elkaar te delen, ook al verschil je op dit ene punt van inzicht? Ik heb me in ieder geval voorgenomen mezelf daar steeds weer toe uit te dagen.

Anne-Mareike Schol-Wetter
Hoofd Bijbelgebruik

Dit bericht is geplaatst op donderdag 26 augustus 2021