De weergave van de Godsnaam, dé breinbreker voor vertalers

Vertalen heeft iets weg van puzzelen. Je kunt uren zitten broeden op een vertaaloplossing. Het is een zegen om in een team te werken, want samen kom je vaak tot mooie resultaten. Maar soms blijf je toch met een puzzelstuk in je maag zitten, omdat er eigenlijk ten opzichte van de brontekst of ten opzichte van het Nederlands geen bevredigende oplossing is. Toch moet je kiezen, want uiteindelijk moet de tekst naar de drukker.

Oude Testament en vertalingen

Zo’n kwestie is de weergave van de Godsnaam. In het Hebreeuws van het Oude Testament, maakt God zichzelf bekend met zijn naam JHWH. Vier medeklinkers waarvan we niet precies weten hoe ze uitgesproken moeten worden. In de Middeleeuwen hebben Joodse schriftgeleerden – de Masoreten – klinkers geplaatst bij deze medeklinkers, maar het zijn de klinkers van een ander woord, het woord adonai of in sommige gevallen elohim. Ze onderstrepen daarmee dat het niet alleen onbekend is hoe de medeklinkers uitgesproken moeten worden, maar dat het ook niet de bedoeling is de naam van God uit te spreken.

Als je aansluit bij die praktijk en je daarom de woorden adonai of elohim vertaalt, dan kom je uit op ‘Heer’ of ‘God’. Dat deed de Septuaginta, de oudste vertaling van het Oude Testament, met kurios, dat ook ‘Heer’ betekent. En datzelfde woord komen we ook tegen in het Nieuwe Testament. Zo heeft deze keuze oude papieren en biedt ze continuïteit tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Veel vertalingen – wereldwijd, oud en modern – zijn in dat spoor verdergegaan.

Maar het is geen wet van Meden en Perzen, want heel vaak is een vertaalprobleem op meer dan één legitieme manier op te lossen. En ook al raadpleeg je bij het maken van een nieuwe vertaling je voorgangers, het staat je altijd vrij om op basis van andere overwegingen een eigen keuze te maken of een keuze ter discussie te stellen.

Een stevige discussie

En die discussie ontstond in alle hevigheid nadat in 1994 het voorlopige besluit viel om in de NBV de Godsnaam weer te geven met HEER, in klein kapitaal. Bij het maken van een vertaalkeuze weeg je altijd de voor- en nadelen. Lang niet altijd is een keuze optimaal, maar meestal is er wel een optie waarbij de voordelen groter zijn dan de nadelen. Zo niet bij deze kwestie. Elke nieuwe optie had wel een voordeel, maar de nadelen wogen zwaarder. Daarom gaf de meer dan tweeduizend jaar oude traditie om de Godsnaam weer te geven met HEER de doorslag. In 1998 kon een breed publiek kennismaken met deze keuze in de eerste voorpublicatie van de NBV, Werk in Uitvoering.

De reacties stroomden binnen. Er zaten steunbetuigingen tussen waarmee een grote groep bijbellezers vertegenwoordigd werd. Maar voor veel briefschrijvers was de weergave te exclusief mannelijk, had ze te sterk de connotatie van macht en dominantie, was ze te beperkt ten opzichte van de brontekst en zou de traditie niet bindend moeten zijn, zeker niet in een vertaling die pretendeerde vernieuwend te zijn.

Opnieuw bogen wetenschappers, vertalers, leden van de Begeleidingscommissie en vele anderen zich over de kwestie. Allereerst tijdens een studiedag in 1999 waarop het onderwerp van verschillende kanten werd belicht. Vervolgens werden tal van mogelijkheden verder onderzocht; van een vervangende weergave met bijvoorbeeld ‘Eeuwige’, ‘Aanwezige’ of ‘Levende’ tot aan meer exotische oplossingen zoals het vormgeven van een letterplaatje. Eén ding was duidelijk: de meerderheid van de betrokkenen wilde een alternatief voor HEER. Maar geen van de opties was zo overtuigend dat ze ook een meerderheid over de streep haalde.

De twee laatste opties

In 2001 waren er nog twee opties overgebleven: HEER of JHWH. Maar had het nog zin om opnieuw de voor- en nadelen van deze mogelijkheden te onderzoeken? HEER paste in de traditie en werd in brede kring geaccepteerd, maar het bleef exclusief mannelijk en voor sommigen klonk er ook een dominant autoritair karakter in mee. Dat nadeel had JHWH niet, maar dat was dan weer onuitspreekbaar en zou sowieso bij het voorlezen door een andere term vervangen moeten worden.

Als de route van het zoeken naar een alternatief niet vruchtbaar was gebleken, hoe kon dan nu op een goede manier de knoop doorgehakt worden?

Op dit punt komt aan het licht dat bijbelvertalen méér is dan puzzelen, of broeden op alternatieven. Het is een vak dat zich afspeelt binnen kaders. Niet de optelsom van losse oplossingen bepalen het karakter van de vertaling, maar het antwoord op de vraag: wat zijn de doelen en criteria voor deze vertaling? En daar ligt ook de sleutel om uit de impasse van een kwestie te komen.

Een unaniem besluit

De NBV is te typeren als een interconfessionele vertaling, trouw aan de brontekst, gesteld in natuurlijk Nederlands. Bijzondere aandacht is er voor de karakteristieken van elk bijbelboek, en voor de voorleesbaarheid van de vertaling. Vanuit dit kader kon voor het eerst een unaniem besluit genomen worden over de weergave van de Godsnaam. Er werd geoordeeld dat het doel om met deze vertaling zoveel mogelijk mensen te bereiken en aan te spreken het beste gediend was met de weergave HEER. Maar ook dat de vertaling zelf het bijzondere karakter van de naam duidelijk moest maken. Daarom werd besloten om HEER in de gedrukte bijbeltekst altijd in klein-kapitaal te zetten, de keuze in elke uitgave te verantwoorden en bovendien altijd een leeswijzer met alternatieven op te nemen: ‘Aanwezige’, ‘Eeuwige’, ‘Onnoembare’ en nog enkele andere. Om iedereen goed de gelegenheid te geven om kennis te nemen van het besluit en de achtergrond daarvan, werd er een uitgebreide brochure geschreven.

Het besluit was unaniem, maar dat betekende niet dat de bezwaren verdwenen waren. En het wilde ook niet zeggen dat deze keuze altijd en overal de beste optie is. Het wil enkel zeggen dat de beoordeling van de kwestie vanuit de vertaalmethode en het doel van deze specifieke vertaling voor alle betrokkenen overtuigend was. Voor een andere vertaling, en zelfs voor dezelfde vertaling in een heel andere setting, zou een andere keuze heel goed mogelijk zijn, of misschien zelfs beter. Dat bewijzen de uitgaven van de Studiebijbel en de Tanach, waarin respectievelijk gekozen is voor de weergave met JHWH en EEUWIGE.

NBV21

Het is nu 2021, een paar maanden voor de verschijning van de NBV21, de nieuwe, verbeterde versie van de NBV. Tot opluchting van velen, en tot frustratie van anderen is de weergave van de Godsnaam niet veranderd. Aan de ene kant zijn de pijnpunten nog precies hetzelfde. Aan de andere kant is er nog altijd geen alternatief gevonden dat de meerderheid kan overtuigen. Bovendien zijn de uitgangspunten van de NBV21 gelijk aan die van de NBV, waardoor de redenen die indertijd de doorslag gaven om voor HEER te kiezen nog steeds gelden.

Maar we kunnen niet in de toekomst kijken. Het is niet ondenkbaar dat de bezwaren tegen HEER in kerk en maatschappij steeds meer weerklank zullen vinden. Zonder twijfel zal de weergave van de Godsnaam opnieuw een groot agendapunt zijn bij een eventueel toekomstige vertaling. Een punt waarvan de uitkomst nu nog allerminst vastligt.

Tineke Bol Drieenhuizen
Als vertaalwetenschapper betrokken bij de NBV21

Bronvermelding

Werk in Uitvoering, Haarlem/’s-Hertogenbosch 1998, 242-244.

De vijf bijdragen die tijdens de studiedag op 7 december 1999 werden gehouden zijn opgenomen in een speciaal nummer van Met Andere Woorden 19/3 (september 2000).

De brochure waarin het hele besluitvormingsproces beschreven staat, verscheen in maart 2001: Project [Nieuwe Bijbelvertaling], Weergave van de godsnaam, NBV Informatie 13.

Dit bericht is geplaatst op donderdag 8 juli 2021