De toren van Babel en de talen van de volken

Een exegetische schets van Genesis 11:1-9 met uitzicht op Pinksteren

Arie van der Kooij

Het pinksterverhaal in Handelingen 2 gaat – net als Genesis 11 – over de rol van taal. Maar het contrast is groot. De spraakverwarring in Genesis 11 maakte een einde aan menselijk machtsstreven, terwijl Pinksteren de taal in dienst neemt van de verspreiding van het goede nieuws.

Samenvatting
Het verhaal van Genesis 11 vertelt hoe God door spraakverwarring een einde maakt aan de samenballing van menselijke macht. Dit artikel gaat na tegen welke historische achtergrond in het oude Mesopotamië we Genesis 11 kunnen lezen. Tegenover het toenmalige imperialisme biedt de Bijbel een tegengeluid: streven naar eenheid op basis van macht en onderdrukking is gedoemd te mislukken. En als we de lijn van Genesis 12 tot Pinksteren doortrekken, zien we een heel ander programma met wereldwijde strekking: de Geest die alle volken van de aarde de weg van de zegen wijst.

Genesis 11:1-9 speelt in de oertijd, een tijd waarin, aldus vers 1, de mensen op aarde ‘een enkele taal’ spraken. ‘Toen de mensen in oostelijke richting trokken, kwamen ze in Sinear bij een vlakte, en daar vestigden ze zich.’ Sinear lag in het zuiden van Mesopotamië, het huidige Irak. Daar vatten ze het plan op om met kleiblokken een stad met een toren te bouwen, een toren die tot de hemel reikt. Waarom? Om ‘zich een naam te maken’ (in de NBV weergegeven met: ‘Dat zal ons beroemd maken.’) en bovenal om te voorkomen dat zij ‘over de hele aarde verspreid raken’, zegt het verhaal in de verzen 1-4.

Genesis 11:1-9 als tweeluik

Na de verzen 1-4 over het bouwplan van ‘de mensen’ vormen de verzen 6-9, met Gods reactie op dit megaproject, het tweede deel van het verhaal. Vers 5 vormt de overgang: ‘Maar toen daalde de heer af om te kijken naar de stad en de toren die de mensen aan het bouwen waren.’ God komt ter plaatse poolshoogte nemen zoals een rechter gewoon was te doen. Zijn slotsom: ‘Dit is een volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal en wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik. Laten wij naar hen toe gaan en spraakverwarring onder hen teweegbrengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan.’ Het oordeel dat God velt, is veelzeggend: de mensen, samen een volk, zijn in staat alles te doen wat zij denken. Vergelijkbare woorden zijn ook te vinden in Job 42:2, waar Job tegen God zegt: ‘Ik weet dat niets buiten uw macht ligt en geen enkel plan voor u onuitvoerbaar is.’ Het oordeel dat God hier velt, doet denken aan Genesis 3:22: ‘Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad.’ Bedoeld is een alomvattende kennis, een kennis als die van goden (zie Genesis 3:5).

Het verhaal van Genesis 11 borduurt hierop voort: dankzij hun grote, goddelijke, kennis zijn de mensen tot ‘alles’ in staat. ‘Alles’ wil hier zeggen: een positie van grote macht, tot uitdrukking gebracht in een sterke stad met toren. Dit gaat in Gods ogen te ver, want het reikt naar de positie van God: een toren tot de hemel. Om de eensgezindheid van de mensen te doorbreken en zo de mogelijkheid tot hun supermacht te ondermijnen, ‘bracht de heer verwarring in de taal’ – reden waarom men de stad ‘Babel’ noemde – met als gevolg dat de bouw van de stad werd gestaakt en de mensen zich verspreidden over de hele aarde. De oerzonde, in Genesis 3 en in Genesis 11, heeft alles te maken met het grijpen naar macht.

Motieven uit Mesopotamië

Het verhaal over de toren van Babel is fascinerend maar ook raadselachtig. Zoals zo vaak in de oergeschiedenis (Genesis 1-11) bevat het elementen die naar Mesopotamië verwijzen: de locatie – de vlakte van Sinear, met Babel als stad; het bouwmateriaal – de kleiblokken, en het aardpek, vergelijkbaar, aldus vers 3, met steen en leem als bouwmaterialen in Palestina; de uitdrukking ‘voor zich een naam maken’ – bekend uit Mesopotamische koningsinscripties in de zin van ‘faam’, ‘roem’ – en last but not least het motief van de stad met een toren. Wat dit laatste betreft: in de geschiedenis van exegese en kunst domineert gewoonlijk de toren uit het verhaal, en verdwijnt de stad uit het zicht. Het verhaal spreekt evenwel van een stad met een toren, hetgeen overduidelijk naar de cultuur van het oude Mesopotamië verwijst. Men denke aan zijn vele steden, waaronder Babel, waarvan de skyline door een tempeltoren bepaald werd. Vraag is wel hoe deze en andere motieven samenhangen. Duidelijk is het contrast tussen wat de mensen willen – samenwonen in een stad – en wat God wil – het verspreid wonen op aarde om samenballing van macht te breken. Vanwaar de idee van dit contrast? Welke historische ervaringen gaan hierachter mogelijk schuil? Vaak is gezegd dat het verhaal uit Genesis 11 verband houdt met het Babel van koning Nebukadnessar uit de tijd van de ballingschap. Hoe aansprekend ook, deze duiding is te kort door de bocht, want zij houdt geen rekening met de literaire context in Genesis.

De figuur van Nimrod

Genesis 10, het hoofdstuk dat laat zien hoe de mensen zich verspreiden over de aarde, heeft in de verzen 8-12 eveneens betrekking op Mesopotamië. Het verhaalt van Nimrod, ‘machthebber’, ‘jager’ en ‘koning’. Het begin van zijn koninkrijk waren vier steden in het land Sinear, met Babel als eerste (vers 10). Van daaruit, zegt vers 11, trok hij naar Assyrie in het noorden van Mesopotamië, en bouwde daar vier steden, met Resen als laatste, gelegen in de buurt van Nineve en Kalach, en aangeduid als ‘de grote stad’ (vers 12). Boeiend is het te zien hoe de verzen 10-12 in een notendop de geschiedenis van het oude Mesopotamië in beeld brengen: eerst een koninkrijk met zwaartepunt in het land Sinear (Babylonië) – herinnerend aan de suprematie van Babylonië in lang vervlogen tijden. Daarna kwam het Nieuw-Assyrische rijk op, in de negende tot zevende eeuw voor Christus. De tekening van Nimrod sluit hierbij aan: een koning die tevens jager is, was typerend voor de Assyrische koningen. Nimrod is overigens niet op te vatten als een enkele koning; de naam staat symbool voor koningen in Mesopotamië met een zucht naar wereldheerschappij. Men denke bij het getal ‘vier’ – vier steden – aan de vier windstreken. Ook het beeld van de koning als stedenbouwer (verzen 11-12) is kenmerkend voor de machthebbers van het Assyrische rijk. In het boek Genesis hebben namen bijna altijd een bijzondere lading. De naam Nimrod doet denken aan het Hebreeuwse marad, ‘in opstand komen’. Dat is iets dat doorklinkt in Genesis 11.

Genesis 11 en Genesis 10

De verhalen uit deze hoofdstukken hangen nauw samen. Elementen die zij gemeen hebben zijn: het land Sinear, de stad Babel en het motief van het bouwen van steden. Deze parallel heeft er in de exegese en de kunst toe geleid dat Nimrod als de bouwer van de toren van Babel werd beschouwd. Genesis 10 maakt duidelijk dat bij de ‘almacht’ van de mensen in Genesis 11 het streven naar de wereldmacht in het geding is.

Genesis 10 bevat een interessant detail dat als sleutel voor de eerdergenoemde raadselachtigheid van Genesis 11 kan dienen. In vers 12 is sprake van Resen, ‘de grote stad’ genoemd wordt. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat Resen de stad (met toren!) is die Sargon II aan het einde van de achtste eeuw voor Christus liet bouwen: Dur-Sharruken, ‘Veste van Sargon’. De naam Resen, Hebreeuws voor ‘bit, breidel’, is symbolisch en zinspeelt waarschijnlijk op een uitdrukking in inscripties van die stad, waarin Sargon spreekt: ‘Ik legde een bit aan bij de heersers van de vier windstreken van de aarde.’ Sargon beroemt zich erop dat hij de koningen van de volken onderworpen heeft. Verder melden de inscripties dat hij door middel van deportaties groepen mensen uit de volken in de nieuwe stad bijeenbracht.

Het heeft er alle schijn van dat de bouw van Dur-Sharruken (Resen) model stond voor het verhaal over de bouw van Babel. In beide gevallen betreft het de bouw van een stad met een toren, symboliseert de stad grote macht en roem, spelen de mensen/de volken een rol en gaat het om een stad waarvan de bouw werd stilgelegd. In 705 voor Christus voltrok zich namelijk een drama voor Assyrië: Sargon sneuvelde ver van huis in Klein-Azië. Dit, en het feit dat hij niet in zijn eigen graf begraven kon worden, werd als een onheilspellend gegeven beschouwd. Sanherib, zijn opvolger, besloot de bouw van Dur-Sharruken stil te leggen.

Maar er is ook een belangrijk verschil tussen dit drama en het Genesisverhaal over de toren van Babel. Volgens Genesis 11 besluiten de mensen in vrijheid en eensgezindheid (een taal) tot de bouw van de stad, om daarin te wonen. Een koning als Sargon daarentegen kon een samenballing van macht in een stad alleen realiseren met dwang en geweld. Om zijn doel te bereiken onderwierp hij niet alleen volken, maar deporteerde hij die ook naar zijn stad. Vanuit Genesis 11 bezien overtrad hij de orde die God had vastgesteld: het verspreid wonen van de volken op aarde. Deze kritische kijk op het Assyrische imperialisme verklaart de nadruk in Genesis 11 op het verspreid wonen op aarde.

De figuur van Abraham

Een andere passage die nauw met Genesis 10 en 11 samenhangt is Genesis 12:1-3. De HEER zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, […], naar het land dat ik u zal laten zien (NBV: zal wijzen). Ik zal je tot een groot volk maken, je zegenen en je naam groot maken; […] Ik zal zegenen wie jou zegenen, en wie jou vervloekt zal ik vervloeken. Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.’

‘Zegenen’ is het kernwoord: zegen voor Abram, die een toonbeeld van zegen zal zijn; families en volken zullen gezegend worden omdat zij hem zegenen. Waar de imperialistische agenda van een Nimrod een vloek voor de volken is, opent Genesis 12 een perspectief van zegen. Anders dan de ‘naam’ die mensen en heersers ‘voor zich willen maken’ (Genesis 11) biedt ‘de grote naam’ van Abraham uitzicht op heil en zegen.

Uitzicht op Pinksteren

Het pinksterverhaal uit Handelingen 2 wordt vaak met Genesis 11 in verband gebracht. Beide verhalen hebben inderdaad iets met elkaar: in beide speelt de taal een cruciale rol. De spraakverwarring in Genesis 11 bedoelt een einde te maken aan de samenballing van macht. Anders dan bij wereldheersers – Assyrische koningen of Romeinse keizers (zoals in Lucas 2) – voor wie talen niet tellen, worden, in de lijn van Genesis 12, met Pinksteren de talen in dienst genomen van het verspreiden van het goede nieuws.

De wereldrijken waarmee het oudtestamentische Juda zich geconfronteerd zag, kenden een uitgesproken imperialistische ideologie – een wereldwijde onderwerping van de volken. Daartegenover plaatst het Oude Testament in verschillende teksten het ideaalbeeld van een wereldwijd delen van alle volken in de zegen van Israel, de vrede en het heil van Jeruzalem (Psalm 87, Jesaja 2:1-4; 25:6-8). Het verhaal van Pinksteren ligt in het verlengde hiervan. Het laat zien dat waar het streven naar eenheid op basis van macht en onderdrukking gedoemd is te mislukken, de Geest alle volken van de aarde de weg van de zegen wijst.

De wereldrijken waarmee het oudtestamentische Juda zich geconfronteerd zag, kenden een uitgesproken imperialistische ideologie – een wereldwijde onderwerping van de volken. Daartegenover plaatst het Oude Testament in verschillende teksten het ideaalbeeld van een wereldwijd delen van alle volken in de zegen van Israel, de vrede en het heil van Jeruzalem (Psalm 87, Jesaja 2:1-4; 25:6-8). Het verhaal van Pinksteren ligt in het verlengde hiervan. Het laat zien dat waar het streven naar eenheid op basis van macht en onderdrukking gedoemd is te mislukken, de Geest alle volken van de aarde de weg van de zegen wijst.


Prof. dr. A. van der Kooij is emeritus hoogleraar bijbelwetenschap aan de Universiteit Leiden.


Bronvermelding

Arie van der Kooij, ‘De toren van Babel en de talen van de volken. Een exegetische schets van Genesis 11:1-9 met uitzicht op Pinksteren’, in Met Andere Woorden 37/1 (2018), 58-62.

Geraadpleegde literatuur

  • Arie van der Kooij, ‘The City of Babel and Assyrian Imperialism. Genesis 11:1-9 interpreted in the Light of Mesopotamian Sources’ in: A. Lemaire (red.), Congress Volume Leiden 2004, Leiden 2006, 1-17.
  • Christoph Uehlinger, Weltreich und ‘eine Rede’. Eine neue Deutung der sogenannten Turmbauerzählung (Gen 11,1-9), Freiburg 1990.

Afbeelding: Bouw van de toren van Babel, Hendrick van Cleve III (1525-1589). © Kröller-Müller Museum.