De liefde – een donker gat?

Door Marga Haas

Bij 1 Korintiërs 13:13

Halverwege de ochtend loop ik binnen in het hospice. Ik heb zogezegd van de Bijbel mijn beroep gemaakt en werk daar als geestelijk verzorger. Soms gebeurt er iets onvergetelijks, zoals deze keer. Op het kantoor praat de verpleegkundige van dienst me bij. ‘We hebben een nieuwe bewoner. Man, 66 jaar, getrouwd, geen kinderen, in de reisindustrie gewerkt, heeft een leveraandoening. Zijn pijn lijkt onder controle. Ik had geen gelegenheid om te vragen of je welkom bent. Naar mijn inschatting zijn ze niet gelovig, maar ga er maar gewoon heen.’

Ik klop op de deur en na een ‘Ja?’ loop ik de kamer op. De man ligt in bed, zijn vrouw zit ernaast. ‘Zo, geestelijke zorg. Hebben ze dat hier ook al?’, zegt hij als ik me voorstel. Ik weet even niet hoe ik zijn woorden moet interpreteren. Ik kies voor een luchtig antwoord. ‘Meneer, wij zijn hier van alle markten thuis.’ Hij weet duidelijk ook niet wat hij van mij moet denken. En zo zitten we in hetzelfde schuitje. Na een ongemakkelijk moment en een aanmoediging van zijn vrouw besluit hij dat hij het wel wil proberen. Maar het gesprek loopt stroef en ik zoek mijn toevlucht herhaaldelijk tot zijn vrouw, die toeschietelijker is. Zijn vrouw nodigt me uit vaker te komen. Meneer zegt niets. Ik beloof haar dat ik het zal doen. Of ik hém er een plezier mee doe – ik vraag het me af. Op de gang adem ik diep in en blaas lang uit.

Donker gat

Meneer blijft een hele poos en in de loop der tijd verandert ons contact. Stap voor stap groeit er vertrouwen en ontspanning. Dan gaat hij ineens hard achteruit. Ik ga er meteen naartoe. Ik tref hem half-slapend aan, met zijn vrouw aan zijn zijde. Ze schudt hem liefdevol wakker. ‘Hé, Marga is er’, zegt ze en voegt er fluisterend aan toe: ‘Je komt als geroepen.’ Hij kijkt me lodderig aan. Na wat kleine ingrepen (hoofdeinde wat hoger, kussen opschudden, slokje water) hervindt hij zijn helderheid. ‘Marga’, zegt hij. En hij valt stil. ‘Vertel het maar’, zegt zijn vrouw. ‘Wat je gisterenavond zag.’ Hij knikt. ‘Marga, ik zag het. Ik zag het dáár’, en hij wijst naar het schilderij van thuis dat hier hangt. Ik draai mijn hoofd naar het doek. Roodtinten, met beetje grijs en zwart. ‘Ja?’, moedig ik hem aan. ‘Wat zag je dan?’ ‘Het was donker. Een groot gat. En het trok aan me.’ Ik weet even niet wat ik moet zeggen. Het klinkt angstaanjagend. Ik merk dat dit gesprek hem veel energie kost. ‘Hoe was dat voor je?’ Hij kijkt me moe aan, maar met een ontspannen uitdrukking. ‘Heerlijk. Ik kan daarin verdwijnen.’ Zijn vrouw doet het hoofdeinde weer lager en aait hem over zijn wang. Terwijl hij wegzakt, praat ik er nog even met haar over door. ‘Hij was er helemaal van onder de indruk’, zegt ze. ‘Hij vertelde het keer op keer. Ik ben blij dat hij het jou heeft verteld.’

De liefde

Twee dagen later ben ik er weer. Hij slaapt. Als zijn vrouw me ziet, gaan haar ogen wijd open. ‘Wat fijn dat je er bent! Vannacht was hij ineens klaarwakker en zei: “Je moet Marga bellen. Ze moet het weten.” Ik heb er niet uitgekregen wát je dan moest weten.’ Samen maken we hem wakker. Ik leg mijn hand op de zijne en hij pakt hem verrassend stevig vast. ‘Wat wil je me vertellen?’, vraag ik. Hij knikt. Hij weet precies wát. Met alle kracht die hij nog heeft, fluistert hij: ‘Het is de liefde, Marga, het is de liefde. Dat is het enige belangrijke. De liefde.’ ‘Oké’, zeg ik enigszins overrompeld, ‘het enige belangrijke is de liefde.’ Hij knikt. ‘Vertel het ze, Marga. Vertel het ze in die commerciële wereld. Het gáát niet om handel en geld. Het gaat alleen maar om …’ Hij hijgt. ‘Om de liefde’, vul ik aan. Hij knikt. Hij steekt een vinger in de lucht. ‘Dat gat …’ Ik draai mijn hoofd naar het schilderij en kijk dan weer naar hem. ‘Dat gat was de liefde?’, vraag ik. Hij knikt. Zijn hoofd zakt opzij. Maar hij heeft het gered. Ik houd zijn hand nog een tijdje vast, zijn vrouw strijkt hem over zijn haar en hij zakt weer weg.

Overleden?

Onderweg naar huis komen de slotwoorden van de grote lofzang op de liefde in me boven. ‘Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie’, dicht Paulus, ‘maar de grootste daarvan is de liefde.’ Nee, gelovig op de manier waarop wij het meestal bedoelen, was deze man niet. Maar oog in oog met de dood heeft hij de liefde gezien en ervaren. Die ontdekking kleurt zijn hele bestaan: zijn worden, zijn zijn en zijn geweest zijn.
De volgende dag bericht het hospice me dat meneer die nacht overleden is. Nee, denk ik, niet overleden. Opgenomen in een groot, donker gat, dat niet angstaanjagend is, maar bestaat uit pure liefde. Deze meneer is, voorbij aan zichzelf, zuivere liefde geworden.

Marga Haas
Geestelijk verzorger in een hospice en publiceert elke twee weken een korte overweging bij een bijbeltekst op haar blog ‘Parelduiken in de bijbel’. Zie www.margahaas.nl

Dit bericht is geplaatst op zondag 14 februari 2021