De herziening van Genesis 1:1-2:3 in de NBV21

Klaas Spronk

Met Andere Woorden 40/2

Het begin van iets zegt doorgaans veel over het vervolg. Als inderdaad aan het eerste hoofdstuk van de NBV21 valt af te lezen wat kenmerkend is voor de hele vertaling, dan kan ik gerust stellen dat deze herziening mijn verwachtingen overtreft.

Nu waren die van tevoren niet al te hoog gespannen. Het is bekend dat over het algemeen een geheel nieuwe vertaling de voorkeur verdient boven een herziene vertaling. Vertalen is al moeilijk genoeg. Als je dan behalve recht te willen doen aan de brontekst ook nog eens rekening moet houden met een eerdere vertaling, dan dreig je in een spagaat te belanden. Hoe lastig de herziening van een recente bijbelvertaling is, bleek niet al te lang geleden ook wel uit de mislukte poging met de NBG-vertaling van 1951 (NBG 1951). Daar is heel serieus aan gewerkt, maar het verzandde in de jaren zeventig van de vorige eeuw in heftige discussies. In plaats daarvan kwam er dus in 2004 de NBV. De discussies rondom die vertaling waren eveneens niet mals. Ik herinner me nog goed het heftige debat in 2010 over de vraag of de NBV de status van kanselbijbel (naast de Statenvertaling en de NBG 1951) in de Protestantse Kerk mocht krijgen. Voorafgaand aan de synode die daarover een besluit moest nemen, was er flink stemming gemaakt tegen dat voorstel. Zou het niet beter zijn om de toen al aangekondigde herziening af te wachten? Als adviseur van de synode heb ik toen betoogd dat men zich niet al te veel illusies moest maken over die herziening. Het grootste bezwaar tegen de NBV betrof de vertaalopvatting, die volgens de critici te weinig brontekstgetrouw was. Van de herziening was echter niet te verwachten dat die gebaseerd zou worden op een geheel andere, door de critici geprefereerde vertaalopvatting. Bovendien zou de herziening zelf ook nog wel even op zich laten wachten. Er was sprake van 2014, maar dat leek me al te optimistisch. Wat betreft dat laatste kreeg ik gelijk. Het is al een geweldige prestatie dat het gelukt is in 2021. Wat betreft het eerste constateer ik nu – op basis van de lezing van het eerste hoofdstuk – dat de herziening ingrijpender is dan ik ruim een decennium geleden vermoedde. Ze komt ook meer dan ik voorzag tegemoet aan de kritiek van toen. Dat blijkt vooral uit het feit dat de vertaling meer aansluit bij het Hebreeuwse origineel. Uit de nu volgende bespreking van een aantal verschillen tussen de NBV uit 2004 en de NBV21 moge ook duidelijk worden dat het feit dat de vertaling meer brontekstgetrouw is, niet ten koste is gegaan van de goede aandacht voor de doeltaal en in zoverre dan weer niet afwijkt van de vertaalopvatting van de NBV.

Veranderingen in Genesis 1

Al in het tweede vers van Genesis 1 valt op dat in de zin ‘De aarde was woest en doods’ het woordje ‘nog’ is weggelaten. Bij de verbinding met het tweede deel van de zin wordt niet meer het woord ‘maar’ gebruikt. Ze zijn nu nevenschikkend verbonden: ‘en over het water zweefde Gods geest’. We hebben hier gelijk al een goed voorbeeld van de meer brontekstgetrouwe benadering. De vertaling blijft dichter bij het Hebreeuws. De toevoeging ‘nog’ en het tegenstellende ‘maar’ zijn niet nodig voor de leesbaarheid. Ze voegen ook een uitleg toe aan de tekst die aanvechtbaar is of op zijn minst onnodig. ‘Nog’ suggereert dat het om een toestand gaat die definitief tot het verleden behoort. Volgens de profeet Jeremia (4:23) kan de aarde echter nog steeds ‘woest en doods’ zijn. ‘Maar’ suggereert een tegenstelling die er in het Hebreeuws niet hoeft te zijn. Dat hangt samen met de woorden die hier met ‘Gods geest’ vertaald zijn. Uit de voetnoot blijkt dat er ook andere vertalingen mogelijk zijn: ‘Gods adem’, ‘Gods wind’ of ‘een hevige wind’. Door het Hebreeuwse voegwoord niet te interpreteren en gewoon met ‘en’ te vertalen, wordt de mogelijkheid van een andere vertaling opengehouden.

ID: block_61532cdc29a48
NBV, Jeremia 4:23

23Ik zag de aarde,

ze was woest en doods.

Ik keek op naar de hemel,

er was geen licht.

Een heel opvallende wijziging is in vers 3 de vertaling van het Hebreeuwse werkwoord met ‘laat er zijn’. Het komt in plaats van ‘er moet komen’. Omdat dit vele malen herhaald wordt, heeft het grote invloed op de toon van de tekst. Veel lezers hadden aangegeven dat ze niet blij waren met het herhaalde ‘moet(en)’. Het is te begrijpen dat er niet voor is gekozen om terug te keren naar het vertrouwde maar ook verouderde ‘er zij licht’. Er is ook wel voorgesteld om te vertalen met ‘licht zal er zijn!’. Waarschijnlijk is dat ook wel overwogen, maar is er voor de huidige tekst gekozen omdat die er geen twijfel over laat bestaan dat we hier met een gebiedende wijs te maken hebben. Hoe dan ook, ‘moet(en)’ moest er gewoon uit.

Genesis 1:1-5 en 2:1-3, NBV21
1In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2De aarde was woest en doods, duisternis lag over de oervloed, en over het water zweefde Gods geest.
3God zei: ‘Laat er licht zijn,’ en er was licht. 4God zag dat het licht goed was, en Hij scheidde het licht van de duisternis; 5het licht noemde Hij de dag, de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.
(…)
1Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. 2Op de zevende dag had God zijn werk voltooid. Op de zevende dag rustte Hij van het werk dat Hij gedaan had. 3God zegende de zevende dag en heiligde die, want op die dag rustte Hij van heel zijn scheppingswerk.

Daar staat dan tegenover dat de eerbiedskapitaal er weer in kwam. In vers 4 is hij voor het eerst te zien. Juist in dit en het volgende vers valt hij door de drievoudige herhaling des te meer op. Los van de discussie vanuit genderperspectief kan worden opgemerkt dat de nadruk die hierdoor ontstaat op God als de handelende persoon zinvol is: hij/Hij is hier alleen aan het werk.

Het zinnetje ‘Zo gebeurde het’ staat in de NBV21 weer op de plaats waar het volgens de Hebreeuwse tekst thuishoort: aan het eind van vers 7. In de NBV staat het aan het begin van het vers op de plaats die het ook heeft in de verzen 9, 11, 15, 24 en 30, namelijk onmiddellijk na de opdracht die God geeft. Ook in de oude Griekse vertaling, de Septuaginta, is dat het geval, en in de bij de NBV gevolgde tekstuitgave van de Hebreeuwse Bijbel, de Biblia Hebraica Stuttgartensia, wordt ook voorgesteld om de tekst hier te wijzigen. In de nieuwste tekstuitgave, de Biblia Hebraica Quinta, gebeurt dat niet meer. Dat past bij de tendens binnen de oudtestamentische wetenschap om de masoretische tekstoverlevering serieuzer te nemen. Het is goed om te zien dat dit bij de NBV21 ook het geval is. Het laat de mogelijkheid open dat de schrijver in vers 7 bewust heeft afgeweken van het vaste patroon.

Overigens valt het op dat in vers 7 het in het Hebreeuws gebruikte voegwoord is weggelaten, terwijl het in de andere genoemde verzen wel steeds is weergegeven: ‘En zo gebeurde het.’ In het commentaar bij de herziening wordt dat verdedigd met de opmerking dat de tekst zo in het Nederlands soepeler loopt en dat het de opening van de reeks is. Deze redenering ontgaat mij, maar erg belangrijk is dit allemaal natuurlijk ook niet. Het past ook wel bij het feit dat het gewoon lastig is om het meest gebruikte woordje in de Hebreeuwse Bijbel goed te vertalen. We zagen het eerder al in vers 2. In het Hebreeuws worden zinnen doorgaans nevenschikkend naast elkaar gezet, terwijl wij in het Nederlands liever meer onderschikkende voegwoorden gebruiken of het voegwoord helemaal weglaten. Dat laatste gebeurt ook veel in de NBV en de NBV21 wijkt daar niet van af. Dat voorkomt dat de tekst voor ons gevoel onnodig lelijk wordt, bijvoorbeeld doordat er niet steeds staat ‘En God zei(de)’, zoals in de NBG 1951, maar ‘God zei’.

Het in de discussies over bijbelvertalen steevast terugkerende thema van de concordantie (het consequent vertalen van een woord uit de brontaal met hetzelfde woord in de doeltaal) komt aan de orde in vers 11. In de NBV lezen we ‘allerlei (bomen)’, terwijl dezelfde term (Hebreeuws lemino of leminehem) in vers 21 wordt vertaald met ‘alle soorten (levende wezens)’, in vers 24 weer met ‘allerlei’ en in vers 25 met ‘alle soorten’. In de NBV21 is in alle gevallen (ook in vers 12) gekozen voor de vertaling ‘alle soorten’. En anders dan in de NBV is elke keer dat in het Hebreeuws de term gebruikt wordt, deze ook weergegeven in de vertaling. Zo lezen we bijvoorbeeld in vers 21 in de NBV: ‘en ook alles wat vleugels heeft’, terwijl de NBV21 meer woordelijk de Hebreeuwse tekst volgt: ‘en alle soorten vogels, alles wat vleugels heeft’. Zo is wat de concordantie betreft de lijn doorgetrokken die ook al in de aanloop naar de NBV zichtbaar was. Mede op basis van de reacties op de eerste publicaties in Werk in uitvoering kwam er destijds al meer ruimte voor wat werd aangeduid als een ‘beperkte concordantie’. Inmiddels spreekt men liever over een ‘slimme concordantie’.

Tekstindeling

Ten slotte is het nog goed om hier aandacht te besteden aan een ander onderdeel van bijbelvertalen dat regelmatig aanleiding geeft tot discussie: de indeling in perikopen. In de NBV was daar heel veel aandacht aan besteed. Kenmerkend was de terughoudendheid vergeleken met eerdere vertalingen, zowel wat betreft de grootte (niet al te veel kleine stukjes) als de opschriften (zo veel mogelijk met de woorden uit de tekst zelf). Een opvallende wijziging is dat in de NBV21 het eerste deel van vers 4 (‘Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, zo werden ze geschapen’) nu niet meer weergegeven wordt als afsluiting van het eerste scheppingsverhaal, maar als begin van de perikoop getiteld ‘De tuin van Eden’ (Genesis 2:4-3:24). Onder oudtestamentici is dit een bekende twistappel. Met grote stelligheid wordt zowel beweerd dat Genesis 2:4a bij het voorafgaande behoort (het vormt dan een afsluiting die de beginwoorden herhaalt) als bij het volgende (als een ook in het vervolg vaak gebruikt opschrift). Dan zijn er ook nog die hier een dubbelfunctie vermoeden. De NBV21 sluit hier aan bij een aantal recente bijbelcommentaren. Wat misschien nog wel relevanter is, is dat het aansluit bij de perikoopindeling zoals we die in de masoretische traditie vinden. Het past dus goed bij het eerdergenoemde toegenomen respect voor deze teksttraditie.

Noodzaak van brontaalkennis

Overigens blijft het jammer dat er geen mooi Nederlands equivalent is voor het Hebreeuwse toledot. Dat is afgeleid van het woord voor ‘verwekken’. In de Statenvertaling wordt het weergegeven met ‘verwekkingen’. De NBV21 vertaalt, net als veel andere vertalingen, met ‘geschiedenis’, maar dat past op andere plaatsen niet (bijvoorbeeld in Genesis 5:1 – ‘de lijst (van Adams) nakomelingen’). In de NBV is nog geprobeerd iets van het Hebreeuws te bewaren door eraan toe te voegen: ‘Zo ontstonden ze.’ Op die manier wilde men iets behouden van de betekenisrelatie met ‘geboren worden’, ‘verwekt worden’. In de NBV21 is die toevoeging weggelaten. Dat is terecht. Je kunt nu eenmaal niet alle nuances en mogelijke associaties in een vertaling weergeven. Het bevestigt wat ik ook nog gezegd had in de bovengenoemde synodevergadering: de kerk zal niet kunnen zonder voorgangers die de Bijbel ook in de grondtalen kunnen lezen. Hoe blij we ook mogen zijn met de NBV21.


Prof. dr. K. Spronk is hoogleraar Oude Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit.


Lees meer artikelen uit Met Andere Woorden jaargang 40

Bronvermelding

Klaas Spronk, ‘De herziening van Genesis 1:1-2:3 in de NBV21’ in: Met Andere Woorden 40/2 (oktober 2021), 5-9.