Blijven zingen, bij vallen en opstaan

Hij zal je voet niet laten wankelen’ (Psalm 121:3).

Wat houd ik veel van deze psalm. En toch heb ik er van tijd tot tijd moeite mee om hem uit volle borst te zingen. Ik zing hem, maar moet hem ook telkens weer leren zingen. Ik ben dan van de wijs, omdat niet gebeurde wat er wel staat. Bijvoorbeeld dat ons niets kan overkomen. ‘Hij zal je voet niet laten wankelen’, lees ik in vers 3. Maar hoe vaak ben ik onderweg al niet gevallen?

Dorens en distels

Hoe kun je in zulke situaties Psalm 121 blijven zingen? Heel simpel eigenlijk: door goed te lezen wat er staat. Het geheim is, wat mij betreft, dat je de psalm niet in je eentje hoeft te zingen!
Laten we beginnen bij het begin. Want daar vind je waar deze dichter zijn geloof op grondt.
Het beroemde eerste vers ken je misschien wel uit je hoofd:

Ik sla mijn ogen op naar de bergen,
van waar komt mijn hulp?
Mijn hulp komt van de HEER
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Geloof jij, net als de dichter, dat God de hemel en de aarde heeft gemaakt? Dat Hij de Schepper is? Ik geloof dat zeker, maar ik geloof ook dat het daarbij niet gebleven is. Het kwaad en daarmee ook de gebrokenheid hebben in dit leven hun intrede gedaan. Het paradijs was voorbij. Naast al het mooie, zou het leven ‘dorens en distels’ kennen. Nooit meer een leven zonder gevaren.

Gescheiden van God?

God had de mens gevraagd de schepping te bewaren. Maar de mens zou nu zelf altijd een bewaarder nodig hebben. In die gebroken situatie sluit God een verbond met de mens. Niet één keer, maar steeds opnieuw. Lees maar de verhalen over Noach, Abraham, het volk van Israël in de woestijn… Hij beloofde de Bewaarder te zijn, in een leven vol bedreigingen en kwaad. God is de schepper, en Hij blijft in zijn gebroken schepping aanwezig. ‘Ik zal er zijn’, betekent zijn Naam. Wel vijf keer lees je die naam in Psalm 121!
Voor mij komt dit allemaal samen in de dood en opstanding van Jezus.
Daar ligt voor mij de belangrijkste sleutel om die schijnbaar overspannen uitspraak in vers 3 te ‘vatten’. God liet de mensheid niet aan z’n lot over maar Hij bleef erbij. Alleen al zijn Naam wijst daarop. En eeuwen nadat deze psalm werd gedicht, gebeurde er nog iets dat daarop wees. Jezus, de mens bij uitstek in wie God zich liet zien, werd gekruisigd. Dat kruis laat zien dat we in een kapotte wereld leven. Dat wij mensen elkaar verschrikkelijke dingen kunnen aandoen. Maar ook dat God er werkelijk alles voor over heeft om dicht bij ons mensen te zijn.
In tijden dat het niet gaat zoals ik had gehoopt, helpt mij dat. Door me dat voor ogen te stellen. Niets en dan ook niets kan ons scheiden van de liefde van Christus. Ik voel me op zo’n moment als de pelgrim die niet altijd in Jeruzalem kan blijven. Hij moet weer terug. Over de bergen vol gevaren. Maar in zijn hart draagt hij mee wat hij in de tempel gezien en gehoord heeft.

Voor elkaar

Weet je wat me ook helpt?
De psalm begint in de ‘ik-vorm”. Maar later lijkt het wel of de dichter wordt toegezongen. ‘Hij zal je voet niet laten wankelen.’ Als er dan toch momenten zijn van twijfel en strijd, als ik zelf ‘van de wijs’ ben, zingen anderen het me toe.

‘Hij zal je voet niet laten wankelen’
Vandaag zing ik het voor jou.
Maar zing het morgen voor mij.
Dan kan ik, als ik val, weer zingend opstaan.

Arie van der Veer
Emeritus-predikant in de Christelijke Gereformeerde Kerken en oud-voorzitter en presentator van de Evangelische Omroep

Dit bericht is geplaatst op maandag 26 oktober 2020