Bijbellezen in context: de krenten én de pap

‘Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de HEER. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven.’ (Jeremia 29:11, Nieuwe Bijbelvertaling)

Prachtig, toch? Dit vers zou je wel boven je bed willen hangen. Of op de tijdlijn van een Facebookkennis zetten die wel een hart onder de riem kan gebruiken.


Het is een krent uit de bijbelse pap, net zoals bijvoorbeeld Psalm 23, Micha 6:8, Matteüs 28:18-20, Johannes 3:16, Romeinen 8:28 en Filippenzen 4:4. Grote kans dat je de meeste van deze teksten zo kunt opdreunen.

Maar hoe zit het met de rest van de bijbelse pap, zoals Psalm 22 of Micha 6:7? Wat zegt Jeremia in hoofdstuk 29 vers 10, en hoe verhoudt dit hoofdstuk zich tot de rest van zijn boek? Dat wordt voor de meesten van ons al een stuk ingewikkelder. En dat is jammer! Want wie alleen focust op de krenten, loopt een heleboel smaken mis. Bovendien haal je op die manier nooit een echt voedzame maaltijd uit de Bijbel. De mens leeft tenslotte niet van krenten alleen!

Context, context, context
Wie meer dan een snelle geestelijke snack uit de Bijbel wil halen, moet rekening houden met drie dingen: context, context en context.
Ja, je hebt goed gelezen. De eerste, tweede en derde regel voor een bijbelse hoofdmaaltijd is: rekening houden met de context. Dat kun je op drie manieren invullen. Om concreet uit te leggen hoe dit werkt, neem ik de tekst uit Jeremia 29:11 als voorbeeld.

1. De context van de schrijver en zijn eerste lezers of toehoorders
Om de context van de schrijver en de eerste lezers te achterhalen heb je in sommige gevallen een studiebijbel nodig. Maar bij Jeremia 29:11 hoef je maar een paar verzen om de tekst heen te lezen om erachter te komen dat het hier om een brief aan de Judese ballingen in Babylonië gaat. Over de achtergrond van hun situatie lees je niet alleen in Jeremia, maar vooral ook in 2 Koningen 23-25. In veel bijbels staan dit soort aanverwante teksten ook in de marge van de tekst vermeld.

De ballingen zitten diep in de put: hun thuisland is verwoest, en ze moeten als slaven op het land van de Babylonische koning werken. Ze hopen vurig dat God snel zal ingrijpen en Babylon omver zal werpen, maar Jeremia stelt hen teleur: zeventig jaar zal de overheersing door de Babyloniërs duren, en geen dag minder! Maar Jeremia heeft wel een belofte voor de verre toekomst: ooit wordt de relatie tussen God en zijn volk hersteld en mogen de ballingen terugkeren naar Jeruzalem. Een veel specifiekere belofte dan je zou denken als je Jeremia 29:11 op zichzelf leest.

2. De context binnen het bijbelboek en de Bijbel als geheel
Als je het boek Jeremia van begin tot einde leest, merk je dat hoofdstuk 29 een schakelmoment vormt. Tot nu toe heeft Jeremia vooral waarschuwingen uitgesproken, tot groot ongenoegen van zijn luisteraars. Nu, in hoofdstuk 29, zijn Jeremia’s voorspellingen uitgekomen: de Babyloniërs hebben een deel van het volk weggeleid. Na deze gebeurtenis slaat de toon van Jeremia’s boodschap om: niet langer hel en verdoemenis, maar troost voor de ballingen. De hoofdstukken 30-31 worden zelfs het ‘troostboek van Jeremia’ genoemd, omdat Jeremia hier – geheel tegen zijn gewoonte – vergeving en herstel aankondigt. Als je dit troostboek echter op zichzelf leest, mis je de enorme tegenstelling met de rest van Jeremia’s boodschap: bekeer je, want als je op andere goden, machtige volken of op jezelf vertrouwt, gaat het gegarandeerd mis!

Wie de moeite doet om niet alleen heel Jeremia maar ook andere delen van het Oude Testament te lezen, gaat parallellen ontdekken: met Exodus, waar God zijn volk ook bevrijdt uit slavernij. Met Deuteronomium, waar God ongeneeslijke zweren aankondigt als straf (Deuteronomium 28:35). Met Hosea en Ezechiël, die allebei spreken over God die in de woestijn of op een eenzame akker Israël lief kreeg (Hosea 11:1, 13:5; Ezechiël 16). Met de Tien Geboden, waarbij juist wel de kinderen boeten voor de zonden van de ouders.
Het mooie is dat deze manier van lezen zichzelf beloont, want hoe vertrouwder je met grotere stukken bijbeltekst raakt, hoe meer lijnen je gaat ontdekken.

3. Je eigen context
Ook je eigen context mag je meenemen als je je in de Bijbel verdiept. Sterker nog, die moet je meenemen, en het liefst zo helder mogelijk verwoorden. Alleen op die manier kun je jouw lezing op een goede manier naast die van anderen leggen. Daar komt van alles bij kijken, van geslacht, huidskleur, leeftijd, opleidingsniveau, de kerk waarin je (misschien) bent opgegroeid, tot en met de vraag met welk been je vandaag uit bed bent gestapt. Wie ooit met mensen met een heel andere achtergrond bijbelstudie heeft gedaan, weet dat context heel bepalend is.

Overtuigd? Nee? Ik kan me de bezwaren wel indenken. Kost het niet veel teveel tijd en moeite om al die contexten te doorgronden? Heb je geen master theologie nodig om de Bijbel op deze manier te kunnen lezen? En staat de waarheid van de Bijbel niet los van onze eigen toevallige achtergrond?

Allemaal waar. Ja, het kost tijd en moeite. Nee, je hoeft er geen theologie voor te studeren. En ja, de Bijbel heeft door de eeuwen heen bewezen dat hij diep doorleefde waarheden bevat die los staan van tijd of context. Of, beter gezegd: waarheden die in nieuwe tijden en contexten steeds weer van waarde blijken te zijn. Maar juist daarom is het de moeite waard om de Bijbel te lezen als meer dan een verzameling tegeltjesspreuken. En op een dag merk je dan ineens dat je niet langer bezig bent met de krenten uit de pap, maar met bijbelse slow cooking, en alle smaaksensaties die daar bij horen!

Anne-Mareike Schol – Wetter is oudtestamentica. Als hoofd Bijbelgebruik is zij onder andere betrokken bij debijbel.nl, het kinderblad Alef en de ontwikkeling van nieuwe uitgaven.

Dit bericht is geplaatst op maandag 29 januari 2018