Armoede in de Bijbel

God heeft mij uitgekozen. Daarom is zijn Geest bij mij. God heeft mij gestuurd om aan arme mensen het goede nieuws te vertellen.

Lucas 4:18

‘God heeft mij gestuurd om aan arme mensen het goede nieuws te vertellen’ (Lucas 4:18). Met die woorden maakt Jezus zich volgens Lucas aan de mensen bekend. Jezus leest hier voor uit de profeet Jesaja (Jesaja 61:1-2), maar de bijbelse traditie waarin Jezus zich met deze woorden plaatst, is veel breder. In de wetten van Mozes, in de Psalmen, in het boek Spreuken en in de uitspraken van de profeten spelen arme mensen een hoofdrol. Niet omdat zij in die boeken de baas zijn, of omdat de schrijvers vinden dat je je best moet doen om arm te zijn. Nee, arme mensen staan in het middelpunt van de belangstelling als een groep waar God het steeds weer voor opneemt. Wie in de God van de Bijbel gelooft, kan niet om het thema ‘armoede’ heen.

Kansarm

Op heel veel plekken in de Bijbel wordt er geschreven over armoede. De meeste schrijvers hoorden waarschijnlijk tot de rijkere bovenlaag van de samenleving, want anders hadden ze nooit leren schrijven. Toch blijken ze precies te begrijpen hoe armoede werkt. Vooral het boek Spreuken laat duidelijk zien hoe armoede ontstaat en in stand wordt gehouden.

Er groeit meer dan genoeg voedsel op de akkers, maar omdat het niet eerlijk verdeeld wordt, krijgen arme mensen niets.

Spreuken 13:23

Rijke mensen hebben veel vrienden, maar arme mensen hebben niemand.

Spreuken 19:4

De nuchtere waarnemingen van de schrijvers maken één ding duidelijk: wie eenmaal arm is, maakt weinig kans om weer uit die situatie te ontsnappen. Die maakt juist meer kans om uitgebuit en oneerlijk behandeld te worden. In de Bijbel gaat het dan vaak om weduwen, kinderen zonder vader en vreemdelingen: allemaal groepen voor wie niemand het opnam. De combinatie van armoede, onrecht en machteloosheid kom je dan ook steeds weer tegen in de bijbelteksten (bijvoorbeeld Psalm 12:6; Psalm 72:4, Psalm 72:13; Psalm 82:3-4; Spreuken 18:23; Amos 5:10-12).

De schrijvers van deze boeken beschrijven hoe het is om arm te zijn. Maar ze zetten daar ook een ideaal tegenover. Ze beschrijven een wereld waarin arme mensen wél een kans maken. De psalmen bezingen dat ideaal, de profeten roepen het volk steeds weer op om dit na te streven en de wetten van Mozes maken heel concreet duidelijk hoe je daar als maatschappij voor kunt zorgen.

Kansrijk

De belangrijkste wetten over de omgang met arme mensen staan in Leviticus 19:9-16; Leviticus 23:22; Leviticus 25:35-55 en Deuteronomium 15:1-15. Een paar dingen vallen daarbij op. De wetten in Leviticus maken zorg voor de arme mensen tot een onderdeel van het dagelijks leven en een zaak van iedere Israëliet persoonlijk: probeer ik de grootst mogelijke winst voor mezelf uit een oogst te halen, of laat ik iets staan voor mensen die zelf geen land hebben (Leviticus 19:10; Leviticus 23:22)? Het woordgebruik in Deuteronomium 15 laat zien dat het niet puur gaat om het naleven van regels. ‘Wees niet gierig’ (vers 7) en ‘geef van harte’ (vers 10) zijn geen wetten, maar een oproep om de vrijgevigheid die de Israëlieten zelf hebben ontvangen door te geven.

Het doel van alle wetten is om mensen die door armoede niet mee kunnen doen in de maatschappij weer volledig deel te laten uitmaken van de gemeenschap. Dat wordt op een bijzondere manier zichtbaar rondom de voorgeschreven feesten. Daarbij worden de Israëlieten steeds opgeroepen om ook de Levieten, die geen eigen land hadden, vreemdelingen, weduwen en kinderen zonder vader uit te nodigen (Deuteronomium 16:9-15).

Naast de ‘dagelijkse’ wetten rondom de zorg voor de armen kent het Oude Testament ook een blijvende omkering van (of eigenlijk terugkeer naar) de bezitsverhoudingen: het ‘jubeljaar’.

Met het jubeljaar wordt de armoede, die zichzelf in stand houdt en door de jaren steeds verergert, gestopt: slaven worden vrijgelaten, schulden worden kwijtgescholden, en mensen die hun land hebben moeten verkopen, krijgen dat land terug. Ze hebben daarmee weer de mogelijkheid om voor zichzelf te zorgen en zijn niet langer afhankelijk van de goede wil van hun rijkere buren. Het gaat daarbij trouwens niet om een volledig schone lei: alleen het land wordt herverdeeld, andere bezittingen (vee, gebouwen, zilver en goud) blijven bij degene die ze in eigendom heeft. Daarmee zorgt het jubeljaar voor een evenwicht tussen gelijke toegang tot landbouwgrond en de vrijheid om met opbrengst ervan te doen wat je wilt. De bedoeling is helder: niemand mag op den duur kansarm of zelfs kansloos blijven.

Een doekje voor het bloeden?

Of het jubeljaar ooit letterlijk in de praktijk gebracht werd zoals er in Leviticus 25 staat, weten we niet – er is in ieder geval geen bewijs voor. De Bijbel is dan ook regelmatig aangeklaagd omdat arme mensen daarin en daarmee zoet gehouden zouden worden. Rijke mensen worden opgeroepen om voor arme mensen te zorgen, maar tegelijkertijd is er een zekere berusting: ‘Er zullen altijd arme mensen zijn’ (Deuteronomium 15:11; Matteüs 26:11). En ook de woorden van Jezus uit de toespraak op de berg (of volgens Lucas op het veld) – ‘Het echte geluk is voor mensen die arm zijn. Want voor hen is Gods nieuwe wereld’ (Lucas 6:20-26) – zou je op die manier kunnen uitleggen: ‘Wacht maar, jullie tijd komt straks, in Gods nieuwe wereld. Houd je dus nu maar koest en kom niet op het idee om bestaande structuren te willen veranderen.’ Maar zo zijn die woorden natuurlijk niet bedoeld. Wat Jezus hier wil benoemen, is Gods radicale keuze voor arme mensen. Voor hen is hij gekomen, en voor hen is Gods nieuwe wereld.

Diezelfde radicale keuze klinkt ook door in de wetten van het Oude Testament. Regelmatig herinneren de teksten de lezer aan het vertrek uit Egypte, hét moment van recht en bevrijding. Vanuit die achtergrond kun je de wetten over zorg voor weduwen, kinderen zonder vader en andere kwetsbare groepen niet lezen als een doekje voor het bloeden. Het gaat niet om liefdadigheid, waarvoor de gever zich op de schouder mag kloppen en waarop de ontvanger onderdanig en dankbaar moet wachten. Het gaat om recht doen, in navolging van Gods handelen tijdens de bevrijding uit Egypte. Iedere Israëliet is zelf de ontvanger van dat bevrijdende handelen geweest, en iedere Israëliet moet dan ook op dezelfde manier handelen tegenover mensen die dat nodig hebben.

Eigenlijk is het niet ingewikkeld: ‘Deel je brood met mensen die honger hebben. Geef arme mensen een plek in je huis. Geef kleren aan mensen die naakt zijn. Zorg goed voor de mensen om je heen!’ (Jesaja 58:7) Wie weet krijg je dan ooit te horen: ‘Kom, de nieuwe wereld is voor jullie. (…) Want toen ik honger had, gaven jullie mij te eten. Toen ik dorst had, gaven jullie mij te drinken. (…) Toen ik naakt was, gaven jullie mij kleren. Toen ik ziek was, zochten jullie mij op. Toen ik gevangen was, kwamen jullie naar mij toe’ (Matteüs 25:34-26).

Dit bericht is geplaatst op donderdag 20 augustus 2020
Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]